Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Eiser vordert dat gedaagde, als erfgename, de kosten van de uitvaart van erflater betaald. Gedaagde stelt daartoe niet gehouden te zijn, omdat zij de nalatenschap van erflater verworpen heeft.

(Stilzwijgende) aanvaarding in de zin van artikel 4:192 BW kan slechts dan aan de orde zijn indien gedaagde zich als een erfgenaam heeft gedragen. In dit verband stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde zich uit eigener beweging tot eiser heeft gewend om de zich bij eiser bevindende resterende spullen van erflater af te halen. Voorts stelt de rechtbank vast dat gedaagde zich uit eigener beweging tot de ING Bank heeft gewend om nadere informatie met betrekking tot de rekening van erflater te verkrijgen en dat zij na het verkrijgen van deze informatie de bank heeft bericht geen erfgenaam te zijn, zoals door haar ter zitting uiteengezet. De rechtbank kan bij gebreke van enige toelichting van de zijde van gedaagde deze gedragingen niet rijmen met haar ter zitting gegeven verklaring dat zij in geen geval iets uit de nalatenschap van erflater wenste te hebben. Daar komt bij dat gedaagde aanvankelijk heeft betwist spullen bij eiser op voornoemde datum afgehaald te hebben. Ter zitting heeft gedaagde evenwel erkend dat zij vergezeld van haar zuster bij eiser is langsgegaan om enkele spullen op te halen en dat het wel haar handtekening betreft die onder verklaring is gezet. Zij heeft aldus over zaken van erflater beschikt. De rechtbank is van oordeel dat voormelde gedragingen in hun volgorde en samenhang bezien en bij gebreke van enig voorbehoud van de zijde van gedaagde, de conclusie rechtvaardigen dat gedaagde zich daarmee ondubbelzinnig als erfgenaam heeft gedragen en dat daaruit blijkt van de wil tot zuivere aanvaarding van de nalatenschap.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 487552 / HA ZA 11-1086

Vonnis van 12 oktober 2011

in de zaak van

[buurman],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.A. Hupkes,

tegen

[erfgename],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F.J. Majoor.

Partijen zullen hierna [buurman] en [erfgename] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van 30 maart 2011;

- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in voorwaardelijke reconventie met producties zijdens [erfgename];

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 8 juni 2011 waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 17 augustus 2011 en de daarin genoemde stukken en proceshandelingen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 8 augustus 2007 is de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden.

2.2. [buurman] en [erflater] waren buren. [buurman] heeft zich de laatste jaren van het leven van erflater over hem ontfermd.

2.3. [buurman] heeft uitvaartverzorger PC Hooft Uitvaartverzorging (hierna: PC Hooft) opdracht gegeven de uitvaart van erflater te verzorgen.

2.4. PC Hooft heeft de kosten van de uitvaart aan [buurman] in rekening gebracht. [buurman] en PC Hooft hebben voor de kantonrechter en in hoger beroep bij het Hof Amsterdam over de verschuldigdheid door [buurman] van deze kosten geprocedeerd. Bij arrest van het Hof Amsterdam van 22 maart 2011 is [buurman] -samengevat- veroordeeld tot betaling aan PC Hooft van een bedrag ad € 3.184,- te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten van de procedure aan de zijde van PC Hooft in beide instanties.

2.5. Erflater heeft bij testament van 10 oktober 1990 onder meer het navolgende verklaard:

[..]

“Ten derde: In het geval dat ik overlijd na of tegelijk met genoemde mevrouw [persoon 1] benoem ik tot enige erfgename van mijn nalatenschap:

- mevrouw [erfgename],”

[..]

Mevrouw [persoon 1] voornoemd, was ten tijde van het overlijden van erflater reeds vooroverleden, zodat krachtens het testament [erfgename] als enig erfgenaam is aangewezen.

2.6. [buurman] heeft de woning van [erflater] laten ontruimen en de inboedel door een instantie voor hergebruik laten afvoeren, conform de opdracht van erflater.

2.7. Op 16 januari 2008 heeft [erfgename] in het bijzijn van haar zuster enkele spullen van erflater bij [buurman] thuis opgehaald. Bij die gelegenheid heeft [erfgename] een verklaring ondertekend dat zij “de goederen en papieren die van de heer [erflater] (…) waren” in ontvangst heeft genomen van [buurman].

2.8. Bij brief van 18 augustus 2010 heeft ING Bank aan PC Hooft Groep onder meer het navolgende bericht:

“Hierbij ontvangt u bericht betreffende de erfgenamen cq contactpersonen van wijlen de heer [erflater]

De bij ons bekende erfgename/contactpersoon is:

Mevrouw [gedaagde]”

2.9. Bij brief van 11 januari 2011 schrijft de raadsman van [buurman] aan [erfgename] onder meer het navolgende:

“Zo verkreeg ik de informatie dat wijlen de heer [erflater] in het jaar 1990 een testament heeft laten maken bij een notaris, Mr Nytst. Bij de opvolger van deze notaris heb ik vervolgens een copie van het testament verkregen. Een copie van het testament treft u hierbij aan.

[..]

Dit betekent dat aan de benoeming van mevrouw [persoon 1] tot erfgenaam geen betekenis meer toekomt en dat u inderdaad de enige overgebleven erfgenaam bent krachtens het testament.”

2.10. Bij akte van 25 januari 2011 heeft [erfgename] ten overstaan van de griffie van deze rechtbank de nalatenschap van erflater verworpen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [buurman] vordert -samengevat- dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. [erfgename] veroordeelt tot betaling aan [buurman] van een bedrag van

€ 8.620,95 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

B. [erfgename] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2. [erfgename] voert verweer, hetgeen hierna in de beoordeling aan de orde zal komen.

in voorwaardelijke reconventie

3.3. [erfgename] vordert samengevat- dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. [buurman] beveelt rekening en verantwoording af te leggen omtrent het beheer van de bankrekening van erflater en de afwikkeling van zijn nalatenschap, op straffe van een dwangsom van € 5.000,= voor het geval [buurman] in gebreke blijft binnen 6 maanden na het bevel daartoe voormelde verantwoording af te leggen;

B. [buurman] te veroordelen tot betaling aan [erfgename] van hetgeen uit de rekening en verantwoording zal blijken;

C. [buurman] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.4. [buurman] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. [buurman] heeft aan zijn vordering -kort gezegd- ten grondslag gelegd dat hij in de periode voor het overlijden van erflater uit hoofde van zaakwaarneming zich het lot van erflater bij wijze van mantelzorg heeft aangetrokken. Na het overlijden van erflater heeft hij bij wijze van zaakwaarneming zich met de uitvaart van erflater ingelaten. Uit dien hoofde heeft hij een uitvaartondernemer opdracht gegeven de uitvaart te verzorgen in de veronderstelling dat de kosten daarvan ten laste van de nalatenschap zouden komen, althans gedekt zouden worden door de bij hem bekende uitvaartpolis van erflater. Na een procedure tussen [buurman] en de uitvaartondernemer bij de rechtbank en het Hof Amsterdam is [buurman] veroordeeld tot betaling aan de uitvaartondernemer van de uitvaartkosten, aldus [buurman].

4.2. In de onderhavige procedure wenst [erfgename] de door hem betaalde uitvaartkosten en proceskosten van [erfgename] vergoed te zien. [buurman] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [erfgename] als enig erfgename van de nalatenschap gehouden is deze kosten te voldoen. Dat [erfgename] betwist erfgename te zijn houdt geen stand nu zij zich onder meer op 16 januari 2008 bij [buurman] heeft gemeld met het verzoek om afgifte van spullen van erflater. [buurman] heeft daarop aan [erfgename] enkele dozen met spullen meegegeven -waaronder de pinpas- voor welke ontvangst zij ook heeft getekend. Bovendien blijkt uit de als productie 2 bij conclusie van antwoord in reconventie gevoegde brief van de ING Bank van 18 augustus 2010, dat ook de ING Bank -waar erflater een rekening had- [erfgename] als erfgename heeft aangemerkt. Het is dan ook niet geloofwaardig dat [erfgename] de bank niet heeft bericht erfgenaam te zijn. Gezien de aan de verwerping voorafgaande daden van [erfgename] ten aanzien van de overdracht van de boedel en jegens de ING Bank, heeft de verwerping geen effect gehad. Gelet daarop dient [erfgename] als erfgename te worden aangemerkt en dient zij uit die hoofde op de voet van het bepaalde in artikel 4:7 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) de kosten van de uitvaart aan [buurman] te voldoen. Nu zij dit tot op heden heeft nagelaten kwalificeert haar handelen als een onrechtmatige daad. De nalatenschap is mede door de verzekeringsuitkering op de uitvaartpolis voorts ongerechtvaardigd verrijkt. [buurman] vordert dan ook niet alleen de uitvaartkosten, maar ook de door hem gemaakte proceskosten in de procedures met de uitvaartondernemer, aldus nog steeds [buurman].

4.3. [erfgename] heeft betwist erfgename te zijn van de nalatenschap. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de nalatenschap heeft verworpen. Dat zij door gedragingen geacht moet worden de nalatenschap te hebben aanvaard wordt eveneens betwist nu zij niet als heer en meester over de goederen van de nalatenschap heeft beschikt noch heeft doen blijken dat zij de schulden van de nalatenschap voor haar rekening zou nemen. Ter zitting heeft [erfgename] toegelicht dat zij de ING Bank heeft verzocht inzage te geven in het verloop van de rekening van erflater en dat zij voor het verkrijgen van die informatie op verzoek van de ING Bank een formulier heeft moeten invullen. Voorts heeft [erfgename] ter zitting aangevoerd dat zij na verkrijging van de door haar verzochte informatie de bank heeft bericht geen erfgenaam te zijn. [erfgename] heeft geconcludeerd dat de vorderingen van [buurman] derhalve afgewezen dienen te worden. Slechts ingeval de rechtbank mocht oordelen dat [erfgename] toch aansprakelijk is, is het redelijk dat slechts de kosten van de uitvaart voor vergoeding in aanmerking komen en niet de door [buurman] overige gevorderde (proces)kosten. Laatstgenoemde kosten zijn door toedoen van [buurman] zelf veroorzaakt zodat ze voor zijn rekening dienen te blijven, aldus nog steeds [erfgename].

4.4. De rechtbank overweegt als volgt. Kern van het geschil is de beantwoording van de vraag of [erfgename] door de door [buurman] gestelde gedragingen in weerwil van haar (latere) verwerping toch erfgename van de nalatenschap is geworden. Bij een bevestigende beantwoording dient beoordeeld te worden of zij uit dien hoofde gehouden is de kosten van de uitvaart aan [buurman] te vergoeden. De rechtbank neemt bij de beantwoording van de eerste vraag het bepaalde in artikel 4:192 lid 1 BW tot uitgangspunt. Op grond daarvan wordt een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, geacht de nalatenschap zuiver te aanvaarden tenzij deze erfgenaam zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.

4.5. Vorenstaand uitgangspunt brengt met zich dat (stilzwijgende) aanvaarding in de zin van artikel 4:192 BW slechts dan aan de orde kan zijn indien [erfgename] zich als een erfgenaam heeft gedragen. In dit verband stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [erfgename] zich uit eigener beweging tot [buurman] heeft gewend om de zich bij [buurman] bevindende resterende spullen van erflater af te halen. Voorts stelt de rechtbank vast dat [erfgename] zich uit eigener beweging tot de ING Bank heeft gewend om nadere informatie met betrekking tot de rekening van erflater te verkrijgen en dat zij na het verkrijgen van deze informatie de bank heeft bericht geen erfgenaam te zijn, zoals door haar ter zitting uiteengezet. De rechtbank kan bij gebreke van enige toelichting van de zijde van [erfgename] deze gedragingen niet rijmen met haar ter zitting gegeven verklaring dat zij in geen geval iets uit de nalatenschap van erflater wenste te hebben. Daar komt bij dat [erfgename] aanvankelijk heeft betwist spullen bij [buurman] op voornoemde datum afgehaald te hebben. Ter zitting heeft [erfgename] evenwel erkend dat zij vergezeld van haar zuster bij [buurman] is langsgegaan om enkele spullen op te halen en dat het wel haar handtekening betreft die onder verklaring is gezet. Zij heeft aldus over zaken van erflater beschikt. De rechtbank is van oordeel dat voormelde gedragingen in hun volgorde en samenhang bezien en bij gebreke van enig voorbehoud van de zijde van [erfgename], de conclusie rechtvaardigen dat [erfgename] zich daarmee ondubbelzinnig als erfgenaam heeft gedragen en dat daaruit blijkt van de wil tot zuivere aanvaarding van de nalatenschap. Nu gesteld noch gebleken is dat [erfgename] een beroep op het bepaalde in artikel 4:194 BW toekomt, brengt het erfgenaamschap van [erfgename] met zich dat zij ingevolge artikel 4:182 lid 2 BW gehouden is de schulden van de nalatenschap te voldoen. Nu de door [buurman] betaalde uitvaartkosten op de voet van het bepaalde in artikel 4:7 lid 1 sub b BW kwalificeren als een schuld van de nalatenschap, dient [erfgename] deze kosten aan [buurman] te vergoeden. Uit het door [buurman] in het geding gebrachte vonnis van de kantonrechter en het arrest van het Hof in de procedure tussen [buurman] en de uitvaartondernemer, leidt de rechtbank af dat laatstgenoemde een bedrag van € 3.364,= aan [buurman] in rekening heeft gebracht voor de uitvaart. De vordering is dan ook in zoverre toewijsbaar.

4.6. Voor zover de vordering van [buurman] evenwel betrekking heeft op de door hem betaalde proceskosten heeft te gelden dat deze niet kwalificeren als een schuld van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 BW , gegeven de daarin opgenomen limitatieve opsomming.

Dat [erfgename] niettemin gehouden is deze kosten te voldoen omdat zij een onrechtmatige daad zou hebben gepleegd jegens [erfgename] dan wel dat op dit punt sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de nalatenschap is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd gesteld. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering van [buurman] dan ook afwijzen.

Wettelijke rente

4.7. Nu de door [buurman] gevorderde wettelijke rente van de zijde van [erfgename] niet gemotiveerd is weersproken, zal de rechtbank deze toewijzen met ingang van de dag na dagvaarding tot aan de dag der voldoening.

Dwangsom

4.8. Ten aanzien van de door [buurman] gevorderde aan [erfgename] op te leggen dwangsom, is de rechtbank van oordeel dat -mede gegeven hetgeen door de rechtbank in het onderhavige vonnis is overwogen- [buurman] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit zou blijken dat gegronde vrees bestaat dat [erfgename] niet aan het onderhavige vonnis zal voldoen. De rechtbank zal het opleggen van een dwangsom dan ook achterwege laten.

in (voorwaardelijke) reconventie

4.9. Nu de vordering in conventie van [buurman] deels wordt toegewezen, is voldaan aan de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld. De rechtbank komt dus toe aan een beoordeling van de vordering in reconventie.

4.10. [erfgename] heeft aan haar vordering in voorwaardelijke reconventie ten grondslag gelegd dat [buurman] de gehele nalatenschap tot zich heeft genomen en daarmee jegens [erfgename] onrechtmatig heeft gehandeld. [buurman] dient dan ook jegens [buurman] rekening en verantwoording af te leggen zowel omtrent de afwikkeling van de nalatenschap onder overlegging van bewijsstukken. De verantwoording dient betrekking te hebben vanaf een jaar vóór het overlijden van erflater, derhalve vanaf 8 augustus 2006.

4.11. [erfgename] heeft zich verweerd tegen deze vordering en heeft daartoe samengevat aangevoerd dat voor zover de vordering betrekking heeft op de periode vóór het overlijden van erflater, deze bij gebreke van een grondslag afgewezen dient te worden. Voor zover de vordering betrekking heeft op de periode ná het overlijden van erflater heeft [buurman] aangevoerd dat [erfgename] onvoldoende belang heeft bij haar vordering nu daarvoor op basis van vrijwilligheid reeds verantwoording is gegeven in productie 4 bij conclusie van antwoord in reconventie.

4.12. De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover de vordering betrekking heeft op de periode vóór het overlijden van erflater zal de rechtbank de vordering als onvoldoende gemotiveerd gesteld afwijzen. Ter zitting heeft [erfgename] slechts gesteld dat op basis van zaakwaarneming [buurman] gehouden zou zijn de gevraagde rekening en verantwoording af te leggen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van [buurman] daartoe gehouden te zijn, had het op de weg van [erfgename] gelegen haar grondslag nader met feiten en omstandigheden te onderbouwen die zulks een verplichting rechtvaardigen. Bovendien had het op de weg van [erfgename] gelegen nader te preciseren waar de verantwoording betrekking op dient te hebben. Bij gebreke daarvan heeft [erfgename] niet voldaan aan haar stelplicht. Voor zover het de periode ná het overlijden van erflater betreft, volgt de rechtbank [buurman] in zijn verweer dat [erfgename] geen belang heeft bij toewijzing van haar vordering nu voor deze periode blijkens productie 4 bij conclusie van antwoord in reconventie reeds verantwoording is gegeven. Dat [buurman] desondanks tot een meer omvattende rekening en verantwoording zou zijn gehouden is gesteld noch gebleken. Voor zover in het betoog van [erfgename] evenwel besloten ligt dat [buurman] gehouden is met bankafschriften het rekeningverloop van de rekening van erflater nader aan [erfgename] te verantwoorden gaat de rechtbank daaraan voorbij. [buurman] heeft immers gemotiveerd weersproken in het bezit van de daartoe benodigde rekeningafschriften te zijn. Nu in conventie vast is komen te staan dat [erfgename] als erfgename van de nalatenschap dient te worden beschouwd, houdt de rechtbank het ervoor dat [erfgename] uit dien hoofde in staat moet worden geacht het door haar verlangde inzicht bij de bank te verkrijgen. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de vordering in reconventie zal worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

proceskosten

4.13. De rechtbank zal [erfgename] als de in conventie en in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van [buurman] veroordelen.

4.14. De kosten aan de zijde van [buurman] worden in conventie begroot op:

- explootkosten 97,81

- vast recht 71,00

- salaris advocaat 768,00 (2 punten × factor 1 × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 936,81

4.15. De kosten aan de zijde van [buurman] worden in reconventie begroot op

EUR 904,00 (2 punten x factor 2 x tarief EUR 452,00).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [erfgename] tot betaling aan [buurman] binnen veertien dagen na betekening van het onderhavige vonnis van een bedrag ad € 3.364,= te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 31 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2. veroordeelt [erfgename] in de proceskosten aan de zijde van [buurman], in totaal begroot op € 936,81 waarvan € 97,81 te voldoen op rekeningnummer [rekeningnr], ten name van Arrondissement 521 Amsterdam, onder vermelding van het zaak- en het rolnummer;

5.3. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.5. wijst de vorderingen af;

5.6. veroordeelt [erfgename] in de proceskosten aan de zijde van [buurman] begroot op € 904,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings en in het openbaar uitgesproken op

12 oktober 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature