Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Eigen risicodrager. Terugkeer naar publiek bestel. het terugkeerbeleid te worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Nu appellante geen werknemer in dienst had aan wie vóór 1 juli 2004 een WAO-uitkering is toegekend, maar een werknemer aan wie eerst per 22 september 2004 een WAO-uitkering is toegekend, mist het terugkeerbeleid in het geval van appellante toepassing en kan niet worden toegekomen aan een inhoudelijke toets van het verzoek van appellante aan de in het terugkeerbeleid neergelegde criteria voor het mogen terugkeren naar het publieke bestel.

Uitspraak



10/6205 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]., gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2010, 09/2306

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Bakker, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een ontbrekend stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011. Voor en namens appellante zijn verschenen G.H. Groenink en mr. Bakker, voornoemd. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is sinds 1 juli 2004 eigen risicodrager in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Haar – in het kader van een bezwaarprocedure tegen een toerekeningsbesluit op grond van de WAO van 20 april 2007 gedane – verzoek om het eigen risicodragerschap per 1 juli 2004 te beëindigen en terug te keren naar het publieke bestel is door het Uwv bij besluit van 25 juli 2007 afgewezen. Bij besluit van 16 april 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Overwogen is dat het Uwv op basis van zijn discretionaire bevoegdheid een beleid hanteert dat uit coulance wordt toegepast op kleine werkgevers die per 1 juli 2004 eigen risicodrager voor de WAO zijn geworden en die een werknemer in dienst hebben (gehad) die vóór 1 juli 2004 een WAO-uitkering toegekend heeft gekregen. Dit beleid houdt in dat kleine werkgevers onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid hebben om terug te keren naar het publieke bestel. Nu appellante geen werknemer in dienst had aan wie vóór 1 juli 2004 een WAO-uitkering is toegekend, maar een werknemer aan wie eerst per 22 september 2004 een WAO-uitkering is toegekend, mist het terugkeerbeleid in het geval van appellante toepassing en kan niet worden toegekomen aan een inhoudelijke toets van het verzoek van appellante aan de in het terugkeerbeleid neergelegde criteria voor het mogen terugkeren naar het publieke bestel.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen:

?3.1. Het terugkeerbeleid houdt in dat in bepaalde gevallen de uiteindelijk ongunstige gevolgen van de aanvankelijk gewenste inwilliging van de aanvraag om met ingang van 1 juli 2004 eigen risicodrager te worden ongedaan worden gemaakt. Zoals de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) in zijn uitspraak van 19 februari 2010 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN BL4562) heeft overwogen, dient het terugkeerbeleid te worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de CRvB dient dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast ( zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van

12 maart 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN BL7847).

3.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat alleen werkgevers die een werknemer in dienst hebben gehad aan wie vóór 1 juli 2004 een WAO-uitkering is toegekend onder het terugkeerbeleid van verweerder vallen. Het beleid is immers afgestemd op het inlooprisico van artikel 75b van de WAO en onder dit inlooprisico vallen alle werknemers aan wie een WAO-uitkering is toegekend voordat de werkgever eigen risicodrager is geworden, dus vóór 1 juli 2004. Dat uit de antwoorden op Kamervragen die de leden Bussemaker en Smeets op 7 juni 2006 aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben gesteld, volgens eiseres kan worden afgeleid dat het terugkeerbeleid een ruimere toepassing kent, kan niet tot een ander oordeel leiden. Nog daargelaten dat verweerders beleid niet door antwoorden van de minister op Kamervragen tot stand komt of (nader) wordt gevormd, leest de rechtbank in die antwoorden ook niet dat het beleid een zodanig ruime toepassing zou kennen dat het ook van toepassing is op situaties waarin een werkgever een werknemer in dienst heeft (gehad) die arbeidsongeschikt is geworden vóór 1 juli 2004 en na die datum een WAO-uitkering is toegekend.

3.3. Nu aan de betrokken werknemer van eiseres niet vóór 1 juli 2004, maar eerst per 22 september 2004 een WAO-uitkering is toegekend, heeft verweerder het beleid terecht niet op de situatie van eiseres van toepassing geacht. Gesteld noch gebleken is dat verweerder hiermee het terugkeerbeleid ten opzichte van eiseres niet op consistente wijze heeft toegepast, zodat niet gezegd kan worden dat verweerder het verzoek van eiseres om terug te mogen keren in het publieke bestel niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Gelet op de terughoudende wijze waarop de rechtbank het terugkeerbeleid dient te toetsen, kan de beroepsgrond dat eiseres, gelet op de gevolgen die de afwijzing van de aanvraag voor haar heeft, toch onder het terugkeerbeleid zou moeten vallen, niet slagen."

3. In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Naar aanleiding van vragen van de Raad ter zitting begrijpt de Raad dat – in de kern – het standpunt van appellante is dat het door het Uwv ter zake ontwikkelde terugkeerbeleid onredelijk en niet consistent is, in welk verband zij ook heeft verwezen naar de antwoorden van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van

27 juni 2006 op Kamervragen van de leden Bussemaker en Smeets. Appellante leidt daaruit af dat het terugkeerbeleid ook van toepassing is op haar situatie.

4. De Raad komt tot de volgende boordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat hij in zijn hiervoor door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 19 februari 2010 heeft geoordeeld dat het – overigens met ingang van

24 februari 2009 ingetrokken terugkeerbeleid – niet anders kan worden aangemerkt dan in te houden zogenoemd buitenwettelijk begunstigend beleid. Met terugwerkende kracht kunnen immers volgens dit beleid in bepaalde gevallen de uiteindelijk ongunstige gevolgen van de aanvankelijk gewenste inwilliging van de aanvraag om met ingang van

1 juli 2004 eigen risicodrager voor de WAO te worden ongedaan worden gemaakt. Naar de rechtbank in de aangevallen uitspraak met juistheid heeft overwogen dient volgens vaste rechtspraak van de Raad de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en blijft de rechterlijke toetsing daarvan beperkt tot de vraag of het beleid consistent wordt toegepast.

4.2. Gegeven deze beperkte rechterlijke toetsing slaagt de hiervoor in overweging 3 samengevatte beroepsgrond van appellante niet. Met betrekking tot de in diezelfde overweging 3 vermelde verwijzing naar de beantwoording van de Kamervragen, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank, zoals dit is neergelegd in haar overweging 3.2, welke is aangehaald in overweging 2 van deze uitspraak van de Raad.

4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en

J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) I.J. Penning.

JL


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature