Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Landbouwvrijstelling. Belanghebbende maakt met taxatierapport aannemelijk dat de gerealiseerde verkoopprijs bij de verkoop van een perceel grasland voor een substantieel deel wordt veroorzaakt door de verwachting dat (onder voorwaarden) een zgn. agrarisch bouwblok mag worden gerealiseerd. Voor zover de waardestijging wordt veroorzaakt door de mogelijkheid tot het bouwen van agrarische schuren en/of schuurkassen (‘B-blok’) valt deze onder de landbouwvrijstelling. Voor zover de waardeverandering van het perceel moet worden toegerekend aan de ondergrond van een (mogelijk) te bouwen bedrijfswoning is de landbouwvrijstelling niet van toepassing (vgl. HR 7 mei 2004, BNB 2004/338).

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P10/00279

20 oktober 2011

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], te [Z], belanghebbende,

gemachtigde H.M. van den Brink (Flynth adviseurs en accountants B.V.),

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 09/570 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Hoorn,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 7 maart 2008 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 94.882. Gelijktijdig met deze aanslag is bij beschikking € 3.739 heffingsrente in rekening gebracht. Voorts is aan belanghebbende met dagtekening 7 maart 2008 een aanslag premie Ziekenfondswet (hierna: Zfw) 2005 opgelegd, berekend naar een heffingsgrondslag van € 21.050.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 17 december 2008, de aanslagen gehandhaafd.

Bij uitspraak van 23 maart 2010, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 28 april 2010, aangevuld bij brief van 26 mei 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Bij brief van 13 april 2011 heeft het Hof het onderzoek heropend, welk onderzoek na heropening is beperkt tot een verzoek om nadere inlichtingen omtrent de door belanghebbende gevraagde proceskostenvergoeding. In de van gemachtigde ontvangen brief van 1 april 2011 (met daarin een verwijzing naar jurisprudentie) heeft het Hof geen aanleiding gezien het onderzoek na heropening uit te breiden tot andere punten dan het geschilpunt over de proceskostenvergoeding.

Het proces-verbaal van de zitting is met de genoemde brief van 13 april 2011 aan partijen toegezonden.

Gemachtigde heeft op het verzoek om nadere inlichtingen gereageerd met een brief, met bijlage, van 15 april 2011. De inspecteur heeft gereageerd bij brief van 3 mei 2011. De griffier heeft partijen een kopie toegezonden van de door de wederpartij gegeven reactie. Hierop heeft het Hof besloten een nadere zitting achterwege te laten, het onderzoek te sluiten en schriftelijk uitspraak te doen. Ter zitting van 30 maart 2011 hadden partijen reeds aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting indien het Hof om schriftelijke inlichtingen zou verzoeken omtrent de door belanghebbende gevraagde proceskostenvergoeding.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft de navolgende feiten vastgesteld:

“2.1. [Belanghebbende] exploiteert een bloembollen- en bolbloemenkwekerij. Tot en met 31 december 2004 exploiteerde [belanghebbende] de kwekerij in maatschap met zijn vader, [V.X.] Vanaf 1 januari 2005 drijft [belanghebbende] de onderneming voor eigen rekening en risico en op eigen naam. De vader van [belanghebbende] heeft zijn aandeel in de maatschap met ingang van die datum met toepassing van artikel 3.63 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) overgedragen aan [belanghebbende]. De juridische levering vond plaats bij notariële akte van 21 oktober 2005.

2.2. Bij overeenkomst van 25 mei 2005 heeft de vader van [belanghebbende] de juridische eigendom van een tot de onderneming behorend perceel weiland met water gelegen aan de a-weg te P, kadastraal bekend gemeente P, sectie [F] nummer 123, groot 0.59.40 ha (hierna: het perceel) verkocht aan een derde. De koopsom bedroeg € 140.000.

De juridische levering vond plaats bij notariële akte van 3 juni 2005.

2.3. Het perceel is binnen de kwekerij van [belanghebbende] steeds aangewend als cultuurgrond. De koper van het perceel exploiteerde ten tijde van de koop en levering geen landbouwbedrijf als bedoeld in artikel 3.12, tweede lid, van de Wet.

2.4. Tot de gedingstukken behoort een door [belanghebbende] overgelegd taxatierapport, gedagtekend 23 december 2004 en opgemaakt door [A], makelaar-register taxateur aog bij [B] Makelaardij BV.

Dit rapport houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Object

(…)

Bestemming: sectie [F] nummer 123: agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden met wijzigingsbevoegdheid van het college van B&W ten behoeve van nieuwe agrarische bouwstede onder bepaalde voorwaarden (…)

Datum

Opname: 15 december 2004

Taxatie: naar de situatie van 15 december 2004

Reden: de voorgenomen verkoop van de onroerende zaken

Waardegrondslag: de waarde in het economische verkeer (WEV), zijnde de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur, pacht of enig ander gebruik

(…)

Fiscaal: landbouwregeling

(…)

WAARDERING

Rekening houdend met ligging en kavelvorm van de grond alsmede alle andere terzake dienende omstandigheden, zijn de onroerende zaken als volgt getaxeerd:

WAARDE IN HET ECONOMISCHE VERKEER

WEV = WEVAB

Gronden:

• (…)

• 0.59.40 ha grasland, sectie [F], nummer 123 € 11.500,--

(…)

Ervan uitgaande dat de 0.59.40 ha grasland,

sectie [F] nummer 123 onder bepaalde door de

gemeente [P] te stellen voorwaarden

de bestemming nieuwe agrarische bouwstede verkrijgt € 150.000,--

(…)”

Onder WEV wordt verstaan waarde in het economische verkeer en onder WEVAB waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming.

2.5. [Belanghebbende] heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het onderhavige jaar geen voordeel ter zake van de verkoop van het perceel tot het inkomen uit werk en woning gerekend.

2.6. Bij de vaststelling van de aanslag heeft [de inspecteur] ter zake van de verkoop van het perceel een voordeel in aanmerking genomen van € 128.500. In verband hiermee heeft hij tevens de zelfstandigenaftrek gecorrigeerd met € 2.357.”

Partijen hebben tegen deze feiten geen grieven geuit, zodat ook het Hof van die feiten zal uitgaan. Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe.

2.2. In een brief van de inspecteur aan [C] adviseurs en accountants van 20 februari 2008 is inzake de verkoop van het in onderdeel 2.2 van de uitspraak van de rechtbank vermelde perceel (hierna ook: het perceel) onder meer het volgende vermeld:

“Het weiland is blijkens mijn informatie gekocht door een niet-agrariër.”

2.3. Tot de stukken behoort een kopie van een bestemmingsplan zoals dat gold ten tijde van de verkoop van het perceel. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

“Artikel 9 Agrarische doeleinden (A)

Doeleindenomschrijving

1. De op de kaart voor “Agrarische doeleinden” (A) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

(…)

b. ter plaatse van de subbestemming Aln: veeteelt en ten tijde van de tervisielegging van dit plan reeds bestaande tuinbouwbedrijven op open grond, alsmede het behoud en herstel van actuele en potentiële landschappelijke en natuurlijke waarden;

(…)

met dien verstande dat intensieve veehouderij slechts toelaatbaar is voor zover deze aangemerkt kan worden als neventak van de bestaande agrarische bedrijfsvoering en bij tuinbouwbedrijven geen sprake mag zijn van bollenteelt anders dan één- en tweejarige teelt, een en ander met inachtneming van het bepaalde in lid 13;

(…)

een en ander met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen.

Bouwvoorschriften

Gebouwen en andere bouwwerken

2. Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemmingen, met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen, uitsluitend worden gebouwd:

- bedrijfsgebouwen waaronder ten hoogste één bedrijfswoning per bedrijf (…)

- andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3. De ingevolge het bepaalde in lid 2 toelaatbare bebouwing mag, met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen, uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwstede van 1,0 ha ter plaatse van de daartoe op de kaart aangegeven nadere aanwijzingen [A rondje] en [A vierkantje], met dien verstande dat:

a. de grootste afstand vanaf de nadere aanwijzing waarbinnen gebouwen worden gebouwd niet meer dan 140 m mag bedragen;

b. de breedte van de bouwstede, gemeten evenwijdig aan de aangrenzende weg, ten hoogste 100 m mag bedragen;

c. ten hoogste 40% van de totale oppervlakte van bedrijfsgebouwen binnen een bouwstede met de nadere aanwijzing [A rondje] mag worden gebruikt voor handels- en exportactiviteiten.

(…)

Toetsing bouwplannen

9. Een bouwvergunning of vrijstelling kan slechts worden verleend indien het bouwplan in overeenstemming is met de toegelaten bedrijfsvoering en voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is, een en ander gelet op:

- aard en inrichting van het bedrijf;

- het in hoofdberoep agrariër zijn van de aanvrager;

- de volwaardigheid van het bedrijf in omvang;

- de continuïteit van het bedrijf, mede gelet op de leeftijd van de aanvrager en de

opvolgsituatie;

- het toezichtsvereisend karakter van de bedrijfsvoering in geval van bedrijfswoningen;

- de aanwezigheid van bedrijfsgebouwen.

(…)

Wijzigingsbevoegdheden ex artikel 11 WRO

Nieuwe bouwstedes

18. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen, nieuwe agrarische bouwstedes aan te wijzen aan de (…) [a-weg], ter plaatse van de gronden met de nadere aanwijzing *, ten behoeve van veehouderijbedrijven op open grond met dien verstande dat:

(…)

Verplaatsing bollenteeltbedrijven

(…)

Bruggen buiten de bouwstede

(…)

Voormalige agrarische bedrijven

21. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen, het plan te wijzigen wanneer de gronden en de daarop aanwezige bebouwing ter plaatse van de agrarische bouwstedes niet langer in overeenstemming met de agrarische doeleindenbestemming kunnen worden gebruikt, in die zin dat zij ter plaatse van de aanwezige bouwstedes de bestemming agrarische doeleinden mogen wijzigen in de bestemmingen:

a. “Verblijfsrecreatieve doeleinden”,

(…)

b. “Woondoeleinden”en “Tuin”,

(…)

c. “Bedrijfsdoeleinden”, (…).”

Een bouwstede is volgens artikel 1 Begripsbepalingen voor het bestemmingsplan Landelijk gebied van de gemeente P:

“een aaneengesloten oppervlakte, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering zijn toegelaten”

Volgens de legenda van de bij het bestemmingsplan behorende kaart betekent de toevoeging * het volgende:

“wijzigingsbevoegdheid t.b.v. nieuwe agrarische bouwstede”

2.4. In een brief van [D] van de Belastingdienst/Amsterdam aan de inspecteur van 10 december 2007 is inzake het perceel onder meer het volgende vermeld:

“Ten tijde van de aankoop in juni 2005 van de percelen grasland was er geen bouwvergun-ning aangevraagd en in november 2007 was er bij de gemeente nog steeds geen vergunning aangevraagd. Er is tot op heden nog steeds niet aangetoond dat de koper aan de voorwaarden kan voldoen, die de gemeente stelt om een bouwvergunning te verkrijgen voor de bouw van een nieuwe bouwstede en ik adviseer t.a.v. de WEVAB dan ook uit te gaan van een waarde onbebouwd.

Met de door de makelaar aangegeven waarde onbebouwd ad € 41.000,-- kan ik wel akkoord gaan en ik adviseer u dan ook om deze aan te houden.”

2.5. In een brief van de gemeente [P] aan [A] (E Vastgoed B.V.) van 28 september 2009 is met betrekking tot het perceel het volgende vermeld:

“Het perceel valt onder de voorschrifen van het bestemmingsplan landelijk gebied, eerste herziening van de gemeente [P] (goedgekeurd door de raad op 17-11-1994). Het onderhavige perceel is gelegen op gronden met de bestemming agrarische doeleinden met als subbestemming Aln*.”

2.6. In een bijlage bij de pleitnota van gemachtigde voor de zitting van de rechtbank heeft [A] het volgende verklaard:

“Op 15 december 2004 heb ik in opdracht van de heer V.X (…) een perceel grasland getaxeerd kadastraal bekend Sectie [F] nr. 123 (…) met als reden voorgenomen verkoop.

Dit perceel heeft volgens het bestemmingsplan (…) onder bepaalde (…) voorwaarden de bestemming nieuwe agrarische bouwstede. (…)

Omdat de bouwstede alleen te verkrijgen is onder bepaalde voorwaarden heb ik ook de waarde vastgesteld zijnde grasland n.l. € 11.500.- Dit om de verkoper duidelijk te maken dat wanneer er geen belangstelling is voor een potentiële bouwstede het mogelijk voor graslandwaarde verkocht zou moeten worden. (…)

In januari 2005 hebben wij een verkoopopdracht gekregen om dit perceel te verkopen met als vraagprijs €160.000.- k.k.

In de verkoopbrochure die iedere kandidaat-koper of geïnteresseerde ontvangt staat uitgebreid de benodigde informatie van het desbetreffende perceel met als bijlage kadastrale gegevens en het [vigerende] bestemmingsplan met de bijbehorende voorschriften. Iedere kandidaat koper kan hieruit opmaken dat het gaat om een potentiële agrarische bouwstede.”

2.7. In een brief van [A] aan gemachtigde, gedagtekend 13 april 2010, is onder meer het volgende vermeld:

“Volgens afspraak treft u onderstaand de waardebepaling aan inzake [V.X.] te P. Waardering van een agrarisch bouwblok zonder mogelijkheid om een bedrijfswoning te bouwen (B-blok) betreffende perceel kadastraal bekend gemeente [P] sectie [F] nummer 123, totaal groot 0.59.40 ha.

Waardepeildatum: 25 mei 2005.

Waarde: 0.59.40 ha (B-blok) = € 100.000,00”

2.8. In het proces-verbaal van de zitting van het Hof is onder meer het volgende verklaard:

“De gemachtigde

(…)

De juridische eigendom behoorde voor de verkoop toe aan de vader van belanghebbende.

Het klopt dat de verkoopopbrengst fiscaal bij belanghebbende opkomt.

(…)

Waar een “A met een rondje”of een “A met een vierkantje” op de kadastrale kaart staat, is sprake van een reeds bestaande wijziging in het bestemmingsplan, dus een bestaand bouwblok. Op het perceel waar het om gaat, staat geen “A met een rondje”of een “A met een vierkantje”. De “Aln*” geldt voor het hele gebied, dus ook voor het perceel.

(…)

[A] (taxateur):

(…) In totaal heb ik tien uur aan deze zaak besteed, waarvan vijf uur aan het opstellen van de taxatierapporten. Ik heb twee taxatierapporten opgesteld en heb naast deze zitting ook de zitting van de rechtbank bijgewoond.

(…)

De inspecteur

(…)

De juridische eigendom van het onderhavige perceel behoorde voor de verkoop toe aan de vader van belanghebbende. Het klopt dat de verkoopopbrengst fiscaal bij belanghebbende opkomt. (…)

Een “A met een rondje” of een “A met een vierkantje” op de kadastrale kaart ziet op reeds gerealiseerde of nog te realiseren bouwblokken. Op het perceel waar het om gaat, staat geen “A met een rondje” of een “A met een vierkantje”. De aanduiding “Aln*” geldt voor het hele gebied, dus ook voor het perceel waar het om gaat. Het perceel heeft nu de bestemming veeteelt of behoud en herstel van landschappelijke en natuurlijke waarden. Het * betekent dat er sprake is van een wijzigingsbevoegdheid ten aanzien van plaatsen waar nog geen “A met een rondje” of een “A met een vierkantje” staat.”

2.9. In zijn brief van 13 april 2011 heeft het Hof gemachtigde verzocht een kopie in te zenden van de uiteindelijk door [A] aan belanghebbende toegezonden nota, en daarbij te specificeren welke van de door hem in rekening gebrachte uren zijn toe te rekenen aan het met dagtekening 13 april 2010 opgestelde verklaring, alsmede de zittingen in beroep en hoger beroep.

2.10. Blijkens de bij de brief van gemachtigde van 15 april 2011 en de daarbij gevoegde bijlage, een factuur van [A] aan belanghebbende, bedragen de kosten van de verklaring van 13 april 2010 € 750 en bedragen de kosten van [A] ter zake van het ondersteunen van gemachtigde ter zitting van de rechtbank en van het Hof eveneens € 750; beide bedragen zijn exclusief BTW.

3. Geschil in hoger beroep

In geschil is – evenals in de procedure voor de rechtbank – de vraag of de ter zake van de verkoop van het perceel gerealiseerde verkoopprijs van € 140.000 gelijk is aan de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf (WEVAB) en daarmee volledig onder de landbouwvrijstelling valt, dan wel dat de WEVAB ten tijde van de verkoop € 11.500 bedroeg, zodat een bedrag groot € 128.500 tot de (belaste) winst van belanghebbende moet worden gerekend.

Ter zitting in hoger beroep heeft gemachtigde uitdrukkelijk verklaard het hoger beroep inzake de aanslag Zfw 2005 in te trekken, aangezien de aanslag conform de aangifte is opgelegd en het hoger beroep op dit punt niet tot een gunstiger resultaat kan leiden.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank heeft als volgt geoordeeld:

“4.1. Ingevolge artikel 3.12, eerste lid, van de Wet behoren niet tot de winst voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden – daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen – voor zover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het verschil tussen de WEV en de WEVAB bestaat in de verwachting dat op het perceel een bedrijfswoning gebouwd mag worden.

Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2004, nr. 39 963, BNB 2004/338 wordt door deze omstandigheid de grond onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw. De omstandigheid dat op het perceel niet is gebouwd, maakt dit niet anders, omdat het verschil tussen de WEV en de WEVAB ontstaat door de verwachting dat het perceel buiten de uitoefening van het landbouwbedrijf kan worden aangewend; niet door de daadwerkelijke bouw op het perceel (vgl. HR 7 mei 1997, nr. 32 097, BNB 1997/236, r.o. 3.8, laatste volzin).

Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of de bouw van een nieuwe agrarische bouwstede op het perceel op grond van het bestemmingsplan Landelijk Gebied van de gemeente [P] al dan niet mogelijk was, geen bespreking.”

4.2.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep onder meer gesteld dat de Belastingdienst ten tijde van de verkoop beleid toepaste waarbij de winst uit hoofde van de verkoop van een agrarisch bouwblok integraal onder de landbouwvrijstelling valt. Dit beleid zou gelden zowel voor de waardesprong van weiland naar erf en ondergrond van bedrijfsgebouwen als voor de waardesprong betreffende de agrarische woning.

4.2.2. De inspecteur heeft gesteld dat het onderhavige geval niet onder het destijds geldende beleid valt, onder meer omdat sprake is van verkoop van een agrariër aan een niet-agrariër.

4.2.3. Tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur van het door belanghebbende gestelde beleid, concludeert het Hof dat het bestaan van een dergelijk beleid door belanghebbende niet aannemelijk is gemaakt, althans dat niet aannemelijk is gemaakt dat werd voldaan aan de voorwaarden van destijds – ook volgens de inspecteur – geldend beleid. De stelling dat belanghebbende in rechte vertrouwen kan ontlenen op door hem verondersteld beleid, mist derhalve feitelijke grondslag.

4.3.1. Belanghebbende heeft zich tevens erop beroepen dat de ondergrond van een woning bij een nieuw bouwblok als eerste agrarische woning geldt, zodat voor zover een gedeelte van het perceel is toe te rekenen aan de ondergrond van een agrarische woning, de landbouwvrijstelling – zulks in afwijking van het arrest HR 1 september 1999, nr. 34.637, BNB 2000/109 – ook voor dat gedeelte van toepassing zou zijn. Volgens belanghebbende gold dit beleid ten tijde van de verkoop van het perceel en is het pas nadien bij het Besluit van 8 maart 2006, nr. CPP2005/338M, BNB 2006/197 ingetrokken.

4.3.2. De inspecteur heeft gesteld dat het door belanghebbende gesteld beleid betreffende de ondergrond van agrarische woningen, als vermeld in het Besluit van 8 maart 2006,

nr. CPP2005/338M, alleen betrekking had op ten tijde van het arrest BNB 2000/109 reeds bestaande agrarische woningen.

4.3.3. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de verkoop beleid gold op grond waarvan de landbouwvrijstelling ook van toepassing zou zijn op de waardestijging van de ondergrond van een eventueel nog te bouwen agrarische woning.

Dit betekent dat voor zover de verkoopopbrengst van het perceel is toe te rekenen aan de ondergrond van een nog te bouwen agrarische woning, deze in zoverre tot de belastbare winst moet worden gerekend.

4.4.1. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de WEVAB van het perceel ten tijde van de verkoop € 140.000 bedroeg, omdat op grond van het bestemmingsplan de mogelijkheid aanwezig was dat op het perceel een agrarische woning, agrarische schuren en/of schuurkas-sen kunnen worden gebouwd. Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de rechtbank in onderdeel 4.2 van haar uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat het waardeverschil tussen de WEVAB als weiland (€ 11.500) en de getaxeerde waarde van € 150.000 uitsluitend wordt veroorzaakt door de mogelijkheid tot het bouwen van een agrarische bedrijfswoning. Ook in eerste aanleg heeft belanghebbende reeds aangegeven dat dit waardeverschil voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door de mogelijkheid tot het bouwen van agrarische schuren en/of schuurkassen. Belanghebbende heeft dit aspect afzonderlijk door [A] laten taxeren; deze heeft de waarde van het perceel als bouwblok zonder de mogelijkheid tot het bouwen van een agrarische bedrijfswoning (een zogenoemd “B-blok”) getaxeerd op € 100.000, zoals weergegeven onder 2.7. Indien het Hof van oordeel is dat uitsluitend de waardestijging die kan worden toegerekend aan het erf en de ondergrond voor de mogelijk te bouwen agrarische schuren onder de landbouwvrijstelling valt, dient de WEVAB volgens belanghebbende te worden vastgesteld op € 100.000.

4.4.2. De inspecteur heeft betwist dat sprake was van een agrarisch bouwblok. Volgens hem was het perceel niet meer dan een stuk weiland waarvan de WEVAB ten tijde van de verkoop € 11.500 bedroeg. In de visie van de inspecteur bedraagt de WEV € 140.000, op grond waarvan € 128.500 tot de (niet-vrijgestelde) winst van belanghebbende moet worden gerekend.

4.4.3. Bij de beoordeling van dit geschilpunt stelt het Hof voorop dat op belanghebbende de last rust om te bewijzen dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor toepassing van de landbouwvrijstelling. Dat betekent in het onderhavige geval dat op belanghebbende de last rust feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit volgt dat de WEVAB van het perceel € 140.000 bedroeg. Niet in geschil is dat het perceel in het bestemmingsplan is aangewezen ten behoeve van veeteelt en ten tijde van de tervisielegging van het bestemmingsplan reeds bestaande tuinbouwbedrijven op open grond, alsmede het behoud en herstel van landschappelijke en natuurlijke waarden (artikel 9, eerste lid ), met de bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders tot het onder voorwaarden toestaan van het bouwen van een nieuwe agrarische bouwstede (subbestemming Aln*). Verder is tussen partijen niet in geschil dat, indien de waarde van het perceel moet worden gesteld op de waarde als grasland (zonder de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergunning voor een nieuwe agrarische bouwstede) de WEVAB € 11.500 bedraagt. Belanghebbende verdedigt echter dat wél met de mogelijkheid van een dergelijke bouwvergunning rekening moet worden gehouden.

4.4.4. In dit kader heeft belanghebbende primair gewezen op de inhoud van het rapport van [A], als aangehaald in onderdeel 2.4 van de uitspraak van de rechtbank. Volgens dit rapport bedraagt de WEVAB van het perceel € 150.000, indien ervan wordt uitgegaan dat het perceel onder bepaalde door de gemeente [P] te stellen voorwaarden de bestemming nieuwe agrarische bouwstede verkrijgt. Deze taxatie wordt ondersteund door het bestemmingsplan van de gemeente [P]. Volgens het bestemmingsplan is het toegestaan dat ten behoeve van de daarin aangegeven bestemmingen bedrijfsgebouwen (waaronder ten hoogste één bedrijfswoning per bedrijf) en andere ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’ worden gebouwd (artikel 9, tweede lid ), mits een eventueel bouwplan in overeenstemming is met de toegelaten bedrijfsvoering en de daarvoor vereiste vergunning of vrijstelling voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is (artikel 9, negende lid ). Voorts is tussen partijen niet in geschil dat (gelet op de vermelding Aln*) het college van burgemeester en wethouders het perceel kan aanwijzen als nieuwe agrarische bouwstede.

4.4.5. Naar het oordeel van het Hof vormt het bestemmingsplan derhalve een indicatie van de potentiële agrarische gebruiksmogelijkheid van het perceel als bouwstede. Naar het Hof begrijpt is het perceel begin 2005 ook als potentiële agrarische bouwstede te koop gezet, met een vraagprijs van € 160.000 (verklaring [A] volgens bijlage bij pleitnota gemachtigde voor zitting van de rechtbank). Deze vraagprijs is gebaseerd op de daaraan voorafgegane taxatie als vermeld in onderdeel 2.4 van de uitspraak van de rechtbank. Op grond van deze omstandigheden acht het Hof aannemelijk dat de betaalde prijs zijn verklaring vindt in de kwaliteit van het perceel als potentiële agrarische bouwstede.

4.4.6. In het kader van de mogelijkheden die het bestemmingsplan voor het bouwen van bedrijfsgebouwen biedt heeft de inspecteur gesteld dat het perceel zich daarvoor, gelet ook op de omvang ervan, niet leent. Gemachtigde heeft deze lezing van het bestemmingsplan betwist en zich op het standpunt gesteld dat hetgeen in artikel 9, derde lid, van het bestemmingsplan in relatie tot de perceelomvang over eventuele bebouwing is vermeld, op zichzelf niet aan de mogelijkheid op het perceel te bouwen afdoet. Het Hof volgt in deze de lezing van gemachtigde.

4.4.7. Aan het hiervoor overwogene doet de omstandigheid dat de koper van het perceel niet een agrariër was en dat niet is gebleken dat het perceel na de koop een andere bestemming heeft gekregen dan die van weiland, zoals ten tijde van de koop, niet af. Naar het oordeel van het Hof wegen deze omstandigheden niet op tegen hetgeen hiervoor onder 4.4.5 is overwogen en heeft het – redelijkerwijs – op de weg van de inspecteur gelegen om nader bewijs bij te brengen voor de door hem veronderstelde speculatie door de koper op een toekomstige woonbestemming. Aangezien de inspecteur daartoe geen nader bewijs heeft geleverd of aangeboden acht het Hof hem niet in dat bewijs geslaagd.

4.5.1. Het vorenoverwogene betekent niet dat bh erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de gerealiseerde verkoopprijs van € 140.000 voor het volledige bedrag onder de landbouwvrijstelling valt. Voor zover de waardeverandering van het perceel moet worden toegerekend aan de ondergrond van een (mogelijk) te bouwen bedrijfswoning is de landbouwvrijstelling namelijk niet van toepassing (vgl. HR 7 mei 2004, nr. 39.963, BNB 2004/338, r.o.3.3).

4.5.2. Op dit punt heeft belanghebbende een brief van [A] overgelegd, als vermeld onder 2.7, waarin de waarde van het perceel zonder de mogelijkheid een bedrijfswoning te bouwen op € 100.000 is getaxeerd. Hieruit leidt het Hof af dat de aan het bouwen van een bedrijfswoning toe te rekenen (meer)waarde van het perceel volgens belanghebbende € 40.000 bedraagt.

4.5.3. Nu de inspecteur hier niet een onderbouwde waardering van de aan het bouwen van een bedrijfswoning toe te rekenen waarde van het perceel tegenover heeft gesteld, zal het Hof belanghebbende in deze volgen.

4.5.4. Hiervan uitgaande dient het belastbaar inkomen uit werk en woning met € 88.500

(= € 128.500 -/- € 40.000) te worden verminderd. De bij de bestreden aanslag in aanmerking genomen zelfstandigenaftrek van € 4.068 ondervindt hierdoor geen wijziging, aangezien de uiteindelijk in aanmerking te nemen winst uit onderneming € 88.049 bedraagt.

Slotsom

4.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat van de gerealiseerde opbrengst uit hoofde van de verkoop van het perceel € 100.000 is vrijgesteld onder toepassing van de landbouwvrijstelling. Het beroep en het hoger beroep zijn derhalve gegrond. Het Hof zal de aanslag verminderen tot een vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.382 (= € 94.882 -/- € 88.500). Voorts dient het bedrag van de in rekening gebrachte heffingsrente naar evenredigheid van deze vermindering te worden verlaagd.

5. Kosten

5.1. Nu het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond is en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht . De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

5.2. Voor het onderhavige geval zijn dat onder meer de in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit vermelde kosten van door een derde verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten als volgt vast:

- voor de behandeling in eerste aanleg € 966 (= 2 punten voor proceshandelingen x € 322 x

wegingsfactor 1,5);

- voor de behandeling in hoger beroep € 1.638,75 (= 2,5 punten voor proceshandelingen x

€ 437 x wegingsfactor 1,5).

5.3.1. Voorts komen op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit de kosten van de taxateur die belanghebbende heeft bijgestaan voor vergoeding in aanmerking. Met toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit sluit het Hof voor wat betreft de omvang van deze kosten aan bij de Wet tarieven in strafzaken en artikel 6 van het Besluit tarieven strafzaken 2003, te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting.

5.3.2. In dit verband heeft de inspecteur in zijn brief van 11 mei 2011 voor wat betreft het aantal uren van door [A] verrichte werkzaamheden die voor vergoeding in aanmerking komen verwezen naar de verklaring van [A] ter zitting van het Hof. Daarin is aangegeven dat [A] 10 uren aan de onderhavige zaak heeft besteed, waarvan 5 uren voor het taxatierapport en de verklaring van 13 april 2010. Aangezien het taxatierapport reeds in 2004 is uitgebracht, dat wil zeggen ver voor aanvang van de beroepsfase, komen de aan dit rapport toe te rekenen uren volgens de inspecteur niet voor vergoeding in aanmerking. De inspecteur raamt het desbetreffende aantal uren op 2,5. De overige 7,5 uren komen volgens de inspecteur wel voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof volgt de inspecteur in deze toerekening en stelt de op deze grond te vergoeden kosten, inclusief BTW, vast op € 724,98 (= 7,5 x € 96,66), afgerond € 725.

5.4. In totaal komt het bedrag van de te vergoeden proceskosten derhalve uit op € 3.329,75 (= € 966 + € 1.638,75 + € 725).

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning

van € 6.382;

- draagt de inspecteur op het bedrag van de over de aanslag verschuldigde heffingsrente naar evenredigheid van de vermindering van de aanslag te verlagen;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van

€ 3.329,75; en

- gelast de inspecteur het door belanghebbende in eerste aanleg en hoger beroep gestorte griffierecht ad (= € 39 en € 111 =) € 150 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler als griffier.

De beslissing is op 20 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature