Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Geen recht op bijstand. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene in de hier te beoordelen periode niet langer haar hoofdverblijf - en daarmee haar woonplaats - had in de gemeente Haarlemmermeer.

Uitspraak



09/5123 WWB

09/6497 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 augustus 2009, 08/6461 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], beweerdelijk wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. M. Raaijmakers, advocaat te Hoofddorp, heeft zich als gemachtigde van betrokkene gesteld.

Appellant heeft op 18 november 2009 naar aanleiding van de aangevallen uitspraak een nader besluit genomen en dat besluit met enkele nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. van der Plaats, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer. Betrokkene en haar gemachtigde zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 23 april 2008 heeft appellant aan betrokkene voor de duur van haar verblijf in “[naam instelling]” te [gemeente 1] met toepassing van artikel 16 van de Wet werk en bijstand (WWB) bijstand toegekend naar de norm voor een persoon die in een inrichting verblijft.

1.2. Nadat begin juni 2008 was gebleken dat betrokkene op 23 april 2008 uit “de Geestgronden” was ontslagen en zich bij de gemeente Haarlemmermeer had aangemeld voor maatschappelijke opvang, heeft appellant een onderzoek ingesteld naar het recht van betrokkene op voortzetting van de bijstand. Uit dat onderzoek kwam onder meer naar voren dat betrokkene in een gesprek met een maatschappelijk werker van “[naam instelling]” over maatschappelijke opvang heeft opgegeven dat zij sinds 23 april 2008 logeert bij haar studerende dochter in Utrecht. In verband hiermee heeft een fraudepreventiemedewerker van de gemeente Haarlemmermeer betrokkene uitgenodigd voor een gesprek op 11 juni 2008 over haar recht op uitkering. De inhoud van dat gesprek is neergelegd in een verslag van 25 juni 2008. De verslaglegger heeft de verklaring die betrokkene tijdens het gesprek heeft afgelegd over haar woonsituatie op schrift gesteld. Deze verklaring luidt als volgt: “Vanaf 7 mei 2008 heeft mijn vriendin aangeboden de woonruimte op [adres 1] te [gemeente 1] te gebruiken. Als ik afspraken heb in [gemeente 1] dan kan ik van de woning gebruik maken. Ik heb geen slaapkamer in de woning. Ik slaap op bank. Ik heb geen vaste woon- of verblijfplaats. Ik kan overal logeren. (…) Ik kan niemand toelaten in de woning op [adres 1]. Ik heb ook geen sleutel van de woning op [adres 1]. Ik ben een reiziger geworden, heb geen vaste plek. Ik woon niet op [adres 1]. Ik leef vanuit een koffer. (…) Ik kook er soms. Meestal haal ik wat bij Chinees of Turk. Bij mijn jongste dochter slaap ik in haar bed. (…) Bij mij andere dochter slaap ik op de kamer van mijn kleindochter van 7 jaar. Mijn administratie ligt bij mijn dochters”. Betrokkene heeft deze verklaring ondertekend, nadat zij deze deels had gelezen en het resterende deel aan haar was voorgelezen.

1.3. Bij besluit van 25 juni 2008 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 1 juni 2008 beëindigd (lees: ingetrokken), de over de periode van 23 april 2008 tot en met 31 mei 2008 verleende bijstand herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 435,02 van betrokkene teruggevorderd. Het bezwaar dat betrokkene hiertegen heeft gemaakt is bij besluit van 16 september 2008 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de grond dat betrokkene vanaf 23 april 2008 niet langer in de gemeente Haarlemmermeer woont.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het door betrokkene tegen het besluit van 16 september 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat betrokkene haar verblijfplaats in Haarlemmermeer heeft behouden. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de verklaring van betrokkene, dat zij geen vaste woon- of verblijfplaats had, reizende was, en soms bij haar dochter in Utrecht en soms bij haar dochter in Amsterdam sliep, moet worden gezien in het licht van de keuze waarvoor zij door de verslaglegger was gesteld. Aan betrokkene was immers voorgehouden dat zij een keuze diende te maken tussen dakloos zijn, zodat zij in aanmerking zou komen voor maatschappelijke opvang (wat zij graag wilde) of haar hoofdverblijf in de gemeente Haarlemmermeer hebben. In de rapportage is ook vermeld dat betrokkene 3 à 4 dagen per week verbleef in de woning aan de [adres 1] en dat zij zich prettig voelde in Haarlemmermeer. Het vertrek uit “[naam instelling]” is overhaast geweest, zodat betrokkene niet de gelegenheid heeft gehad zich op dat vertrek voor te bereiden. Dat betekent volgens de rechtbank nog niet dat zij Haarlemmermeer niet langer als haar hoofdverblijf had.

3. Op 18 november 2009 heeft appellant naar aanleiding van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2008 ongegrond verklaard op de grond dat het recht op uitkering vanaf 23 april 2008 niet kan worden vastgesteld wegens schending van de informatieplicht. De Raad zal dit besluit met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken.

4. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat uit de verklaring van betrokkene van 11 juni 2008 duidelijk blijkt dat betrokkene na haar vertrek uit “[naam instelling]” op 23 april 2008 feitelijk niet binnen de gemeente Haarlemmermeer heeft verbleven. Met deze verklaring, die bevestigd wordt door een e-mail van de maatschappelijk werkster van “[naam instelling]’, staat in voldoende mate vast dat betrokkene na 23 april 2008 geen woonplaats in de zin van artikel 40 van de WWB meer heeft in de gemeente Haarlemmermeer. Appellant acht het niet onjuist dat een medewerkster van de gemeente in het gesprek op 11 juni 2008 heeft gezegd dat betrokkene duidelijk moest maken hoe de situatie werkelijk was, omdat het beroep op maatschappelijke opvang en het stellen van het hebben van voldoende onderdak in de gemeente Haarlemmermeer elkaar uitsluiten. Volgens appellant kent de rechtbank onevenredig veel betekenis toe aan het gegeven dat betrokkene op 11 juni 2008 ook heeft gezegd dat zij drie à vier nachten per week in [gemeente 1] slaapt. In hetzelfde rapport is immers vermeld dat zij in het kader van de aanvraag voor maatschappelijke opvang ook heeft gesteld dat zij hoofdzakelijk bij haar dochter in Utrecht verblijft.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt vast dat appellant de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 23 april 2008 tot en met 25 juni 2008.

5.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

5.3. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene in de hier te beoordelen periode niet langer haar hoofdverblijf - en daarmee haar woonplaats - had in de gemeente Haarlemmermeer. Bij dit oordeel kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring die betrokkene op 11 juni 2008 heeft afgelegd. De Raad ziet in het verslag van 25 juni 2008 geen grond om aan te nemen dat de verklaring van betrokkene slechts is ingegeven door haar wens om voor maatschappelijke opvang in aanmerking te komen en niet de feitelijke situatie weergeeft. Daar komt bij dat de inhoud van de verklaring van betrokkene in overeenstemming is met de mededeling die zij tijdens een gesprek over haar verzoek om maatschappelijke opvang heeft gedaan over haar verblijfplaats.

5.4. Gezien het onder 5.3 gegeven oordeel had betrokkene vanaf 23 april 2008 jegens appellant geen recht op bijstand.

5.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. Aangezien betrokkene in beroep tegen het besluit van 16 september 2009 geen andere beroepsgronden heeft aangevoerd dan dat zij haar woonplaats heeft in de gemeente Haarlemmermeer en ook na 23 april 2008 recht heeft op bijstand, zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 september 2009 ongegrond verklaren.

5.6. Aangezien de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, is daarmee aan het nader besluit van 18 november 2009 de grondslag komen te ontvallen. Dit besluit dient daarom te worden vernietigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 september 2008 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 18 november 2009.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en M. Hillen en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature