Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Uit de rechtspraak onder artikel 253t, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat een verzoek tot wijziging van een geslachtsnaam wordt afgewezen, onder meer indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet. De beoordeling berust op een afweging van omstandigheden, bij welke afweging aan het belang van het kind groot gewicht moet worden toegekend. Daarbij wordt onder meer in aanmerking genomen dat de geslachtsnaam terugvoert op de afstamming en daarmee op de identiteit van de minderjarige. Inwilliging van het verzoek tot geslachtsnaamwijziging kan een verandering van de beleving van die identiteit met zich meebrengen. Bij een goede verstandhouding tussen de minderjarige en de vader is van belang dat de minderjarige zich via zijn geslachtsnaam met zijn vader kan (blijven) identificeren. De emotionele waarde die de afstammingsband tussen de vader en de minderjarige voor laatstgenoemde heeft wordt daarbij onder meer van belang geacht. Verder dient inzichtelijk te zijn of de minderjarige zich de consequenties van de naamswijziging volledig realiseert. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op grond van de door hem betrokken feiten en omstandigheden vooralsnog niet tot de conclusie kon komen dat het belang van de minderjarige zich niet tegen de inwilliging van het verzoek verzet. Verweerder heeft er geen blijk van gegeven de aangehaalde belangen in aanmerking te hebben genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daartoe niet alle relevante feiten in kaart gebracht. Verweerder heeft niet kunnen volstaan met een weging van de feiten zoals door de andere partijen gesteld, en waarover tussen die partijen ook niet op alle punten overeenstemming bestaat. Verweerder kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het Besluit de belangen van het kind aldus in voldoende mate behartigt. Evenmin kan verweerder worden gevolgd in zijn stelling dat in een geval als dit het aan de weigerende ouder is om aannemelijk te maken dat de geslachtsnaamswijziging niet in het belang van het kind is. Het beroep is gegrond.

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 09/1944 BESLU

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

tegen

de minister van Justitie, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [naam ex-partner].

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft verweerder besloten om het verzoek van [naam ex-partner] (hierna: [naam ex-partner]) tot wijziging van de geslachtsnaam van haar dochter [naam dochter] in [naam ex-partner], voor inwilliging in aanmerking te doen komen. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 30 juni 2009 ongegrond verklaard. Eiser heeft bij brief van 4 augustus 2009 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 18 februari 2010, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door [naam]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. S.L. de Koning. Voorts is [naam ex-partner] met bericht niet verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek op 17 mei 2010 heropend teneinde nadere inlichtingen in te winnen bij ver-weerder.

Onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald, nadat partijen daarvoor toestemming hadden gegeven, dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Motivering

1.1 De rechtbank heeft afgezien van het horen van de door eiser meegebrachte getuige [naam]. Het geschil kan genoegzaam worden beoordeeld op basis van de tot het dossier behorende stukken, zodat het horen van voornoemde redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Ter zitting heeft eiser verklaard hiermee te kunnen instemmen.

Eiser heeft verzocht ter zitting een filmopname te tonen waaruit naar zijn verklaring blijkt dat zijn band met [naam dochter] goed is. Mede omdat dit tussen partijen niet in geschil is, kan het tonen van de opname evenmin aan de beoordeling van de zaak bijdragen. Het verzoek is dus afgewezen.

1.2 [naam ex-partner] is door de rechtbank niet tijdig als partij aangemerkt. [naam ex-partner] is alsnog in de gelegenheid gesteld om aan het geding deel te nemen. De brief van [naam ex-partner] van

17 februari 2010 is na heropening van het onderzoek alsnog bij de beoordeling betrokken. De andere partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

2. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of verweerder het besluit om de gevraagde geslachtsnaamwijziging voor inwilliging in aanmerking te doen komen, bij besluit van 30 juni 2009 (hierna: het bestreden besluit) terecht heeft gehandhaafd.

3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamwijziging kan worden verleend, de wijze en indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit geslachtsnaamwijziging (hierna: het Besluit) wordt, voor zover van belang, op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit, is ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit, wordt het verzoek afgewezen, indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamwijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren, tenzij:

1° de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht, waarbij onder misdrijf wordt begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf;

2° de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, van het gezag over het kind is ontzet; of

3° verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd.

4. Eiser en [naam ex-partner] hebben een relatie gehad en van november 1998 tot januari 2000 samengewoond. Uit deze relatie is op 24 februari 1999 [naam dochter] geboren. [naam ex-partner] is belast met het ouderlijk gezag over [naam dochter]. Sinds de beëindiging van de relatie in januari 2000 tussen eiser en [naam ex-partner] heeft [naam dochter] bij [naam ex-partner] gewoond en heeft eiser omgang met [naam dochter] gedurende een weekend per 14 dagen en de helft van de vakanties.

5. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Indien tussen ouders bij verzoeken om naamswijziging voor minderjarigen, welke de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt, geen overeenstemming bestaat over het verzoek, wordt het verzoek afgewezen. Indien echter door de verzoeker wordt voldaan aan één van de uitzonderingen genoemd in het Besluit, kan het verzoek alsnog worden ingewilligd. Volgens verweerder doet de uitzondering genoemd in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, onder 3°, van het Besluit zich voor, omdat [naam dochter] gedurende tenminste vijf jaren, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, door [naam ex-partner] alleen is opgevoed en verzorgd en eiser van de periode daaraan voorafgaand niet meer dan een vierde deel met [naam dochter] in gezinsverband heeft samengeleefd.

6. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de relatie met [naam ex-partner] op 27 januari 2000 is beëindigd en niet reeds op 1 januari 2000. Eiser heeft een goed familieleven met zijn dochter ondanks het feit dat de omgang door de moeder wordt belemmerd. De naamswijziging zal niets veranderen aan de gezinssituatie van de moeder en is een poging om [naam dochter] naar haar toe te trekken, aldus eiser. Eiser steunt [naam dochter], haar zusje en [naam ex-partner] in alles, ook financieel. Eiser stelt dat gewacht moet worden totdat [naam dochter] twaalf jaar is, zodat zij haar eigen mening hierover mag geven en ziet de urgentie niet. Eiser vraagt de rechtbank om de beslissing uit te stellen tot [naam dochter] de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat na het verbreken van de relatie tussen eiser en [naam ex-partner], onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek tot geslachtsnaamwijziging, [naam dochter] gedurende een aaneengesloten periode van tenminste vijf jaren door [naam ex-partner] is verzorgd en opgevoed. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of eiser wel of niet meer dan een vierde deel van de periode voorafgaande aan deze verzorgingstermijn in gezinsverband met [naam dochter] heeft samengeleefd.

8.1 Bij uitspraak van 31 oktober 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN BB6810, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) overwogen dat de verzorgingstermijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met het tweede lid, van het Besluit, geen vaste termijn van vijf jaren is, maar dat sprake is van een termijn van tenminste vijf jaren. Dit betekent dat het tijdstip van de aanvang van deze termijn niet alleen vast ligt, maar ook dat de duur van de periode voorafgaand aan deze termijn, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, onder 3°, van het Besluit, niet verandert door het verloop van tijd. Verder heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat het einde van de genoemde verzorgingstermijn uitdrukkelijk is gekoppeld aan de datum van het verzoek en niet aan de beslissing op bezwaar.

8.2 Zoals in de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling is overwogen, moet worden bekeken of tussen het moment van aanvang van de verzorgingstermijn en de datum van het verzoek tenminste vijf jaar is verstreken. Daarbij wordt het einde van die termijn bepaald door de datum van het verzoek tot geslachtsnaamwijziging. De aanvang van de verzorgingstermijn ligt vast en is dus het moment dat de verzorging en opvoeding door de ouder wiens naam het kind niet heeft, na de verbreking van het huwelijk of de samenleving, feitelijk is begonnen. Verweerder mocht zich naar het oordeel van de rechtbank baseren op de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie waaruit blijkt dat eiser en [naam ex-partner] tot 1 januari 2000 hebben samengewoond en dat [naam ex-partner] vanaf die datum [naam dochter] heeft verzorgd en opgevoed. De verzorgingstermijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met het tweede lid, van het Besluit, is dus aangevangen op

1 januari 2000. De door eiser in het geding gebrachte briefje van [naam ex-partner] van

27 januari 2000 kan derhalve niet tot een ander oordeel leiden. Het verzoek tot geslachtsnaamwijziging dateert van 6 mei 2008, zodat is voldaan aan de verzorgingstermijn van tenminste vijf jaar.

8.3 De periode voorafgaande aan deze verzorgingstermijn is dus de periode vanaf de geboorte van [naam dochter] op 24 februari 1999 tot 6 mei 2003 en bedraagt 1532 dagen. Een vierde deel daarvan is 383 dagen. De periode dat eiser en [naam dochter] daarvan met elkaar in gezinsverband hebben samengewoond loopt van 24 februari 1999 tot 1 januari 2000 en bedraagt in totaal 311 dagen. De stelling van eiser dat de samenwoning eerst op

27 januari 2000 is verbroken kan, wat hier ook van zij, niet tot een ander oordeel leiden, nu hiermee een aantal van 342 dagen en derhalve niet het vereiste aantal van 383 dagen wordt gehaald. De periode waarin eiser samen met [naam ex-partner] [naam dochter] heeft verzorgd en opgevoed, is derhalve minder dan een vierde deel van de periode voorafgaande aan de verzorgingstermijn.

8.4 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de dagen die eiser op basis van de omgangsregeling met zijn dochter doorbrengt meegerekend moeten worden. Ingevolge de jurisprudentie wordt onder "gezinsverband" in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit verstaan de situatie waarin de moeder en de vader feitelijk met het kind in gezinsverband samenleven. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de rechtbank Dordrecht van 25 november 2005, LJN AV3932 en de Afdeling van

17 januari 2007, LJN AZ6371. De dagen die eiser op basis van de omgangsregeling met zijn dochter doorbrengt kunnen dus niet worden meegerekend.

8.5 Uit het vorenstaande volgt dat wordt voldaan aan de derde uitzonderingsgrond, zoals genoemd in artikel 3, vierde lid, sub d, van het Besluit.

9. Vervolgens ligt de vraag ter beoordeling voor of het belang van [naam dochter] zich tegen de inwilliging van het verzoek verzet. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij het verantwoord acht om het familie- en gezinsleven van de moeder en [naam dochter] te laten prevaleren boven de bezwaren die de vader tegen de naamswijziging heeft en geconcludeerd dat hij geen aanwijzingen heeft dat de gevraagde naamswijziging niet in het belang van [naam dochter] zou zijn. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de moeder en [naam dochter] op het moment van het verzoek bijna negen jaren een gezin met elkaar vormen, bij moeder de wens bestaat tot de naamswijziging, [naam dochter] de gewenste naam reeds voert in het dagelijks leven en [naam dochter] is voorgelicht over haar afkomst. Desgevraagd heeft verweerder in zijn brief van 17 juni 2010 ter toelichting gesteld dat de wetgever er van uitgaat dat indien wordt voldaan aan artikel 3, vierde lid, sub d, onder 3°, van het Besluit de geslachtsnaamswijziging in het belang van het kind wordt geacht en het Besluit de belangen van het kind aldus in voldoende mate behartigt. In een geval als dit is het vervolgens aan de weigerende ouder om aannemelijk te maken dat de geslachtsnaamswijziging niet in het belang van het kind is.

10.1 Blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit, het Besluit van 6 oktober 1997, Staatsblad 1997, nr. 463 (zoals gewijzigd op 21 februari 2004, Staatsblad 2004, nr. 100 en op 25 mei 2004, Staatsblad 2004, nr. 239) worden bij de beoordeling van het belang van het kind - naast de bestendigheid van de gezinssituatie van het kind - de volgende punten gewogen:

1. Is het kind voorgelicht omtrent zijn afkomst?

2. Eenheid van naam in het gezin.

3. Voert het kind de gevraagde naam in de praktijk reeds en hoe lang al?

4. Relevant zijn de beoordeling van de rol van de ouders in het leven van het kind en de contacten tussen kind en beide ouders, bezien bij de afweging van de belangen van het kind tegen de bezwaren tegen geslachtsnaamswijziging.

5. Wordt de bestaande gezinssituatie die door de naamswijziging wordt bevestigd door het kind geaccepteerd en welke effecten heeft de naamswijziging op die gezinssituatie.

10.2 In de Nota van Toelichting bij het Besluit van 21 februari 2004, Staatsblad 2004, nr. 100, is onder meer het volgende gesteld: “Met name indien het gaat om kinderen jonger dan twaalf jaar is het nodig terughoudend met geslachtsnaamwijziging om te gaan opdat wordt voorkomen dat hun naam – waaraan zij een deel van hun identiteit ontlenen- gewijzigd wordt zonder dat daar goede redenen aan ten grondslag liggen. In lijn met de rechtspraak onder artikel 253t, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft ook de Raad voor de kinderbescherming aangegeven dat hij het – voor wat betreft naamswijziging bij jonge kinderen – wenselijk vindt dat grote terughoudendheid wordt betracht. Dat met geslachtsnaamswijziging van minderjarigen terughoudend moet worden omgegaan, kwam reeds tot uitdrukking in de vereiste verzorgingstermijnen van vijf, respectievelijk drie jaar. Teneinde nog meer te waarborgen dat de geslachtsnaamswijziging niet in strijd is met het belang van de minderjarige, bevat het besluit een aantal wijzigingen. Het nieuwe beleid houdt in dat bij minderjarigen jonger dan twaalf jaar de mogelijkheden tot wijziging van de geslachtsnaam zijn beperkt. De geslachtsnaamswijziging wordt toegewezen wanneer beide ouders daarmee instemmen. Weigert een van de ouders evenwel in te stemmen met de verzochte naamswijziging dan kan de naamswijziging op een beperkt aantal gronden toch worden toegestaan.

10.3 In de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2006, LJN AY5895, is het volgende overwogen: “In artikel 1:7, eerste lid, van het BW is een discretionaire bevoegdheid neergelegd tot wijziging van de geslachtsnaam van een persoon. Ingevolge de delegatiebepaling in het vijfde lid van dit artikel worden in het Besluit regels gegeven betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend. Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit behelst ten opzichte van het eerste en tweede lid een afzonderlijke regeling voor de situatie dat een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van een minderjarige jonger dan twaalf jaar. Deze strekking van het artikellid wordt gemotiveerd in de Nota van Toelichting op de wijziging van die bepaling bij Besluit van 21 februari 2004 (Staatsblad 2004, 100). Blijkens deze Nota van Toelichting ligt aan die wijziging ten grondslag het uitgangspunt dat de geslachtsnaam slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan worden gewijzigd, met name indien het gaat om kinderen jonger dan twaalf jaar. Aan het belang van de minderjarige komt groot gewicht toe. Blijkens de Toelichting voorziet het Besluit (..) er met het oog op dit restrictieve beleid in dat het verzoek in ieder geval toewijsbaar is wanneer beide ouders instemmen met de geslachtsnaamswijziging. In dat geval mag worden aangenomen dat de verzochte naamswijziging in het belang van het kind is. Weigert een van de ouders in te stemmen met de verzochte naamswijziging, dan wordt het verzoek in beginsel afgewezen. Onder 1° tot en met 3° worden in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit drie gevallen omschreven waarin deze imperatieve weigeringsgrond niet geldt. Ten aanzien van de vraag of de Minister, wanneer een dergelijk geval zich voordoet, gehouden dan wel bevoegd is het verzoek om geslachtsnaamswijziging in te willigen, verwijst de Afdeling allereerst naar het discretionaire karakter van de in artikel 1:7, eerste lid, van het BW neergelegde bevoegdheid tot bewilliging in geslachtsnaamswijziging, bevestigd in de delegatiebepaling in het vijfde lid van dat artikel. Voorts neemt zij in aanmerking het zelfstandige karakter van de in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit neergelegde regeling voor de situatie dat omtrent de geslachtsnaamswijziging van kinderen jonger dan twaalf jaar tussen de ouders onenigheid bestaat ten opzichte van hetgeen elders in artikel 3 is bepaald. Op grond hiervan is de Afdeling van oordeel dat de uitzonderingen in het vierde lid, onder d, van artikel 3 van het Besluit zijn geformuleerd als uitzonderingen op de in artikel 3, vierde lid, van het Besluit als regel vooropgestelde verplichting het verzoek af te wijzen en dat, wanneer een van die uitzonderingen zich voordoet, de Minister op grond van artikel 1:7, eerste lid, van het BW bevoegd en niet op grond van artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van het Besluit gehouden is het verzoek om geslachtsnaamswijziging in te willigen.

Zoals hiervoor is overwogen doet zich in dit geval de uitzondering onder 3° voor. Dit betekent weliswaar dat het verzoek om geslachtsnaamswijziging niet op deze grond moet worden afgewezen, maar houdt geenszins in dat het verzoek moet worden ingewilligd. Het feit dat appellant en zijn zoon een kortere periode dan de in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, onder 3°, van het Besluit vermelde periode voorafgaande aan de termijn van vijf jaar in gezinsverband hebben samengeleefd, houdt in dat de Minister het verzoek tot naamswijziging, ondanks de weigering van appellant met de naamswijziging in te stemmen, op grond van zijn in artikel 1:7, eerste lid, van het BW neergelegde bevoegdheid kan inwilligen. Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid dient de Minister alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen in aanmerking te nemen.”

10.4 Uit de rechtspraak onder artikel 253t, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmee de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in lijn dient te blijven, volgt dat een verzoek tot wijziging van een geslachtsnaam wordt afgewezen, onder meer indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet. De beoordeling berust op een afweging van omstandigheden, bij welke afweging aan het belang van het kind groot gewicht moet worden toegekend. Daarbij wordt onder meer in aanmerking genomen dat de geslachtsnaam terugvoert op de afstamming en daarmee op de identiteit van de minderjarige. Inwilliging van het verzoek tot geslachtsnaamwijziging kan een verandering van de beleving van die identiteit met zich meebrengen. Bij een goede verstandhouding tussen de minderjarige en de vader is van belang dat de minderjarige zich via zijn geslachtsnaam met zijn vader kan (blijven) identificeren. De emotionele waarde die de afstammingsband tussen de vader en de minderjarige voor laatstgenoemde heeft wordt daarbij onder meer van belang geacht. Verder dient inzichtelijk te zijn of de minderjarige zich de consequenties van de naamswijziging volledig realiseert. De rechtbank wijst onder meer op de uitspraken van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 18 november 2009, LJN BK5621, het gerechtshof Arnhem van 7 april 2009, LJN BI3345, het gerechtshof Amsterdam van 2 februari 2010, LJN BL9005 en de rechtbank Assen van 30 juni 2010, LJN BN0193.

11.1 De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor onder 10 is overwogen van oordeel dat verweerder zich op grond van de door hem betrokken feiten en omstandigheden vooralsnog niet tot de conclusie kon komen dat het belang van [naam dochter] zich niet tegen de inwilliging van het verzoek verzet. Verweerder heeft er geen blijk van gegeven de onder 10.4 aangehaalde belangen in aanmerking te hebben genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daartoe niet alle relevante feiten in kaart gebracht. Verweerder heeft niet kunnen volstaan met een weging van de feiten zoals door de andere partijen gesteld, en waarover tussen die partijen ook niet op alle punten overeenstemming bestaat. [naam dochter] zelf is niet gehoord. Verweerder kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het Besluit de belangen van het kind aldus in voldoende mate behartigt. Evenmin kan verweerder worden gevolgd in zijn stelling dat in een geval als dit het aan de weigerende ouder is om aannemelijk te maken dat de geslachtsnaamswijziging niet in het belang van het kind is.

11.2 Het bestreden besluit komt wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Awb genoemde motiveringsbeginsel en het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel voor vernietiging in aanmerking.

12. Het beroep is gegrond.

13. Nu niet is gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen, ziet de rechtbank geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 150,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. Lemos de Benvindo, voorzitter, mr. C.E. Heyning-Huydecoper en mr. P.H. Lauryssen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.I. Wever, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2011 te Alkmaar.

griffier voorzitter

w.g. Wever w.g. Lemos de Benvindo

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature