Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Wet bescherming persoonsgegevens. Verzoek om een aantal passages uit persoonlijke dossiers te verwijderen afgewezen. Met verweerder is rechtbank van oordeel dat passages relevant zijn om zich een goed beeld te kunnen vormen van de context waarbinnen het persoonlijk en sociaal functioneren van eiser plaatsvindt. Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 10/3055 en AWB 10/4486

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 11 oktober 2011

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door [naam],

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder van 12 juli 2010.

Besluit van verweerder van 8 november 2010.

2. Procesverloop

Bij brief van 27 maart 2010, door verweerder ontvangen op 31 maart 2010, heeft eiser verweerder op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) verzocht een aantal passages uit zijn persoonlijke dossier(s) te verwijderen.

Bij brief van 28 april 2010, door verweerder ontvangen op 6 mei 2010, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 27 maart 2010. Verweerder heeft dit bezwaar aangemerkt als een mededeling dat hij in gebreke is tijdig een beslissing te nemen op het verzoek van 27 maart 2010.

Bij besluit van 12 mei 2010 heeft verweerder het verzoek van eiser van 27 maart 2010 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft verweerder naar aanleiding van de ingebrekestelling eiser bericht dat, aangezien op 12 mei 2010, een daarmee binnen de hersteltermijn een beslissing op de aanvraag is genomen, verweerder geen dwangsom is verschuldigd. Tegen dit besluit heeft eiser op 23 juli 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 juli 2010 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 12 mei 2010 ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om een aantal passages uit persoonlijke dossier(s) van eiser te verwijderen gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft eiser op

15 augustus 2010 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer

AWB 10/3055.

Bij besluit van 8 november 2010 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van

22 juni 2010 ongegrond verklaard en het besluit dat verweerder geen dwangsom is verschuldigd gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 10/4486.

Naar de door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld met het beroep van eiser geregistreerd onder

nummer AWB 10/3709 ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

27 september 2011. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel, medewerker bezwaar en beroep bij het

UWV te Arnhem. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de zaken weer gesplitst. In de zaak met registratienummer AWB 10/3709 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

3. Overwegingen

Ten aanzien van het bestreden besluit van 8 november 2010

3.1 In artikel 4:19, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking heeft op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voorzover de belanghebbende deze beschikking betwist.

3.2 Het besluit waarbij verweerder heeft besloten dat geen dwangsom is verschuldigd dateert van 22 juni 2010. Op 23 juli 2010 heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 juni 2010. Dat betekent dat ten tijde van het besluit op bezwaar van 12 juli 2010, het besluit van 22 juni 2010 nog niet door eiser werd betwist. Het bezwaar waarop werd beslist bij het besluit van 12 juli 2010 had daarom niet mede betrekking op het besluit van 22 juni 2010.

3.3 Eiser heeft op 15 augustus 2010 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 12 juli 2010. Gelet op het bepaalde in artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiser

tegen het besluit van 12 juli 2010 mede betrekking op het door eiser bestreden besluit van

22 juni 2010. Verweerder had het bezwaarschrift tegen het besluit van 22 juni 2010 ter behandeling aan de rechtbank moeten doorzenden. Verweerder heeft dit niet onderkend.

3.4 Het vorenstaande betekent dat het beroep tegen het besluit van 8 november 2010 gegrond is. Het besluit van 8 november 2010 zal door de rechtbank worden vernietigd.

3.5 De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Ten aanzien van het bestreden besluit van 12 juli 2010

3.6 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van Wbp wordt onder “persoonsgegeven” verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

3.7 Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wbp kan degene aan wie overeenkomstig

artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

3.8 Op 27 maart 2010 heeft eiser verweerder verzocht de door eiser gearceerde gedeeltes uit het vervolg medisch onderzoeksverslag van verzekeringsarts E.M.J. Klerkx-Maassen van

30 mei 2005 en het medisch onderzoeksverslag van verzekeringsarts R.M.D. van der Reis van 3 april 2008 te verwijderen.

3.9 Verweerder heeft aan de afwijzing van dit verzoek ten grondslag gelegd dat niet gebleken is dat de betreffende passages uit de rapportages van de verzekeringsartsen feitelijk onjuist zijn. Voorts zijn de gegevens volgens verweerder relevant voor een goed beeld over het persoonlijk en sociaal functioneren van eiser en de context waarbinnen dat plaatsvindt, hetgeen van belang is in het licht van de aard van zijn klachten, zodat niet kan worden gezegd dat er sprake is van niet ter zake doende informatie.

3.10 Eiser kan zich niet met het besluit verenigen. Hij heeft aangevoerd dat de door hem gemarkeerde passages verwijderd dienen te worden omdat deze informatie feitelijk onjuist is en/of zonder toestemming van de betreffende persoon is vastgelegd en/of niet relevant of ter zake doende is. Voorts is het vastleggen van deze informatie in strijd met het doel van het aanleggen van het dossier en leidt de informatie tot onduidelijkheden en onnodige foutieve interpretaties bij de gebruikers van het dossier, met alle negatieve gevolgen van dien.

3.11 De rechtbank stelt vast dat de door eiser gemarkeerde passages in de rapportages van de verzekeringsartsen sociale gegevens betreffen, meer specifiek gegevens die betrekking hebben op zijn echtgenote. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dergelijke gegevens relevant zijn om zich een goed beeld te kunnen vormen van de context waarbinnen het persoonlijk en sociaal functioneren van eiser plaatsvindt. Gelet op de aard van de klachten van eiser kan eiser niet gevolgd worden in de stelling dat deze gegevens voor het doel of de doeleinden van de verwerking niet ter zake dienend zijn. Nu eiser ook niet concreet heeft gemaakt welke aspecten van de gemarkeerde passages onjuist zijn, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden om de betreffende gegevens op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wbp te verwijderen. De rechtbank merkt nog op dat voor zover eiser het met een toekomstig besluit over de interpretatie van genoemde gegevens niet eens is, het hem vrij staat de grondslag van dat besluit alsdan aan te vechten.

Ten aanzien van het bestreden besluit van 22 juni 2010

3.12 Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom.

3.13 Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

3.14 Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank stelt vast, dat verweerder niet tijdig op het door eiser op grond van de Wbp ingediende verzoek heeft beslist.

3.15 De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van 28 april 2010 tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 27 maart 2010 terecht als een ingebrekestelling heeft aangemerkt.

3.16 Uit het stempel van ontvangst blijkt dat deze brief op 6 mei 2010 door verweerder is ontvangen. Hiervan uitgaande stelt de rechtbank vast dat verweerder ingevolge artikel 4:17 van de Awb vanaf 21 mei 2010 een dwangsom is verschuldigd. Nu de beslissing op het verzoek van eiser krachtens de Wbp reeds op 12 mei 2010 is genomen en aan eiser is verzonden, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij op grond van artikel 4:17 van de Awb geen dwangsom was verschuldigd.

3.17 Eiser heeft vraagtekens geplaatst bij de datering van de stukken. De rechtbank ziet echter geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

3.18 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen de besluiten van 12 juli 2010 en 22 juni 2010 geen doel treffen. Het beroep tegen genoemde besluiten dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.19 De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

3. 20 Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 8 november 2010 gegrond en vernietigt het besluit van 8 november 2010;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 12 juli 2010 ongegrond;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 22 juni 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, en mr. S.W. van Osch - Leysma en mr. W.R.H. Lutjes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Kjellevold - Hoegee, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 11 oktober 2011


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature