Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende verzoekt in 2010 middels indiening van een aangifte tot toekenning van de algemene heffingskorting over het jaar 2002. Omdat een beschikking achterwege bleef, heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld. In beroep verzoekt belanghebbende tot toekenning van een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom aan de aanvrager indien niet tijdig een beschikking op aanvraag gegeven wordt. Naar het oordeel van de rechtbank vormen het gedane verzoek en de gedane aangifte geen aanvraag in de zin van artikel 4:17 van de Awb . Er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarden voor het recht op een dwangsom.

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/4997

Uitspraakdatum: 19 september 2011

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende heeft op 23 maart 2010 verzocht om toekenning van de algemene heffingskorting over het jaar 2002. In die brief wordt verwezen naar het ingediende aangiftebiljet inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2002.

De inspecteur heeft hier in eerste instantie niet schriftelijk op gereageerd. Bij brief van

27 mei 2010 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld. Omdat een beschikking achterwege bleef heeft belanghebbende met dagtekening 26 augustus 2010 beroep ingesteld en daarbij een dwangsom geëist. De betreffende brief is op 27 augustus 2010 binnengekomen bij de rechtbank Haarlem. Deze heeft de brief vervolgens op 22 november 2010 doorgezonden aan de rechtbank Breda. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

Met dagtekening 19 oktober 2010 heeft de inspecteur alsnog beslist op het door belanghebbende gedane verzoek en het verzoek afgewezen.

2.Motivering

Bevoegdheid belastingrechter.

2.1.De rechtbank, als rechter in belastingzaken, acht zich bevoegd op het beroep betreffende de toekenning van een dwangsom te beslissen, nu dit beroep samenhangt met een beslissing inzake de heffing van rijksbelastingen en dus is gebaseerd op de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Afdoening zonder zitting.

2.2.Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek onder meer sluiten indien voortzetting daarvan niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.

Ontvankelijkheid.

2.3.Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking getreden. Het beroepschrift is op 27 augustus 2010 ingekomen, zodat het recht over het niet tijdig beslissen van toepassing is, zoals dat geldt vanaf 1 oktober 2009.

2.4.Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom aan de aanvrager indien niet tijdig een beschikking op aanvraag gegeven wordt. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat noch de door belanghebbende over het jaar 2002 ingediende aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, noch het verzoek van belanghebbende tot toekenning van de algemene heffingskorting een aanvraag vormt in de zin van artikel 4:17, van de Awb , zodat geen dwangsom verschuldigd kan worden. Naar de rechtbank begrijpt is belanghebbende van mening dat wel sprake is van een aanvraag in vorenbedoelde zin.

2.5.De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De beslissing met betrekking tot het verzoek tot toekenning van de algemene heffingskorting is geen zelfstandige beschikking doch vormt een deelbeslissing die onderdeel vormt van de aanslag. In feite vormt het verzoek van belanghebbende dan ook een verzoek tot het vaststellen van een (negatieve) aanslag. De vraag die dan voorligt is of een verzoek tot het vaststellen van een aanslag een aanvraag in de zin van artikel 4:17, van de Awb , vormt.

2.6.Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder een aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Ingevolge artikel 8, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de AWR) is het doen van aangifte geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb . Over de verhouding tussen het doen van aangifte en het opleggen van de aanslag is in de parlementaire geschiedenis die ten grondslag ligt aan de totstandkoming van de Awb opgemerkt:

“Maar ook bij de belastingaanslag zelf kan niet worden gezegd dat deze “op aanvraag” plaatsvindt. Belastingheffing geschiedt ambtshalve. In het aangiftebiljet wordt een opgave verlangd van gegevens, waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor de belastingheffing………. Ook het indienen van een zogenaamd T-biljet is het doen van een aangifte, zodat duidelijk is dat ook in dat geval geen sprake is van een aanvraag. ….” (MvA, Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5, punt 2.25.)

Gelet hierop kan een aanslag niet aangemerkt worden als een beschikking op aanvraag (vergelijk Hoge Raad 24 december 2010, nr. 09/05111, gepubliceerd in onder meer BNB 2011/82).

2.7. Gelet op hetgeen in 2.5 en 2.6 is overwogen vormt noch de ingediende aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, noch het verzoek van belanghebbende tot toekenning van de algemene heffingskorting een aanvraag in de zin van artikel 4:17, van de Awb . De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat niet aan de voorwaarden voor het recht op een dwangsom is voldaan. Het verzoek van belanghebbende om veroordeling van de inspecteur tot betaling van die dwangsom moet dan ook worden afgewezen vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag. De rechtbank acht het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

2.8.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en door deze en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 30 september 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature