Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verweerders schriftelijke reactie van 8 december 2010 is een besluit in de zin van de Awb, ook al is sprake van een verzoek ex artikel 8 Wob . Eiser heeft afdoende toegelicht dat hij door dit besluit in zijn belangen is getroffen. Eisers beroep, dat door de rechtbank als bezwaar is doorgestuurd, is gericht tegen een besluit. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Eisers beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:51 a Awb. Volgens de rechtbank is de Verordening commissie bezwaarschriften niet onverbindend. Eisers ingebrekestelling is prematuur. Tot slot komen de door eiser opgevoerde parkeerkosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 3053 WOB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2011

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem.

1. Procesverloop

Bij brief van 31 oktober 2010, door verweerder ontvangen op 2 november 2010, heeft eiser verweerder verzocht om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) onmiddellijk een einde te maken aan de geanonimiseerde publicatiepraktijk van zienswijzen.

Tegen het niet-tijdig beslissen op dit verzoek heeft eiser op 2 december 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 8 december 2010 schriftelijk op het verzoek van 31 oktober 2010 gereageerd.

Bij uitspraak van 3 februari 2011 (reg. nr. AWB 10-6395) heeft de rechtbank het beroep van 2 december 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Voor zover het beroep is gericht tegen verweerders schriftelijke reactie van 8 december 2010 is het beroep doorgestuurd naar verweerder ter behandeling als bezwaar.

Bij besluit van 10 mei 2011, verzonden 11 mei 2011, heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 4 mei 2011.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 31 mei 2011 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 september 2011, waar eiser in persoon is verschenen en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Het verzoek van 31 oktober 2010 hield verband met een procedure tot vaststelling van een bestemmingsplan. In het kader hiervan is een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd van 17 oktober 2010 tot en met 27 november 2010. Hierop konden belanghebbenden hun zienswijzen geven. Verweerder voert het beleid om ingebrachte zienswijzen geanonimiseerd ter inzage te leggen en om deze eveneens geanonimiseerd via de gemeentelijke website toegankelijk te maken. In zijn verzoek, ontvangen op 2 november 2010, gedateerd 31 oktober 2010, heeft eiser verweerder verzocht de zienswijzen (in het vervolg) niet-geanonimiseerd bekend te maken.

2.2 Verweerder stelt zich op het volgende standpunt. Hij is van mening dat eisers verzoek een verzoek is in het kader van artikel 8 Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Voorts is de brief van 8 december 2010 geen besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit verband wijst verweerder op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 15 december 2010 (LJN: B07333). Het bezwaar is volgens verweerder dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat wel sprake is van een besluit, dan stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser daarbij geen rechtstreeks belanghebbende is. Daarnaast stelt verweerder dat een beslissing om zienswijzen geanonimiseerd ter inzage te leggen, moet worden aangemerkt als een voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 6:3 Awb. Hiertegen staat geen bezwaar of beroep open. Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat sprake is van een verzoek gebaseerd op artikel 3 Wob, dan is verweerder van mening dat weigering hiervan wel een besluit is. In dat geval ligt echter ongegrondverklaring van het bezwaar voor de hand.

2.3 Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Volgens eiser is zijn verzoek van 31 oktober 2010 zowel gebaseerd op artikel 3 Wob als op artikel 8 Wob. In dit verband wijst eiser op jurisprudentie van de Afdeling. Ten onrechte wijst verweerder op artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), aldus eiser. Bovendien acht hij de Verordening commissie bezwaarschriften onverbindend. Indien dit niet geldt, is eiser van mening dat deze commissie te laat is ingeschakeld. Omdat de beslistermijn voor het beslissen op eisers bezwaar ruimschoots is overschreden, heeft verweerder zijns inziens dwangsommen verbeurd tot een bedrag van € 1100,-- over de periode 4 april 2011 t/m 11 mei 2011.

2.4 Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat het gaat om zienswijzen van burgers die willens en wetens deelnemen aan het publieke debat. Om die reden dienen hun namen bekend te zijn aan andere zienswijzegevers. Eiser heeft belang bij openbaarmaking van de namen, omdat hij een zienswijze heeft ingediend en met de andere zienswijzegevers in gesprek wil. Toepassing van artikel 6:3 Awb is volgens eiser onjuist, omdat dit de Wob inhoudsloos zou maken. Vrijwel elk document waarvan publicatie wordt verzocht dient immers ter voorbereiding van besluitvorming, aldus eiser.

2.5 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.6 Op 8 december 2010 heeft verweerder schriftelijk geantwoord op eisers verzoek van 31 oktober 2010. Dit antwoord luidt onder meer als volgt:

‘Uw verzoek is niet gericht op openbaarmaking van documenten, maar op de wijze waarop wij uitvoering geven aan de actieve openbaarmaking van stukken op grond van artikel 3:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat is rechtens niet afdwingbaar. De ingediende zienswijzen worden vóór publicatie geanonimiseerd, omdat niet-geanonimiseerde publicatie in strijd is met artikel 8 Wet bescherming persoonsgegevens’.

2.7 Artikel 3:11 Awb luidt, voor zover hier van toepassing, als volgt:

‘1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. (…..) ’

Artikel 10 van de Wob bevat uitzonderingsgronden op basis waarvan het verstrekken van informatie ingevolge die wet achterwege blijft.

2.8 Eisers verzoek van 31 oktober 2010 heeft betrekking op zienswijzen die zijn of worden ingediend in het kader van het ontwerpbestemmingsplan ‘Centrum en omgeving’ in de periode 17 oktober 2010 tot en met 27 november 2010. Gelet op verweerders antwoord van 8 december 2010, heeft verweerder kennelijk mede op grond van artikel 3:11, tweede lid, Awb jo. artikel 10 Wob besloten de ingediende zienswijzen te anonimiseren.

2.9 Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling – zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2006, LJN: AX6362 en van 15 december 2010, LJN: BO7333 – biedt artikel 8, eerste lid, Wob, in zoverre het gaat om het openbaar maken van informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, waarbij belangen als vermeld in artikel 10 Wob zijn betrokken, de grondslag voor het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 1:3 Awb, waartegen voor degene die door dat besluit rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen, dezelfde rechtsgang openstaat als die welke beschikbaar is voor degene die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen door een besluit tot openbaarmaking van documenten dat is genomen op een verzoek op grond van artikel 3 Wob.

2.10 Naar het oordeel van de rechtbank bevat de schriftelijke reactie van verweerder van 8 december 2010 een besluit waarin verweerder meedeelt op welke wijze in dit geval toepassing wordt gegeven aan artikel 8 Wob in samenhang met artikel 3:11 Awb en het daarin genoemde artikel 10 Wob. Aldus biedt naar het oordeel van de rechtbank ook in dit geval artikel 8 van de Wob de grondslag voor het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb, te weten het besluit van 8 december 2010, waartegen voor degene die door dat besluit rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen, dezelfde rechtsgang openstaat als die welke beschikbaar is voor degene die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen door een besluit tot openbaarmaking van documenten dat is genomen op een verzoek op grond van artikel 3 Wob.

Ter zitting heeft eiser in afdoende mate toegelicht dat hij door het besluit van 8 december 2010 rechtstreeks in zijn belangen is getroffen.

2.11 Derhalve is eisers beroep van 2 december 2010, dat door de rechtbank ter behandeling als bezwaar naar verweerder is gestuurd, gericht tegen een besluit waardoor eiser in zijn belang is getroffen. Het doorgestuurde bezwaar is in het bestreden besluit van 10 mei 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en dient te worden vernietigd omdat het is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 1:3 Awb. Eisers beroep is dan ook gegrond.

2.12 Verweerder zal opnieuw een besluit dienen te nemen op het bezwaar van eiser van 2 december 2010, voor zover gelet op het tijdsverloop daarbij nog belang bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:51a Awb.

2.13 Eiser heeft voorts aangevoerd dat de Verordening commissie bezwaarschriften onverbindend is. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals verweerder op inzichtelijke wijze heeft toegelicht, heeft eiser enerzijds de versie van de verordening aangehaald die gepland was om te worden vastgesteld in de raadsvergadering van 29 april 2010 en anderzijds de versie van de verordening zoals die in een latere vergadering daadwerkelijk is vastgesteld. Vaststaat dat bedoelde verordening is vastgesteld, zodat van onverbindendheid geen sprake is. Dat op de site van de gemeente een verordening is geplaatst met vermelding van een onjuiste vaststellingsdatum maakt de nadien vastgestelde en op de site geplaatste verordening niet onverbindend.

2.14 Daarnaast heeft eiser zich erop beroepen dat verweerder dwangsommen heeft verbeurd, omdat hij te laat heeft beslist op eisers verzoek van 31 oktober 2010. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser verweerder op 2 december 2010 in gebreke heeft gesteld. Zoals hiervoor is overwogen, is in dit geval sprake van een besluit dat is genomen in het kader van de toepassing door verweerder van artikel 8 Wob. Nu geen sprake is van een verzoek op grond van artikel 3 Wob, is de in artikel 6, eerste lid, Wob neergelegde wettelijke beslistermijn van vier weken niet van toepassing. Op het verzoek van eiser van 31 oktober 2010 is hoogstens de redelijke termijn van acht weken zoals bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, Awb van toepassing. Toen eiser verweerder op 2 december 2010 in gebreke stelde, was deze redelijke termijn nog niet verstreken, zodat eisers ingebrekestelling prematuur is. Van het verbeuren door verweerder van dwangsommen kan dan ook geen sprake zijn.

2.15 Nu het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder gelasten het door eiser betaalde griffierecht van € 152,-- aan hem te vergoeden.

2.16 Eiser heeft de rechtbank ter zitting verzocht verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte parkeerkosten. De rechtbank verwijst in dit verband naar het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel 1 van dit besluit vermeldt de kosten waarop een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb uitsluitend betrekking kan hebben. Onder c worden in dit artikel de reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende vermeld. In artikel 2, eerste lid en onder c wordt, voor de hoogte van de reis- en verblijfkosten verwezen naar artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Hierin is bepaald dat reiskosten per openbaar vervoer, laagste klasse, voor vergoeding in aanmerking komen, dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer, indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. In vergoeding van parkeerkosten is in dit besluit niet voorzien. Overigens komen autokosten niet voor vergoeding in aanmerking nu er tussen [woonplaats] (eisers woonplaats) en Haarlem in voldoende mate openbaar vervoer beschikbaar is.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 10 mei 2011;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

3.4 gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,-- aan hem vergoedt;

3.5 wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse Van Mantgem, rechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature