Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Kinderalimentatie: grondslag verzoek; draagkracht. Gevolgen van veranderde inkomenssituatie aan de zijde van de alimentatieplichtige. Controle op aspect dat de alimentatieplrichtige niet beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm zakt.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 24 augustus 2011

Zaaknummer : 200.080.204/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-5001

[appellante],

wonende te [woonplaats]

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat voorheen mr. P.R. van de Water te Brielle, thans mr. C.E. van der Starre te Brielle,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.W. Stok te Delft.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 11 januari 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van

12 oktober 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft op 20 april 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 3 februari 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 27 mei 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 9 juni 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de advocaat van de vader.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Ter zitting heeft de advocaat van de vader, met instemming van de wederpartij, een schriftelijke verklaring van 9 juni 2011, met bijlage, van de huisarts van de vader de jaaropgave 2010 en een loonstrook van maart 2011 overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om schriftelijk zijn mening kenbaar te maken.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij de bestreden beschikking zijn - met wijziging in zoverre van de beschikking van 3 juli 2001, en voor zover in hoger beroep van belang - de door de vader met ingang van 1 augustus 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige: [de minderjarige], geboren [in] 1993 te [geboorteplaats] en de door de vader verschuldigde eventuele achterstand in betalingen op nihil gesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het verzoek tot wijziging van de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (verder: kinderalimentatie).

2. De moeder verzoekt – na wijziging van het verzoek ter zitting - de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] en, in zoverre opnieuw beschikkende, het verzoek van de vader tot nihilstelling van de kinderalimentatie van [de minderjarige] met ingang van 1 augustus 2009 af te wijzen, althans een bijdrage te bepalen met een zodanige ingangsdatum als het hof in goede justitie vermeent te behoren. Voorts verzoekt zij het verzoek tot nihilstelling van eventueel verschuldigde achterstanden in betaling af te wijzen.

3. De vader bestrijdt het beroep.

Grondslag verzoek

4. Bij beschikking van 3 juli 2001 van de rechtbank ’s-Gravenhage is onder meer - uitvoerbaar bij voorraad - de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 1 november 2000 bepaald op fl.250,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van [de minderjarige] kan of zal worden verleend. Na indexering bedraagt de bijdrage € 139,35 per maand per 1 januari 2009.

5. Ingevolge artikel 1:401 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

6. Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder betwist niet dat de vader sinds juli 2008 zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur heeft verruild voor deeltijdwerkzaamheden als taxichauffeur en dat als gevolg daarvan sprake is van een inkomensdaling. De vader kan derhalve worden ontvangen in zijn verzoek.

7. De moeder betwist evenwel dat de vastgestelde bijdrage door deze en de overige door de man gestelde gewijzigde omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

8. In het hiernavolgende zal het hof beoordelen in hoeverre de vastgestelde bijdrage als gevolg van de door de man gestelde gewijzigde omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

Draagkracht van de moeder

9. Voor zover de vader stelt dat de kinderalimentatie naar rato van ieders draagkracht dient te worden vastgesteld, overweegt het hof dat de moeder onweersproken heeft gesteld dat zij geen draagkracht heeft om een aandeel in de kosten van [de minderjarige] te voldoen. Hiervan uitgaande wordt de vast te stellen bijdrage beperkt door de draagkracht van de vader.

Draagkracht van de vader

Inkomen

10. De moeder stelt dat de wijziging van het inkomen van de vader geen wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt, omdat sprake is van een door de vader zelf teweeggebrachte inkomensdaling. Zij voert daartoe aan dat de vader zijn stelling, dat hij als gevolg van een hernia sinds december 2008 zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur niet meer kon uitoefenen, onvoldoende heeft onderbouwd. Daarnaast is niet gebleken dat hij een uitkering heeft aangevraagd om zijn inkomen aan te vullen. Zelfs indien de vader door een hernia zijn werkzaamheden niet heeft kunnen uitoefenen, zo stelt de moeder, had van hem mogen worden verwacht dat hij zich had ingespannen om met andere werkzaamheden een gelijk salaris te verdienen. Daarbij komt dat het de eigen keuze van de vader geweest om in deeltijd als taxichauffeur te werken - waardoor zijn inkomsten zijn gedaald - en daarnaast in de onderneming van zijn echtgenote te werken zonder dat hij daarvoor wordt betaald. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat de inkomensdaling van de vader aan hem zelf te wijten is, althans dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn eerdere werkzaamheden niet meer kan uitoefenen, althans dat hij geen gelijksoortig salaris zou moeten kunnen verdienen met andere werkzaamheden. De inkomensdaling dient derhalve buiten beschouwing te worden gelaten.

11. De vader betwist de stellingen van de moeder. Hij zal nog stukken in het geding brengen dat hij door een hernia genoodzaakt was te stoppen. Hij heeft geen uitkering aangevraagd in december 2008. Hij stelt voorts dat hij zich wel degelijk heeft ingespannen om met andere werkzaamheden een vergelijkbaar salaris te verdienen, doch deze inspanningen hebben geen resultaat gehad. Daarnaast is hij van mening dat nergens uit blijkt dat hij structureel minder werkt dan andere werknemers. Ten slotte betwist hij dat de werkzaamheden die hij verricht in het café van zijn partner ten koste gaan van zijn werkzaamheden in loondienst.

12. Het hof overweegt als volgt. Bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige komt het niet alleen aan op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijze in de naaste toekomst te kunnen verwerven. Het kan zich voordoen dat de onderhoudsplichtige door zijn gedragingen zelf een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht. Of een dergelijke vermindering buiten beschouwing moet blijven, zal in de eerste plaats afhangen of hij redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijke inkomen te verwerven en de onderhoudsplichtige dit ook van hem kan vergen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

13. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de inkomensvermindering aan de vader te wijten en voor herstel vatbaar is. Het hof stelt vast dat het de eigen keuze van de vader is geweest om vanwege rugpijn zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur te beëindigen, vervolgens in deeltijd als taxichauffeur en om niet bij zijn echtgenote te gaan werken. De vader heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij, zoals hij stelt, wegens lichamelijke problemen zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur niet meer kon uitoefenen. De door hem overgelegde verklaring van de huisarts geeft het hof geen inzicht in de gevolgen van zijn klachten voor zijn arbeidscapaciteit. Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de moeder had het op de weg van de vader gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen met een verklaring van een arbo-arts. Het hof beschouwt het voorts als een eigen keuze van de vader om zijn werkzaamheden als taxichauffeur in deeltijd uit te oefenen en daarnaast, zonder daarvoor een geldelijke vergoeding te ontvangen, werkzaamheden te verrichten in het café van zijn echtgenote. Gesteld noch gebleken is immers dat de vader niet in staat is of kan worden geacht zijn werkzaamheden als taxichauffeur uit te breiden naar 100% of dat hij zich heeft ingespannen zijn inkomen anderszins tot het oude niveau aan te vullen. De financiële gevolgen van deze door de vader zelf gemaakte keuze – waarvoor geen noodzaak was in het licht van zijn dwingende financiële verplichtingen jegens [de minderjarige] – dienen naar het oordeel van het hof niet op [de minderjarige] te worden afgewenteld. De vader had zich met het oog daarop dienen te onthouden van de gedraging die tot de inkomensdaling heeft geleid.

14. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vader redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich ook na december 2008 het oorspronkelijke inkomen van € 1.900,- per maand te verwerven en dat dit ook van hem kan worden gevergd. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de vader derhalve uit van een inkomen van € 1.900,- netto per maand.

15. Ten overvloede overweegt het hof daarbij dat in het geval van een voor herstel vatbare inkomensvermindering aan de zijde van de onderhoudsplichtige, waarvan in casu sprake is, niet de in Hoge Raad 23 januari 1998, NJ 1998, 707 ontwikkelde regels – inhoudende dat het bij de berekening van de draagkracht buiten beschouwing laten van een inkomensvermindering er niet toe mag leiden dat de onderhoudsplichtige bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien en dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm – gelden.

Toepasselijke bijstandsnorm

16. De vader stelt in zijn verzoekschrift dat zijn draagkracht is verlaagd doordat hij in 2002 is gehuwd met een partner die niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij heeft een negatief inkomen uit onderneming. Derhalve dient te worden uitgegaan van een bijstandsnorm voor een gezin, zo stelt hij.

17. De moeder betwist dat het tweede huwelijk van de vader kan leiden tot verlaging van zijn draagkracht. Zij stelt daarentegen dat zijn draagkracht wordt vergroot, nu zijn echtgenote voor de helft kan bijdragen in de woonlasten.

18. Het hof overweegt als volgt. Sinds de wetswijziging van 1 maart 2009 geldt als uitgangspunt dat kinderalimentatie voorrang heeft boven alle andere verplichtingen van de alimentatieplichtige. De echtgenote van de vader wordt derhalve geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien en wordt bij de berekening van de draagkracht buiten beschouwing gelaten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De door de vader gestelde feiten en omstandigheden - nog daargelaten de aannemelijkheid daarvan - zijn naar het oordeel van het hof niet als zodanig aan te merken. Het hof acht het redelijk en billijk in het onderhavige geval uit te gaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en het bijbehorende draagkrachtpercentage van 70%. Nu de echtgenote van de vader geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te voorzien, dient zij voor de helft, te weten € 5.434,- per jaar, bij te dragen in de woonlasten. De door de vader gestelde wijziging van omstandigheden rechtvaardigt geen verlaging van de kinderalimentatie nu de draagkracht van de vader door het delen van de vaste lasten juist is toegenomen.

Aflossing van schulden

19. De moeder betwist het bestaan van de door de vader opgevoerde schulden. Voorts stelt zij dat geen rekening dient te worden gehouden met de aflossing van schulden nu feitelijk niet wordt afgelost op de schuld en het geen huwelijkse schuld betreft. Bovendien is niet gebleken dat het aangaan van de schuld noodzakelijk is geweest en het aflossen daarvan prevaleert boven de kinderalimentatie. Ten slotte stelt zij dat de nieuwe echtgenote dient bij te dragen in de aflossing van de schuld.

20. De vader stelt dat hij aflost op zijn schulden en dat partijen reeds ten tijde van de echtscheiding een doorlopend krediet hadden van ongeveer fl. 50.000,-.

21. Het hof overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat op iemands draagkracht in beginsel alle schulden van invloed zijn. Niet doorslaggevend is of het een huwelijkse schuld betreft of niet. De omstandigheid dat de vader niet op deze schuld aflost, doet aan dit oordeel van het hof af niet af. De vader heeft het hof echter niet genoegzaam geïnformeerd over de omvang van zijn schuld. Het hof acht de door de vader overgelegde stukken ontoereikend. Ook ter zitting heeft de advocaat van de vader hierover desgevraagd geen, althans onvoldoende, inzicht gegeven. Het hof zal derhalve geen rekening houden met aflossing van schulden aan de zijde van de vader.

Conclusie

22. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is komen vast staan dat de vader als gevolg van de door hem gestelde wijzigingen van omstandigheden niet langer in staat is de eerder vastgestelde kinderalimentatie van [de minderjarige] te voldoen. Het verzoek van de vader tot nihilstelling van de kinderalimentatie ten aanzien van [de minderjarige] en zijn verzoek om de betalingsachterstand op nihil te stellen, dient te worden afgewezen.

23. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd.

24. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de vader alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Lückers en Van de Poll, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature