Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Overtreding van artikel 7b, tweede lid, sub a, van de Woningwet .

Hoewel eiseres mede-eigenaar is van de woning waarin een hennepkwekerij is ontmanteld, heeft verweerder ten onrechte de kosten van bestuursdwang voor haar rekening gebracht. Eiseres is niet de feitelijk overtreder. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dusdanige concrete omstandigheden aanwezig dat eiseres evenmin op de hoogte behoorde te zijn van het illegale gebruik van de woning waardoor zij ook niet als overtreder kan worden beschouwd. De vaste jurisprudentie over verhuursituaties vindt hier naar het oordeel van de rechtbank geen toepassing, noch zijn er redenen aanwezig om risicoaansprakelijkheid van eiseres aan te nemen. De rechtbank is van oordeel dat van degene die niet meer in de echtelijke woning woont, in redelijkheid niet (meer) worden verlangd om frequent te controleren of de woning door de voormalige levenspartner nog wel als woning wordt gebruikt. Dit kan eerst anders zijn indien sprake is van bijkomende omstandigheden, waarbij bijvoorbeeld kan worden gedacht aan eerder illegaal gebruik van de woning (als hennepkwekerij of anders). Van dergelijke bijkomende omstandigheden is evenwel niet gebleken. Beroep gegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 / 267 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2011 in de zaak tussen

[naam persoon],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. J.J.J. van Rijsbergen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2010 (primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat er op 10 augustus 2010 spoedeisende bestuursdwang is toegepast en dat de kosten daarvan op eiseres worden verhaald.

Bij besluit van 6 december 2010 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2011.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam persoon] en [naam persoon].

Overwegingen

1. Op 10 augustus 2010 heeft een toezichthouder van verweerder geconstateerd dat er in de woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] (de woning) een volledig ingerichte en in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was. In verband met de (brand)gevaarlijke situatie heeft verweerder nog diezelfde dag, door middel van het onder kostenverhaal toepassen van bestuursdwang, de hennepkwekerij ontmanteld en de daaraan gerelateerde zaken uit de woning verwijderd en afgevoerd. De toezichthouder heeft zijn constateringen op 11 augustus 2010 neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen. Verweerder heeft de onder kostenverhaal toegepaste bestuursdwang op 19 augustus 2010 op schrift gesteld (primaire besluit).

Verweerder heeft eiseres op 3 september 2010 een kostenbeschikking van € 1.244,92 gestuurd.

Eiseres heeft op 28 september 2010 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Eiseres heeft de gronden van het bezwaarschrift op 1 november 2010 nader aangevuld. Op 17 november 2010 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

2. Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat zij ten onrechte is aangeschreven als overtreder. Eiseres leeft sinds september 2009 gescheiden van haar ex-echtgenoot, die in afwachting van de verkoop van de gezamenlijke woning in de woning is blijven wonen. Eiseres staat sinds eind 2009 in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op een ander adres. Eiseres had geen enkele reden om aan te nemen dat er een hennepkwekerij in de woning aanwezig was. Zij had uitsluitend telefonisch contact met haar ex-echtgenoot over de voortgang van de verkoop van de woning. Hij had de taak van de verkoop van de woning op zich genomen, waarvoor eerst ook een makelaar was ingeschakeld. Eiseres heeft diverse keren van haar ex-echtgenoot vernomen dat er bezichtigingen waren geweest, waardoor zij geen enkele reden had om te veronderstellen dat er een hennepkwekerij in de woning aanwezig zou zijn. Eiseres verzoekt het bestreden besluit en het primaire besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de kosten van beroep en bezwaar.

3.1 Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden en is de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Op grond van het overgangsrecht – voor zover hier van belang – blijft, indien voor het tijdstip waarop de Wabo in werking treedt, met betrekking tot een activiteit als bedoeld in die wet een beschikking tot toepassing van bestuursdwang is gegeven, het onmiddellijk voor dat tijdstip ten aanzien van een zodanige beschikking geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt op grond van artikel 125, tweede lid, uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij de kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

In artikel 5:31, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan, dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen kan besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan op grond van artikel 5:31, tweede lid, van de Awb terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

3.2 Artikel 1b, tweede lid, sub a, van de Woningwet verbiedt om een bestaand gebouw in staat te brengen, te laten komen of te houden, die niet voldoet aan het Bouwbesluit.

Artikel 7b, tweede lid, sub a, van de Woningwet verbiedt een bouwwerk of standplaats te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening.

In artikel 2.52, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 is bepaald dat een bestaand bouwwerk een veilige voorziening voor elektriciteit heeft.

Ingevolge artikel 7.3.2 van de Bouwverordening 2007 van de gemeente Breda (Bouwverordening) is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken waardoor:

a. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

b. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;

c. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

Artikel 2.1.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken bepaalt, dat een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 2.7 van het Bouwbesluit 2003 niet wordt gebruikt op een wijze die gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.

Ingevolge artikel 2.9.1, sub a van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt.

4. Niet in geschil is dat in de woning een in werking zijnde hennepkwekerij is

aangetroffen. Ingevolge artikel 7b, tweede lid, sub a, van de Woningwet is het verboden om een bouwwerk of standplaats te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening. In casu is de woning niet gebruikt voor wonen maar voor het illegaal exploiteren van een hennepkwekerij, zodat sprake is van een overtreding.

De rechtbank dient te beoordelen of eiseres terecht door verweerder als overtreder van artikel 7b, tweede lid, sub a, van de Woningwet is aangemerkt en of de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang om die reden voor haar rekening mogen komen.

Vaststaat dat eiseres op 10 augustus 2009 op een ander adres woonde en niet als feitelijk overtreder kan worden aangemerkt. Op grond van de jurisprudentie dient daarom beoordeeld te worden of eiseres op de hoogte behoorde te zijn van het illegale gebruik van de woning, waardoor zij als overtreder kan worden beschouwd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 21 mei 2008, LJN: BD2082). Hiervoor zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend (zie AbRS van 10 november 2011 met de noot van A.G.A. Nijmeijer, LJN: BO3470).

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres als eigenaar van de woning op de hoogte behoorde te zijn van het illegale gebruik van de woning en daarom als overtreder moet worden aangemerkt. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar vaste jurisprudentie van de AbRS over ontmantelde hennepkwekerijen in verhuursituaties.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze jurisprudentie hier geen rechtstreekse toepassing, reeds omdat hier geen sprake is van (professionele) huur/verhuur.

Er zijn evenmin redenen om risicoaansprakelijkheid van eiseres, zoals verweerder heeft betoogt, aan te nemen. Het enkele feit dat eiseres mede-eigenaar is, is hiervoor onvoldoende.

Verder is van belang, dat de samenwoning tussen eiseres en haar ex-echtgenoot eind 2009 is verbroken. Sindsdien staat de woning te koop en is eiseres op een ander adres gaan wonen, op welke adres zij in de GBA staat ingeschreven. Onder deze omstandigheden kan naar oordeel van de rechtbank van degene die niet meer in de echtelijke woning woont in redelijkheid niet (meer) worden verlangd om frequent te controleren of de woning door de voormalige levenspartner nog wel als woning wordt gebruikt. Dit kan eerst anders zijn indien sprake is van bijkomende omstandigheden, waarbij bijvoorbeeld kan worden gedacht aan eerder illegaal gebruik van de woning (als hennepkwekerij of anders).

Van dergelijke bijkomende omstandigheden is evenwel niet gebleken.

Tenslotte is er ook geen enkele aanwijzing dat eiseres als medepleger of medeplichtige bij de door de ex-echtgenoot gepleegde strafbare feiten in het kader van deze hennepkwekerij betrokken is geweest.

De slotsom van dit alles is dat eiseres onder deze omstandigheden niet als overtreder kan worden aangemerkt.

5. Op basis van het voorgaande heeft verweerder de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang ten onrechte voor rekening gebracht van eiseres. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

Aangezien er rechtens slechts één beslissing mogelijk is, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 19 augustus 2010 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.748 (4 x € 437). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank, waarvoor een acceptgiro zal worden toegezonden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 19 augustus 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde

bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 150 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.748 te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas, rechter, in aanwezigheid van mr. P.E. van Althuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2011.

mr. P.E. van Althuis, griffier mr. H. Lagas, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature