Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Disproportioneel gebiedsverbod is onrechtmatig jegens geadresseerde. Onvoldoende causaal verband tussen gebiedsverbod gevorderde materiële en immateriële schade.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 229485 / HA ZA 11-725

Vonnis van 2 november 2011

in de zaak van

[eiser],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

eiser,

advocaat mr. A.P. van Knippenbergh te Best

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EINDHOVEN,

zetelend te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. H. Nieuwenhuizen te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 juni 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 20 september 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is in hoger beroep door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar voor ontucht met minderjarigen. [eiser] is hiertegen in cassatie gegaan. Op het moment dat [eiser] uit detentie kwam, op 20 september 2009, was het arrest van het gerechtshof nog niet onherroepelijk geworden zodat het aan het voorwaardelijk deel van de straf verbonden verplicht reclasseringstoezicht nog geen aanvang nam.

2.2. Gedurende de detentie van [eiser] is diens huurwoning te Eindhoven ontruimd wegens huurachterstand.

2.3. Gedurende de laatste maanden voor het einde van de detentie van [eiser] heeft er tussen partijen overleg plaatsgevonden via Reclassering Nederland over de voorwaarden waaronder de gemeente bereid was zich er voor in te spannen dat [eiser] na zijn vrijlating over een woning in Eindhoven zou kunnen beschikken. Dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid.

2.4. Bij besluit van 17 september 2009 heeft de burgemeester van de gemeente Eindhoven een bevel op grond van artikel 172 derde lid van de gemeentewet gegeven, inhoudende dat [eiser] zich met ingang van 20 september 2009 verwijderd houdt van het grondgebied van de gemeente Eindhoven zolang met [eiser] onder justitiële titel geen concrete resocialisatie- of zorgafspraken zijn gemaakt, verder het gebiedsverbod (productie 1 [eiser]).

2.5. [eiser] heeft tegen het gebiedsverbod een bezwaarschrift ingediend en een voorlopige voorziening verzocht. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 27 oktober 2009 het gebiedsverbod geschorst tot en met 6 weken nadat op het bezwaar is beslist (productie 6 [eiser]). Het bezwaar van [eiser] is bij besluit van 13 april 2010 door de burgemeester van de gemeente Eindhoven ongegrond verklaard (productie 7 [eiser]).

2.6. Op verzoek van [eiser] is het gebiedsverbod bij beslissing van deze rechtbank van 28 april 2010 geschorst totdat op het beroep van [eiser] zou zijn beslist (productie 8 (eiser]).

2.7. Het door [eiser] ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar is door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch bij uitspraak van 5 augustus 2010 gegrond verklaard (productie 9 [eiser]). De rechtbank heeft tevens bepaald dat de uitspraak in plaats van de vernietigde beslissing op bezwaar treedt en het gebiedsverbod herroepen. Het hiertegen door de gemeente ingestelde hoger beroep is ingetrokken.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat –

in de hoofdzaak

1. een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld

2. veroordeling van de gemeente tot betaling van € 20.000,00 materiële schadevergoeding en € 200.000,00 immateriële schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten

en in het incident

veroordeling van de gemeente tot betaling van € 10.000,00 als voorschot op de materiële schadevergoeding vermeerderd met rente en kosten.

3.2. De gemeente voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

4.1 [eiser] stelt dat met de vernietiging van het gebiedsverbod door de bestuursrechter is gegeven dat het gebiedsverbod jegens hem onrechtmatig was. De gemeente betwist dat het gebiedsverbod onrechtmatig was. De gemeente voert daartoe aan dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was een dergelijk gebiedsverbod te geven, en dat het gebiedsverbod slechts vernietigd is omdat dat het gebiedsverbod voor de gehele gemeente Eindhoven en voor onbepaalde tijd was gegeven en daarmee disproportioneel was.

4.2. De rechtbank oordeelt als volgt. De gemeente heeft door het gebiedsverbod een inbreuk gemaakt op het recht van [eiser] zich vrij te bewegen. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 5 augustus 2010 geoordeeld dat deze inbreuk disproportioneel was zowel in tijd als in ruimte. De inbreuk op het recht van [eiser] is derhalve verdergaand geweest dan waartoe de gemeente bevoegd was. De bestuursrechter heeft dan ook geoordeeld dat het gebiedsverbod in strijd met het proportionaliteitsbeginsel is gegeven. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld staat derhalve tussen partijen vast dat de gemeente een verdergaande inbreuk heeft gemaakt op het recht van [eiser] om zich vrij te bewegen dan waartoe de gemeente op grond van artikel 172 derde lid van de gemeentewet bevoegd was. Door (te vergaand) inbreuk te maken op dit recht van [eiser] heeft de gemeente jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. De norm die is geschonden strekt ter bescherming van burgers tegen inbreuken op hun rechten door een overschrijding van bevoegdheden door een overheid en dus ter bescherming van het recht op bewegingsvrijheid van [eiser] tegen een aan hem opgelegd te vergaand gebiedsverbod.

4.3. Daarmee staat vast dat de gemeente jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, zodat de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

De materiële schade

[eiser] stelt dat hij als gevolg van het gebiedsverbod schade heeft geleden bestaande uit extra kosten die hij heeft moeten maken voor onderkomen, advocaatkosten, reiskosten etc..[eiser] onderbouwt deze schade door te stellen dat hij deze kosten niet zou hebben gehad als hij zich in Eindhoven had kunnen vestigen. De rechtbank stelt voorop dat [eiser] ter onderbouwing van zijn schade een overzicht van door hem gemaakte kosten heeft overgelegd dat sluit op € 16.750,00 (productie 12 [eiser]). Het meer gevorderde is op geen enkele wijze onderbouwd, zodat dat deel van de vordering alleen al om die reden wordt afgewezen. Voor het overige geldt het volgende.

4.5. De gemeente betwist het causaal verband tussen het gegeven gebiedsverbod en de door [eiser] gestelde schade. De gemeente betwist het causaal verband allereerst omdat volgens haar [eiser] niet in Eindhoven wilde gaan wonen – zo als hij meerdere malen heeft uitgesproken- , zodat hij niet is getroffen door het verbod zich daar te vestigen. [eiser] erkent dat hij zich op enig moment niet meer in Eindhoven wilde vestigen, maar dat dit nog wel het geval was voor en op 20 september 2009. Hier is pas verandering in gekomen naar aanleiding van de enorme publiciteit rond zijn persoon. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [eiser], onvoldoende heeft onderbouwd dat op het moment dat het gebiedsverbod werd gegeven [eiser] niet in Eindhoven wilde wonen. De uitlatingen van [eiser] waar de gemeente naar verwijst dateren allemaal van later datum. Daarnaast heeft de gemeente geen verklaring kunnen geven voor het doel van de onderhandelingen over de voorwaarden waaronder [eiser] zich in Eindhoven had kunnen vestigen als [eiser] dat toen al niet had gewild.

4.6. De rechtbank is echter met de gemeente van oordeel dat een belangrijk deel van de door [eiser] gestelde materiële schade niet het gevolg is van het door de gemeente gegeven gebiedsverbod, maar van het feit dat hij niet over een (sociale huur-)woning in Eindhoven heeft kunnen beschikken. Tussen partijen staat vast dat [eiser] bij zijn vrijlating op 20 september 2009 niet over een woning in Eindhoven beschikte. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] over een woning in Eindhoven had kunnen beschikken zonder medewerking van de gemeente. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de gemeente op grond van een tussen de gemeenten en justitie gesloten convenant gehouden was een woning voor hem te regelen. De rechtbank begrijpt dat [eiser] doelt op het samenwerkingsmodel nazorg volwassen (ex-)gedetineerde burgers gemeenten-justitie. Nog daargelaten dat uit dit samenwerkingsmodel geen rechtstreekse verplichtingen van gemeenten jegens burgers ontstaan, heeft [eiser] niet aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de gemeente in een verplichting voortvloeiend uit dit samenwerkingsmodel jegens hem tekort is geschoten.

4.7. De gevorderde extra kosten voor huisvesting zijn berekend door de daadwerkelijk door [eiser] gemaakte kosten af te zetten tegen de kosten die [eiser] had gehad als hij over een sociale huurwoning in Eindhoven had kunnen beschikken. Zoals hiervoor overwogen is dit een onjuist uitgangspunt, zodat deze post zal worden afgewezen.

4.8. Ditzelfde geldt voor de post telefoon die is berekend door de gebruikelijke telefoonkosten van [eiser] vóór zijn detentie, toen hij nog over een vaste telefoonaansluiting beschikte, af te zetten tegen de kosten die hij nu heeft gehad met gebruikmaking van een mobiele telefoon. [eiser] had pas weer over een vaste telefoonaansluiting kunnen beschikken op het moment dat hij weer een eigen woning had, en dat dit niet het geval was, is niet aan de gemeente te wijten.

4.9. Ook de posten auto, postbus en citybox opslag inboedel worden afgewezen omdat [eiser] stelt dat deze kosten zijn gemaakt omdat hij niet over een woning in Eindhoven heeft kunnen beschikken.

4.10. De gevorderde eigen bijdrage advocaat wordt afgewezen omdat deze niet is onderbouwd en omdat in de bestuursrechtelijke procedures waarin rechtskundige bijstand is verleend al een beslissing over de proceskosten is gegeven. De gemeente heeft zich uitdrukkelijk verzet tegen het verzoek van [eiser] om alsnog stukken in het geding te mogen brengen waaruit blijkt dat een deel van de kosten is gemaakt in adviesdossiers. [eiser] heeft geen reden gegeven waarom hij deze stukken niet eerder in het geding heeft kunnen brengen zodat hij hiertoe niet meer in de gelegenheid wordt gesteld.

4.11. De post Menzis bestaat volgens de toelichting van [eiser] uit boetes die hij heeft moeten betalen omdat hij vanwege financiële problemen zijn zorgpremie niet tijdig heeft kunnen voldoen, terwijl deze financiële problemen een gevolg zijn van het gebiedsverbod van de gemeente. Deze post wordt afgewezen omdat deze in een te ver verwijderd verband staat met het door de gemeente gegeven gebiedsverbod.

De immateriële schade

[eiser] vordert immateriële schadevergoeding stellende dat hij emotioneel geschaad is door alle publiciteit rondom zijn persoon welke een direct gevolg zou zijn van het gebiedsverbod.

4.13. De gemeente betwist dat er sprake is van schade als bedoeld in artikel 6:106 BW en tevens dat er sprake is (geweest) van een golf van publiciteit. Daarnaast betwist de gemeente dat als komt vast te staan dat deze er wel is geweest, dit niet is veroorzaakt door het gebiedsverbod, maar door het eigen handelen van [eiser], te weten het plegen van de delicten waarvoor hij is veroordeeld.

4.14. De rechtbank is van oordeel dat door de gemeente onvoldoende gemotiveerd is betwist dat er sprake is geweest van een golf aan publiciteit. De gemeente heeft immers zelf gesteld dat – nadat een eerste bericht was verschenen in De Volkskrant - zij zich door de enorme media-aandacht genoodzaakt zag een persconferentie te beleggen op 6 oktober 2009. Daarnaast heeft [eiser] een uitdraai van een Google zoekopdracht overgelegd waaruit blijkt dat in maart 2011 een zoekopdracht op zijn naam 20.000 hits oplevert. De echtheid hiervan is door de gemeente niet weersproken. Daarmee staat tussen partijen vast dat er vanaf 6 oktober 2009 sprake is geweest van veel publiciteit rondom de persoon van [eiser].

4.15. De gemeente heeft terecht niet weersproken dat een dergelijke grootscheepse en aanhoudende media-aandacht een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 eerste lid sub b BW oplevert. Voor zover de gemeente bedoeld heeft dit wel te betwisten, is dat verweer onvoldoende onderbouwd.

4.16. De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake is van een conditio sine qua non verband tussen het gebiedsverbod en de aantasting in de persoon van [eiser] (dat het een zonder het ander niet zou hebben bestaan). De gemeente heeft immers niet betwist dat het gebiedsverbod uniek was in die zin dat niet eerder door een gemeente een dergelijk gebiedsverbod in een vergelijkbare situatie was gegeven en evenmin dat (de juridische strijd na) het gebiedsverbod (mede) daarom zoveel aandacht in de media heeft gekregen. Als het gebiedsverbod niet was gegeven, zou [eiser] derhalve niet aan in deze mate media-aandacht zijn blootgesteld. Het bestaan van een conditio sine qua non verband tussen een onrechtmatige gedraging en schade is echter onvoldoende voor het vestigen van aansprakelijkheid. Daartoe is vereist, dat er een zodanig causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging en de schade, dat die schade aan de onrechtmatige gedraging kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat de door [eiser] gevorderde schade daarvoor in een te ver verwijderd verband staat van het gebiedsverbod. Aantasting van de persoon door media-aandacht is immers geen objectief voorzienbaar gevolg van een (te vergaande) inperking van de bewegingsvrijheid. Er is dus onvoldoende causaal verband tussen het gebiedsverbod en de door [eiser] gestelde immateriële schade, om die schade aan de gemeente toe te rekenen.

4.17. De rechtbank is daarnaast met de gemeente van oordeel dat de door de gemeente geschonden norm, te weten dat niet verder wordt ingegrepen in het recht op bewegingsvrijheid van [eiser] dan noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde, niet strekt tot bescherming tegen schade als gevolg van overmatige publiciteit, zodat ook om die reden de gemeente niet gehouden is de door [eiser] gestelde schade te vergoeden.

4.18. Gelet op de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak wordt ook de incidentele vordering afgewezen.

4.19. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de gemeente jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,

5.2. wijst de overige vorderingen in de hoofdzaak en in het incident af,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature