Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Wwb artikel 59, tweede lid

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/528

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

in het geding tussen

[naam eisers], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat te Dordrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, thans het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: A. Kleijn, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft verweerder € [bedrag] van eiseres en [naam X] teruggevorderd, zijnde de door verweerder aan [naam X] betaalde bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2005, onder mededeling dat eiseres en [naam X] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de volledige terugbetaling van dit bedrag.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 10 november 2005 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 8 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 15 april 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 6 oktober 2011 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. het wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb van gt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

2.1.2. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw), zoals luidend van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2004 en voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 84, tweede lid, van de Abw, zoals luidend van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2003 en voor zover hier van belang, worden, indien de bijstand als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichting bedoeld in artikel 65 niet is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Ingevolge artikel 84, derde lid, van de Abw, zoals luidend van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2003 en voor zover hier van belang, zijn de in het tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

2.1.3. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb), zoals luidend van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2005 en voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de Wwb, zoals luidend van 1 januari 2004 tot en met 30 september 2005 en voor zover hier van belang, kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel 17, niet is nagekomen, de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Ingevolge artikel 59, derde lid, van de Wwb, zoals luidend van 1 januari 2004 tot en met 30 september 2005 en voor zover hier van belang, zijn de in het tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

2.1.4. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

2.2. het standpunt van verweerder

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens termijnoverschrijding. Verweerder heeft het bestreden besluit op 8 maart 2007 verzonden naar het hem bekende adres van de gemachtigde van eiseres. Het faxbericht van 8 februari 2007 betreffende de adreswijziging van de gemachtigde heeft verweerder niet ontvangen.

Verweerder wijst erop dat het besluit van 25 oktober 2005, voor zover betrekking hebbend op [naam X], met de uitspraak van 8 december 2009 van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) onherroepelijk is geworden en stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in overeenstemming is met artikel 59, tweede en derde lid, van de Wwb .

2.3. de gronden van beroep

Eiseres heeft, samengevat en voor zover van belang voor de beoordeling van het beroep, het volgende aangevoerd.

Eiseres heeft het besluit van 8 maart 2007 niet ontvangen, vermoedelijk omdat dit besluit naar het oude kantooradres van haar gemachtigde is verzonden. De gemachtigde van eiseres heeft zijn adreswijziging op 8 februari 2007 doorgegeven aan verweerder. Op 12 april 2010 ontving de gemachtigde van eiseres een kopie van het bestreden besluit en meteen daarna heeft eiseres beroep ingesteld.

Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 59, tweede en derde lid, van de Wwb . Deze bepalingen zijn niet van toepassing op eiseres.

Verder voert eiseres aan dat zij recht heeft op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM .

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ontvankelijk is en overweegt daartoe het volgende. Het bestreden besluit is op 8 maart 2007 niet op de juiste wijze aan eiseres bekendgemaakt. Verweerder heeft dit besluit verzonden naar het oude adres van de gemachtigde van eiseres, terwijl haar gemachtigde zijn adreswijziging per faxbericht van 8 februari 2007 aan verweerder heeft doorgegeven. Volgens het door eiseres overgelegde verzendrapport is de verzending van het faxbericht van 8 februari 2007 geslaagd, terwijl verweerder heeft verklaard dat het in het verzendrapport genoemde faxnummer juist is. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het faxbericht van 8 februari 2007 bij verweerder in het ongerede is geraakt, wat voor zijn rekening en risico komt. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres onweersproken naar voren gebracht dat hij op 8 februari 2007 in verschillende andere zaken eenzelfde faxbericht aan verweerder heeft toegezonden, zodat verweerder ook langs die weg op de hoogte had kunnen zijn van het nieuwe kantooradres van de gemachtigde van eiseres. Gelet hierop en omdat eiseres onweersproken naar voren heeft gebracht dat verweerder in april 2010 een kopie van het bestreden besluit aan haar gemachtigde heeft toegezonden, geldt deze laatste verzending als juiste bekendmaking van het besluit en is het beroepschrift tijdig ingediend. Dat verweerder het vreemd vindt dat eiseres niet eerder navraag heeft gedaan naar het uitblijven van de beslissing op haar bezwaar, wat daarvan zij, is niet van belang voor het antwoord op de vraag wanneer verweerder het bestreden besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt.

2.4.2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 59, tweede en derde lid, van de Wwb en het in essentie gelijkluidende artikel 84, tweede en derde lid, van de Abw .

[naam X] ontving onder meer in de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wwb. [naam X] is gehuwd geweest met eiseres. Verweerder heeft het recht op bijstand van [naam X] ingetrokken omdat hij gedurende de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding voerde met eiseres zonder daarvan mededeling te doen aan verweerder, terwijl hun gezamenlijke inkomen hoger was dan de bijstandsnorm voor een gezin. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de rechtmatigheid van deze intrekking in rechte vaststaat met de uitspraak van 8 december 2009 van de CRvB.

Op grond van artikel 59, tweede lid, van de Wwb en artikel 84, tweede lid, van de Abw geldt als voorwaarde om de aan [naam X] verstrekte bijstand mede van eiseres terug te kunnen vorderen dat de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verstrekt, maar dat dit achterwege is gebleven als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank stelt vast dat aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, omdat gelet op het inkomen van eiseres geen gezinsbijstand was toegekend als de inlichtingenplicht niet was geschonden.

2.4.3. Gelet op hetgeen onder 2.4.2. is overwogen is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 59, tweede en derde lid, van de Wwb en artikel 84, tweede en derde lid, van de Abw . De andere beroepsgronden kunnen onbesproken blijven.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren, het besluit van 25 oktober 2005 te herroepen voor zover dat besluit betrekking heeft op eiseres en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit.

2.4.4. Omdat verweerder na sluiting van het onderzoek heeft laten weten niet akkoord te gaan met het ter zitting besproken voorstel van de rechtbank om de zaak te schikken, is eiseres niet gehouden aan het in het kader van deze schikking door haar gedane aanbod om af te zien van schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM . De hierop betrekking hebbende beroepsgrond zal dan ook worden beoordeeld door de rechtbank.

In zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) heeft de CRvB algemene richtlijnen gegeven voor de beoordeling van verzoeken om schadevergoeding wegens de duur van procedures in de sfeer van de sociale zekerheid. Naar het oordeel van de CRvB moet normaal gesproken binnen een half jaar worden beslist op een bezwaarschrift en binnen anderhalf jaar op een beroepschrift, zodat de procedure in bezwaar en beroep in totaal normaal gesproken twee jaar mag duren. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen om in de zaak van eiseres een langere termijn gerechtvaardigd te achten. Reeds in haar bezwaarschrift van 10 november 2005 heeft eiseres erop gewezen dat het besluit van 25 oktober 2005, voor zover dat op haar betrekking heeft, in strijd is met artikel 59, tweede lid, van de Wwb . Voor de beoordeling van dit bezwaar was redelijkerwijs niet meer tijd nodig dan zes maanden.

Sinds de indiening van het bezwaarschrift van 10 november 2005 is een periode van bijna zes jaar verstreken. Eiseres stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Deze overschrijding moet worden toegerekend aan verweerder, omdat de rechtbank uitspraak doet binnen de door de CRvB redelijk geachte termijn van anderhalf jaar.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB dient overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in beginsel te leiden tot toekenning van een schadevergoeding van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij naar boven wordt afgerond. Hiervan uitgaande heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 4.000. Feiten of omstandigheden die aanleiding geven het bedrag van de schadevergoeding hoger of lager vast te stellen, ziet de rechtbank niet. Dat verweerder de bezwaarprocedure op 8 maart 2007 al had afgerond, maar het bestreden besluit naar het verkeerde adres heeft verzonden, is ongelukkig, maar komt mede gelet op hetgeen onder 2.4.1. is overwogen voor zijn rekening en risico. De bezwaarprocedure is formeel gezien pas afgerond door de correcte bekendmaking van het bestreden besluit aan eiseres in april 2010. Dat eiseres niet tussentijds navraag heeft gedaan naar de stand van zaken, is geen reden om aan te nemen dat de lange duur van de procedure bij haar niet tot spanning en frustratie heeft geleid.

2.4.5. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en artikel 8:75, eerste lid, van de ze wet te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 1.518 (1 punt ter waarde van € 322 voor de indiening van het bezwaarschrift, 1 punt ter waarde van € 322 voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt ter waarde van € 437 voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt ter waarde van € 437 voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres in bezwaar of beroep nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat verweerder niet akkoord is gegaan met het ter zitting besproken voorstel van de rechtbank om de zaak te schikken, is eiseres niet gehouden aan het in het kader van deze schikking door haar gedane aanbod om gedeeltelijk af te zien van vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten.

2.4.6. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond, herroept het besluit van 25 oktober 2005 voor zover dat besluit betrekking heeft op eiseres en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de schade die eiseres heeft geleden, vastgesteld op € 4.000;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van haar bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 1.518 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan eiseres, met bepaling dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover het de in bezwaar gemaakte proceskosten betreft.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en mr. T.B. Both-Attema, griffier, ondertekend.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature