Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Geschil over de verlening van een standplaatsvergunning voor de verkoop van bloemen en de daaraan verbonden voorschriften.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1661 en AWB 11/3976

uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

1. [A], wonende te [plaats], eiser 1

(gemachtigde: mr. F.R. Schouten-Korwa),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ronstreet Properties B.V., gevestigd te Utrecht, eiseres 2

(gemachtigde mr. A. Kamphuis),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Lever).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft verweerder de aanvraag van 5 maart 2010 van eiser 1 (hierna te noemen: [A]) om een standplaatsvergunning voor de verkoop van bloemen op de hoek Haarlemmerstraat - Donkersteeg te Leiden afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [A] bij brief van 6 april 2010 bezwaar gemaakt.

[A] is op 27 augustus 2010 gehoord door de Commissie voor de Beroep- en bezwaarschriften (hierna: de commissie).

Op 13 december 2010 heeft de commissie advies uitgebracht aan verweerder.

Bij brief van 15 december 2010 heeft [A] verweerder in gebreke gesteld.

Bij brief van 15 februari 2011 heeft [A] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar door verweerder.

Bij besluit van 9 februari 2011, verzonden op 15 februari 2011, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie [A] bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 30 maart 2010 herroepen en medegedeeld dat [A] een standplaatsvergunning met daaraan verbonden voorschriften wordt verleend, welke separaat zal worden toegezonden. Bij afzonderlijk besluit van 15 februari 2011 heeft verweerder [A] een standplaatsvergunning met daaraan verbonden voorschriften verleend. Het beroep van [A] tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt gelet op artikel 6:20, vierde lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen de gezamenlijk als besluit op bezwaar aan te merken besluiten van 9 en 15 februari 2011. Deze besluiten worden hierna gezamenlijk aangeduid als: het bestreden besluit.

Bij brief van 28 februari 2011 heeft [A] het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet langer gehandhaafd en de rechtbank verzocht de door verweerder verbeurde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit vast te stellen op een bedrag van € 1.260,--. Voorts heeft [A] gesteld dat verweerder ten onrechte slechts een bedrag van € 874,-- aan bezwaarkosten heeft toegekend. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval verzoekt hij de rechtbank op voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) te bepalen dat verweerder de volledige kosten van de door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand ten bedrage van € 11.186,-- dient te vergoeden.

[A] heeft bij brief van 28 februari 2011 bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 15 februari 2011 verleende standplaatsvergunning voor zover het de daaraan verbonden voorschriften betreft.

Bij brief van 28 maart 2011 heeft eiseres 2 (hierna ook te noemen: Ronstreet Properties BV) bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 15 februari 2011 verleende standplaatsvergunning.

Bij brief van 3 mei 2011 heeft verweerder deze bezwaarschriften - op advies van de adviescommissie - aan de rechtbank doorgezonden ter behandeling als (aanvullend) beroepschrift nu deze zijn gericht tegen de besluiten van 9 en 15 februari 2011 die gezamenlijk moeten worden aangemerkt als een besluit op bezwaar.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 9 juni 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 juni 2011 heeft [A] de gronden van zijn beroep aangevuld en tevens gereageerd op het beroepschrift van - voor zover thans van belang - Ronstreet Properties BV.

Bij brief van 26 augustus 2011 heeft mr. F.R. Schouten-Korwa als gemachtigde van [B], wonende te Noordwijk, verzocht hem als belanghebbende aan te merken, zodat hij als partij aan het geding kan deelnemen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat het belang van [B], gelet op de aan [A] verleende standplaatsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften, niet rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken.

Bij brief van 9 september 2011 heeft [A] nadere gronden ingediend.

De beroepen zijn op 21 september 2011 gevoegd ter zitting behandeld.

[A] heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.R. Schouten-Korwa.

Ronstreet Properties BV heeft zich laten vertegenwoordigen door [C], bijgestaan door mr. A. Kamphuis.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van der Touw en K. Doevendans, bijgestaan door mr. C.H. Norde, kantoorgenoot van mr. R. Lever.

Overwegingen

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

1. De rechtbank stelt vast dat [A] het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ingetrokken, maar het verzoek om vergoeding van proceskosten heeft gehandhaafd. Nu niet in geschil is dat verweerder niet tijdig op het bezwaar van [A] heeft beslist, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:75a van de Awb dit verzoek inwilligen. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op € 109,25, voor het indienen van een beroepschrift bij een zaak van zeer licht gewicht.

Verbeurde dwangsom.

2. Niet in geschil is dat verweerder terzake van het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar een dwangsom heeft verbeurd van € 1.260,--. Het verzoek van [A] om vast te stellen dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen een dwangsom als bedoel in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.260,-- zal derhalve op voet van artikel 8:55c van de Awb worden toegewezen.

Bezwaarkosten

3. Niet in geschil is dat verweerder terzake van de kosten die [A] in verband met het maken van bezwaar heeft moeten maken aan [A] een bedrag heeft vergoed van € 874,-- conform het forfaitaire vergoedingenstelsel neergelegd in artikel 2, eerste lid, van het Bpb .

[A] betoogt dat verweerder ten onrechte niet met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb de daadwerkelijk door [A] betaalde bezwaarkosten ten bedrage van € 11.186,-- heeft vergoed. Daaraan legt [A] ten grondslag dat zijn situatie bijzonder is omdat hij al vanaf 2007 in onzekerheid verkeert over de standplaats en omdat door verweerder onrechtmatige besluiten zijn genomen.

De rechtbank stelt voorop dat voor de door verweerder in 2009 en op 8 januari 2010 genomen onrechtmatige besluiten aan [A] reeds een proceskostenvergoeding is toegekend bij uitspraak van 22 februari 2010 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Voorts is voor afwijking van het in het Bpb neergelegde forfaitaire stelsel slechts plaats in uitzonderlijke, schrijnende gevallen, waarbij strikte toepassing van het forfaitaire stelsel onrechtvaardig zou zijn. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld [A] situatie niet dermate bijzonder is dat van het forfaitaire vergoedingenstelsel afgeweken had moeten worden. De omstandigheid dat de standplaatsvergunning in eerste instantie niet is verleend en [A] sedert 2007 in onzekerheid verkeert over de standplaatsvergunning is niet aan te merken als een uitzonderlijke, schrijnende situatie, te meer nu verweerder niet handhavend optreedt voordat de rechtbank in de onderhavige zaken uitspraak heeft gedaan.

Het betoog van [A] dat de volledige bezwaarkosten hadden moeten worden vergoed slaagt niet.

De standplaatsvergunning.

4.1 [A] verkoopt sinds omstreeks 1966 bloemen op de hoek Haarlemmerstraat-Donkersteeg te Leiden. De standplaats is gelegen voor de winkel WE gevestigd in het pand aan de Haarlemmerstraat 137, van welk pand Ronstreet Properties BV eigenaar is.

4.2 Bij besluit van 2 januari 1981 is aan [A], onder voorwaarden, voor de duur van een jaar, een vergunning verleend tot het hebben van een standplaats voor de verkoop van bloemen op de hoek Haarlemmerstraat-Donkersteeg te Leiden.

4.3 Bij besluit van 1 maart 2007 heeft verweerder [A] medegedeeld dat zijn standplaatsvergunning met ingang van 1 februari 2007 is beëindigd. Verweerder heeft dit besluit genomen omdat in 2006 een aantal gesprekken met [A] is gevoerd, waarbij [A] heeft medegedeeld vanaf zijn pensioengerechtigde leeftijd, in februari 2006, geen gebruik meer te zullen maken van zijn standplaats.

4.4 Bij besluit van 12 maart 2007 heeft verweerder zijn besluit van 1 maart 2007 ingetrokken, omdat sprake was van een misverstand. [A] heeft aangegeven onverkort gebruik te willen maken van zijn standplaatsvergunning.

4.5 Bij besluit van 7 augustus 2009 heeft verweerder de standplaatsvergunning met ingang van 1 oktober 2009 ingetrokken op de grond dat [A] de vergunningsvoorschriften, waaronder het persoonlijk aanwezig zijn op de standplaats, niet heeft nageleefd.

4.6 Op 20 november 2009 is de commissie tot de conclusie gekomen dat na 2 januari 1982 geen standplaatsvergunning meer aan [A] was verleend, zodat derhalve sprake was van een gedoogsituatie. De commissie heeft verweerder geadviseerd het besluit van 7 augustus 2009 te herroepen en alsnog te besluiten of [A] al dan niet voor een standplaatsvergunning in aanmerking komt.

4.7 Bij besluit van 17 december 2009 heeft verweerder geweigerd aan [A] een standplaatsvergunning te verlenen op de grond dat [A] niet altijd persoonlijk aanwezig is en dan de verkoop van bloemen aan anderen overlaat.

4.8 Bij besluit van 21 december 2009 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie, het besluit van 7 augustus 2009 herroepen.

4.9 Bij uitspraak van 22 februari 2010 (AWB 10/163, 10/165 en 10/536) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2009 vernietigd en het besluit van 17 december 2009 herroepen. De voorzieningenrechter heeft [A] in overweging gegeven om zo spoedig mogelijk een standplaatsvergunning aan te vragen en daarbij opgemerkt dat hij zich dient te realiseren dat hij zich aan de vergunningsvoorwaarden moet houden. De voorzieningenrechter heeft voorts overwogen dat verweerder een weloverwogen besluit op de aanvraag dient te nemen en in zijn eventuele besluit aan [A] een vergunning te verlenen duidelijke voorwaarden moet stellen, met name met betrekking tot het punt van het persoonlijk aanwezig zijn en eventuele mogelijkheden tot vervanging bij bijvoorbeeld ziekte.

4.10 Bij besluit van 30 maart 2010 heeft verweer[A] aanvraag om een standplaatsvergunning afgewezen wegens strijd met het bestemmingsplan. Na heroverweging in bezwaar heeft verweerder bij het thans bestreden besluit [A] een standplaatsvergunning verleend voor de verkoop van bloemen op de hoek Haarlemmersteeg - Donkersteeg en daaraan voorschriften verbonden.

4.11 Ronstreet Properties BV kan zich niet met de verlening van de vergunning verenigen en [A] kan zich niet verenigen met de daaraan verbonden voorwaarden, omdat daardoor de bedrijfsvoering in gevaar wordt gebracht.

5.1 Met betrekking tot de toepasselijke regelgeving overweegt de rechtbank dat geen aanleiding bestaat af te wijken van de hoofdregel dat de ten tijde van het bestreden besluit geldende regelgeving van toepassing is. De Algemene plaatselijke verordening 2009 (APV) is op 17 juli 2010 in werking getreden en derhalve op het onderhavige geschil van toepassing.

5.2 Ingevolge artikel 1:5 van de APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 1:6, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV kan de vergunning worden ingetrokken, indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen.

Ingevolge artikel 1:8 van de APV kan de vergunning of ontheffing door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 5:17, eerste lid, van de APV wordt in deze afdeling verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen en diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

Ingevolge het tweede lid, van dat artikel wordt onder standplaats niet verstaan:

a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet ;

b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:2 4.

Ingevolge artikel 5:18, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel weigert het college de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid van dat artikel kan onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 de vergunning worden geweigerd:

a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;

b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

6.1 Ronstreet Properties BV betoogt dat de standplaatsvergunning had moeten worden geweigerd wegens strijd met het vigerende bestemmingsplan Binnenstad II.

6.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden vastgesteld dat het hebben van een standplaats voor de verkoop van bloemen in strijd is met de in artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften genoemde bestemming en dat hiervoor op grond van het tweede lid geen vrijstelling kan worden verleend.

Evenwel heeft verweerder evenzeer op goede gronden vastgesteld dat ingevolge artikel 32 van de planvoorschriften het bestaande gebruik dat in strijd is met het bestemmingsplan mag worden voorgezet, hetgeen echter niet geldt voor het gebruik dat strijdig was met het voorheen geldende bestemmingsplan en niet krachtens overgangsbepalingen van dat plan was toegestaan. Vervolgens heeft verweerder op goede gronden vastgesteld dat het gebruik als standplaats eveneens strijdig was met het voorheen geldende bestemmingsplan "Maredorp", maar dat, nu [A] reeds vóór 2 april 1981, de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Maredorp" de standplaats gebruikte, hij dit gebruik mag voortzetten op grond van het overgangsrecht neergelegd in het bestemmingsplan "Maredorp". Anders dan Ronstreet Properties BV ter zitting heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat in artikel 5:18, tweede lid, van de APV onder "strijd met het bestemmingsplan" moet worden verstaan het bestemmingsplan inclusief de overgangsbepalingen. Deze overgangsbepalingen maken immers deel uit van het bestemmingsplan.

Het betoog van Ronstreet Properties BV dat verweerder de vergunning had moeten weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan faalt derhalve.

6.3 Ronstreet Properties BV betoogt voorts dat verweerder de standplaatsvergunning had moeten weigeren in het belang van openbare orde en omdat de standplaats niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De standplaats zorgt voor overlast; de etalage van de winkel wordt aan het zicht onttrokken en de toegang tot de winkel wordt bemoeilijkt. De standplaats zorgt voor verrommeling en is in strijd met het streven naar behoud van het historisch stadsbeeld. De bloemen worden regelmatig buiten de met bronzen markeringen aangegeven toegestane oppervlakte van 8m2 uitgestald.

De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft erkend dat de door Ronstreet Properties BV gesignaleerde problemen aan de orde zijn en dat verweerder op deze gronden bevoegd was de standplaatsvergunning te weigeren. Verweerder heeft bij afweging van de betrokken belangen ervoor gekozen [A] de standplaatsvergunning te verlenen, omdat hij deze standplaats in ieder geval vanaf 1980 inneemt, hij daarvoor in 1981 ook een vergunning heeft gekregen en vervolgens de standplaats is gedoogd. Wel heeft verweerder om de aantasting van de door Ronstreet Properties BV genoemde belangen te voorkomen voorschriften aan de vergunning verbonden. Voorts heeft verweerder bij de belangenafweging betrokken dat, zodra de aan [A] verleende vergunning komt te vervallen, voor een standplaats op die plaats geen nieuwe vergunning meer zal worden verleend. De rechtbank is van oordeel dat de strikte voorschriften die verweerder aan de vergunning heeft verbonden in voldoende mate aantasting van de door Ronstreet Properties BV genoemde belangen beschermen en dat verweerder in redelijkheid tot voornoemde belangenafweging heeft kunnen komen.

Het betoog van Ronstreet Properties BV dat aan de door haar genoemde belangen een zodanig groot gewicht toekomt dat verweerder in redelijkheid niet tot verlening van de standplaatsvergunning had kunnen komen faalt.

6.4 Het betoog dat verweerder de standplaatsvergunning had moeten weigeren omdat de locatie hoek Haarlemmerstraat - Donkersteeg in de Notitie Standplaatsen gemeente Leiden (hierna: de Notitie standplaatsen) niet is aangewezen als een plaats waar in beginsel de mogelijkheid bestaat voor het innemen van een standplaats faalt evenzeer. In de op 15 februari 2011 vastgestelde Notitie standsplaatsen is immers vermeld dat de standplaats op de Haarlemmerstraat - Donkersteeg zal verdwijnen, zodra de huidige vergunning zal vervallen. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 6.3 heeft overwogen acht de rechtbank dit beleid niet onredelijk.

6.5 Dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar beweerdelijke intimidaties brengt niet mee dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig is voorbereid.

6.6 Het beroep van Ronstreet Properties Bv is ongegrond.

Voorschriften verbonden aan de standplaatsvergunning.

7.1 [A] heeft aangevoerd dat verweerder zich bij de afgifte van de standplaatsvergunning ten onrechte mede gebaseerd heeft op de Notitie standplaatsen, omdat deze niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en derhalve niet in werking is getreden. Verweerder heeft niet betwist dat de voormelde notitie niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

De rechtbank overweegt dat ingevolge vaste rechtspraak (de rechtbank verwijst op dit punt naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 30 maart 2011, LJN BP9547) het niet bekend maken van beleid niet tot gevolg heeft dat de inhoud van het daarin neergelegde beleid zonder betekenis is. Met de vaststelling van de Notitie standplaatsen op 15 februari 2011 (waarbij de daarin opgenomen beleidsregels derhalve nog niet de status van beleidsregel in de zin van artikel 4:84 van de Awb hebben ) heeft verweerder aangetoond dat hij in ieder geval vanaf 15 februari 2011 dit beleid hanteert. Anders dan [A] aanvoert is de rechtbank niet gebleken dat verweerder met deze notitie zijn beleid of bestendige gedragslijn ten aanzien van verlenen van standplaatsen heeft gewijzigd. Uit de notitie blijkt dat er sprake is van het voor het eerst vastleggen van standplaatsenbeleid, omdat daaraan gelet op het gebrek aan transparantie van de huidige procedure behoefte bestaat bij zowel de ondernemers als de gemeente.

Voorts zijn, anders dan [A] betoogt, de Verordening op de warenmarkt(en) voor de gemeente Leiden 2008 en de Nadere Regels voor de warenmarkt in de gemeente Leiden 2008 op de standplaats van [A] niet van toepassing. Dit volgt reeds uit het feit dat de aan [A] verleende standplaatsvergunning geen betrekking heeft op een standplaats op een door het college ingestelde warenmarkt. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank op dat artikel 10, tweede lid, van de Nadere regels reeds geen toepassing kan vinden, omdat niet is gebleken dat een wachtlijst bestaat voor standplaatsvergunningen buiten een warenmarkt.

7.2 De rechtbank stelt vast dat in artikel 1:5 van de APV dwingend is bepaald dat de vergunning of ontheffing persoonsgebonden is, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

De rechtbank is niet gebleken dat de aard van de vergunning zich verzet tegen het persoonsgebonden karakter. Ook in de door [A] overgelegde aan [D] op 4 april 2011 verleende standplaatsvergunning is het voorschrift opgenomen dat de vergunning strikt persoonlijk en niet voor overdracht vatbaar is. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de aan [D] verleende vergunning voor een standplaats voor de verkoop van stroopwafels niet is overgeschreven, maar is verleend op basis van een nieuwe aanvraag. Ook indien het voorschrift dat de vergunning persoonlijk en niet overdraagbaar is niet aan de vergunning zou zijn verbonden, zou de vergunning ingevolge het bepaalde in artikel 1:5 van de APV niet overdraagbaar zijn.

7.3 Verweerder heeft aan de standplaatsvergunning als voorschrift verbonden dat [A] persoonlijk aanwezig dient te zijn op de standplaats behoudens afwezigheid van kortstondige aard. Verhindering wegens vakantie of een bijzondere omstandigheid dient hij te melden. Voorts geldt het voorschrift dat [A] voor vervanging bij afwezigheid wegens vakantie of bijzondere omstandigheden schriftelijk een ontheffing kan vragen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid deze voorschriften aan de vergunning heeft mogen verbinden. Deze voorschriften houden in de eerste plaats verband met de in de APV dwingend voorgeschreven niet overdraagbaarheid van de vergunning. Zou immers de vergunninghouder niet persoonlijk aanwezig hoeven te zijn of gedurende langere tijd de exploitatie mogen overdragen, dan zou daarmee een toestand bereikt kunnen worden die feitelijk gelijk staat aan een overdracht of onderverhuur van de standplaatsvergunning, welke toestand blijkens het bepaalde in artikel 1:5 van de APV, uitdrukkelijk niet is beoogd. In de tweede plaats heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de verplichte persoonlijke aanwezigheid in verband met de openbare orde van de vergunninghouder mag worden gevergd.

Dat [A] zich niet zou mogen laten bijstaan door medewerkers blijkt niet uit de vergunningvoorschriften. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat [A] zich mag laten bijstaan, mits hij persoonlijk aanwezig is op de standplaats. Nu voorts is voorgeschreven dat [A] wel kortstondig van de standplaats afwezig mag zijn en dat hij een ontheffing kan vragen voor vervanging bij een afwezigheid wegens vakantie of bijzondere omstandigheden, is voldoende tegemoetgekomen aan de belangen van eiser om zijn bedrijfsvoering te kunnen voortzetten.

Met betrekking tot het voorschrift dat een verzoek tot vervanging wegens ziekte zonder tijdsaanduiding niet zal worden ingewilligd, heeft verweerder ter zitting verklaard dat dit voorschrift de strekking heeft dat moet worden meegedeeld of het gaat om een minder ernstige ziekte van kortdurende aard, zoals bijvoorbeeld de griep, of om een ernstigere ziekte van langduriger aard, zodat verweerder kan beoordelen of een ontheffing voor vervanging kan worden ingewilligd. Aldus begrepen heeft verweerder in redelijkheid kunnen bepalen dat een verzoek om ontheffing zonder een indicatie over de duur van de ziekte niet wordt ingewilligd.

7.4 Verweerder heeft uit oogpunt van veiligheid aan de standplaatsvergunning het voorschrift verbonden dat geen gebruik mag worden gemaakt van gasflessen. [A] heeft aangevoerd dat het gebruik van gasflessen in de winter noodzakelijk is om zich warm te houden. Ter zitting heeft hij hieraan toegevoegd dat het in de winter ook voor het behoud van de bloemen noodzakelijk is verwarming te hebben.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de standplaatsvergunning niet is verleend voor etenswaren waarvoor gebruik van gasflessen noodzakelijk is, verweerder dit voorschrift in redelijkheid uit oogpunt van brandveiligheid aan de vergunning heeft mogen verbinden. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat het hier gaat om een standplaats in een drukke winkelstraat en dat hier geen sprake is van het gebruiken van gasflessen in een daartoe geoutilleerde ruimte.

7.5 Verweerder heeft de standplaatsvergunning verleend voor een oppervlakte van 8m2 en daaraan het voorschrift verbonden dat de koopwaar moet worden uitgestald binnen de vergunde 8m2 conform de in de straat aangebrachte bronzen markering. Daarmee is beoogd de doorgang voor voetgangers te waarborgen en een minimale afstand tot de blindengeleidestrook te creëren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid dit voorschrift heeft kunnen verbinden aan de vergunning in het belang van voetgangers en blinden. Dat elders in de stad regelmatig blindengeleidestroken worden geblokkeerd, brengt niet mee dat verweerder dit voorschrift niet zou mogen stellen.

7.6 Verweerder heeft aan de vergunning het voorschrift verbonden dat indien binnen een aaneengesloten periode van een jaar drie maal of vaker enig voorschrift uit de vergunning niet is nagekomen, de vergunning kan worden ingetrokken.

[A] voert aan dat uit het voor alle vergunninghouders geldende artikel 1:6 van de APV volgt dat, indien men zich niet houdt aan de voorschriften van een vergunning, tot intrekking van de vergunning kan worden overgegaan. Echter in alle gevallen moet steeds worden bezien of de overtreding in het licht van de omstandigheden verwijtbaar is en of de door de verordening beschermde belangen zijn geschaad. [A] stelt dat het voorschrift zou kunnen leiden tot een onevenredige toepassing en willekeur, aangezien dit voorschrift niet voor andere standplaatshouders geldt.

De rechtbank is van oordeel dat van willekeur geen sprake is, nu voor alle standplaatshouders geldt dat de vergunning kan worden ingetrokken, indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nagekomen. Dat [A] door het voorschrift dat de standplaatsvergunning na drie overtredingen van de voorschriften kan worden ingetrokken extra wordt benadeeld is niet in te zien. Dat geen rekening zal worden gehouden met een eventueel ontbreken of verminderde mate van verwijtbaatheid blijkt niet uit het voorschrift. Verweerder heeft dit voorschrift in redelijkheid aan de vergunning mogen verbinden, te meer nu door gemeentelijke toezichthouders regelmatig door [A] begane overtredingen van de voorschriften zijn geconstateerd. Overigens merkt de rechtbank op dat tegen een eventuele intrekking van de vergunning, die naar het oordeel van de betrokkene op onvoldoende of onjuiste gronden berust, rechtsmiddelen openstaan.

7.7 [A] heeft zich voorts beklaagd over de intensieve wijze van toezicht. De wijze van handhaven van de vergunningvoorschriften gaat evenwel de omvang van dit geding te buiten, zodat de rechtbank daarop niet in zal gaan.

7.8 De rechtbank concludeert dat de voorschriften niet onredelijk zijn en door verweerder aan de standplaatsvergunning verbonden mochten worden. Het beroep van [A] is ongegrond.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten, behoudens ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig beslissen, bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage

Verklaart de beroepen ongegrond.

Stelt de hoogte van de door verweerder aan [A] verschuldigde dwangsom vast op € 1.260,--.

Veroordeelt verweerder in de proceskosten met betrekking tot het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten bedrage van € 109,25, welke kosten verweerder aan [A] dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Pereira Horta, mr. C.G. Meeder en

mr. M.J.C. Dijkstra, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature