Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende was in dienst bij de NOS tot 1 mei 1994. Na zijn uitdiensttreding heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de mogelijkheid om vrijwillig de pensioenregeling voort te zetten; in dat kader heeft belanghebbende in 2003 een bedrag ad € 5.945 betaald. Tevens heeft belanghebbende in 2004 € 8.283 toegevoegd aan zijn oudedagsreserve. In geschil was de vraag of de vrijwillig betaalde pensioenpremie als negatief loon dan wel als premie voor een lijfrente in mindering op het inkomen kon komen. Het Hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat dit niet het geval is. Er is onvoldoende band met de voormalige dienstbetrekking om te kunnen spreken van negatief loon; het Hof verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010, nr. 09/04697, LJN:BM9268. Omdat belanghebbende ook nog een bedrag aan zijn oudedagsreserve had toegekend kon hij evenmin een beroep doen op het Besluit van 20 november 2002, nr. CPP2002/1303M. Een beroep op de Regeling taakafbakening pensioenfondsen verwerpt het Hof omdat dit een regeling is die een uitvoeringsvoorschrift betreft van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en uit die wet blijkt niet dat premie in aanmerking zou moeten worden genomen als negatief loon. Het beroep op opgewekt vertrouwen verwerpt het Hof omdat door de betreffende regelingen noch uit uitlatingen van de Inspecteur een dergelijk vertrouwen kan zijn gewekt. Tenslotte verwerpt het Hof belanghebbendes stelling dat er sprake is van een aftrekbare lijfrentepremie. Los van de vraag of afkoop is toegestaan voldoet de uitkering die belanghebbende ontvangt op basis van de vrijwillig betaalde pensioenpremie niet aan de eisen van artikel 1.7 Wet IB 2001. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00136

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst,

(hierna, evenals de directeur van het onderdeel Belastingregio Belastingdienst/Oost-Brabant van die dienst, die met ingang van 1 januari 2011 te dezen bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur),

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 december 2007, nummer AWB 06/4611, in het geding tussen

de Inspecteur

en

X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.048, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 25.103, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 322 en gelast dat de Inspecteur het griffierecht ten bedrage van € 38 aan belanghebbende vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 12 december 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, aan welk verzoek zij hebben voldaan. Hetgeen partijen in dit kader bij het Hof hebben ingediend, behoort tot de stukken van het geding.

1.8. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. '2.3. De dienstbetrekking van belanghebbende met de A is beëindigd op 1 mei 1994. Na zijn uitdiensttreding heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting van zijn deelname aan de pensioenregeling van zijn ex-werkgever. De opgebouwde pensioenaanspraken worden beheerst door het pensioenreglement van de B.'(Hof: Stichting B)

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.2. In 2003 heeft belanghebbende in het kader van zijn voortgezette deelname aan de evenbedoelde pensioenregeling aan B vrijwillig een premie groot € 5.945 betaald.

2.3. In 2003 heeft belanghebbende een bedrag groot € 8.283 toegevoegd aan de oudedagsreserve.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de door belanghebbende in 2003 vrijwillig betaalde pensioenpremie als negatief loon dan wel als premie voor lijfrente in aftrek mag worden gebracht bij de berekening van zijn inkomen uit werk en woning voor het jaar 2003.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor wat partijen ter zitting hebben opgemerkt wordt verwezen naar het van die zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en, naar het Hof aanneemt, tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert, naar het Hof aanneemt, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank alsmede tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep.

4. Gronden

Negatief loon

4.1. Het bedrag aan premie van € 5.954 (hierna: de premie), waarvan de Inspecteur geen aftrek heeft toegestaan, ziet niet op een aanspraak op grond van een pensioenregeling als bedoeld in Hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB). Deze premie en de daarmee samenhangende uitkeringsrechten betreffen een tijdvak dat, gelet op het bepaalde in artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 , niet als diensttijd in aanmerking kan worden genomen.

4.2. De aanspraak op de met de premie samenhangende uitkeringen vormt geen aanspraak op pensioen als bedoeld in artikel 18 van de Wet LB , in verband waarmee die uitkeringen niet zijn aan te merken als loon in de zin van die wet. Daarom houdt de premie die belanghebbende als voormalig werknemer voor zijn voortgezette deelname aan de pensioenverzekering betaalt onvoldoende verband met zijn voormalige dienstbetrekking om als negatief loon te kunnen worden aangemerkt. Het Hof verwijst te dezer zake naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010, nr. 09/04697, LJN: BM9268.

4.3. In zoverre belanghebbende zich ter adstructie van zijn stelling dat de premie in aanmerking is te nemen als negatief loon beroept op het gestelde in het Besluit van 20 november 2002, nr. CPP2002/1303M, onder meer gepubliceerd in V-N 2003/4.10, mist dat beroep doel reeds omdat belanghebbende in 2003 een bedrag van € 8.283 heeft toegevoegd aan de oudedagsreserve zodat hij niet voldeed aan de voorwaarden welke genoemd Besluit stelt aan het in aanmerking nemen van premies voor een na afloop van de dienstbetrekking vrijwillig voortgezette pensioenverzekering, als negatief loon.

4.4. In zoverre belanghebbende zich ter adstructie van zijn stelling dat de premie in aanmerking is te nemen als negatief loon beroept op het gestelde in de Regeling taakafbakening pensioenfondsen van 20 december 2000 (Staatscourant 22 december 2000, nr. 249, pag. 27, hierna: de Regeling)), met name op artikel 8 van de Regeling, welk artikel luidt als volgt:

"Deze regeling is ten aanzien van op 22 april 1998 in reglementen vastgelegde pensioenvoorzieningen eerst na verloop van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling van toepassing."

wordt dat beroep vergeefs voorgedragen. Hiertoe overweegt het Hof dat de Regeling een uitvoeringsvoorschrift behelst van artikel 13, vijfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (hierna: WTV) en noch uit die wet, noch uit bedoelde regeling valt op te maken dat de premie voor de toepassing van de Wet LB of voor enige andere belastingwet in aanmerking zou moeten worden genomen als negatief loon of dat de met de premie samenhangende uitkeringen in aanmerking zouden moeten worden genomen als loon in de zin van de Wet LB. Veeleer wordt met de bedoelde regeling beoogd een antwoord te geven op de vraag of en wanneer een pensioenfonds dat na beëindiging van de dienstbetrekking tegen premiebetalingen pensioenuitkeringen verzekert, voor de toepassing van de WTV in aanmerking wordt genomen als pensioenfonds dan wel als verzekeringsonderneming.

4.5. In zoverre belanghebbende zich beroept op een bij hem gewekt rechtens te honoreren vertrouwen dat de premie bij het bepalen van het inkomen uit werk en woning in aftrek kan worden gebracht nu de onderhavige pensioenregeling ongewijzigd kon worden voortgezet tot 1 juni 2006 met evengenoemd artikel 8 van de Regeling, dus met behoud van fiscale faciliteiten, faalt dat beroep evenzeer. Uit genoemd artikel van de Regeling blijkt geenszins dat de pensioenregeling met behoud van de fiscale faciliteiten kon worden voortgezet, en al evenmin kan uit het gestelde in de Toelichting op de evenbedoelde Regeling worden opgemaakt dat de gevers van de Regeling, de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met de Regeling bedoeld hebben een fiscale faciliëring te bewerkstelligen van na beëindiging van de dienstbetrekking voortgezette pensioenregelingen. In die Toelichting is opgenomen dat na de wijziging van het Uitvoeringsbesluit Loonbelasting 1965 per 1 januari 2001 met betrekking tot dergelijke voortgezette pensioenregelingen onder voorwaarden fiscale faciliëring mogelijk is tot drie jaar na het ontslag. Verder blijkt uit die Toelichting dat in het geval van arbeidsongeschiktheid of in het geval van een individueel of collectief afgesproken regeling tussen werkgever en werknemer zoals een VUT-regeling, of een afvloeiings- of wachtgeldregeling, welke regeling als kenmerk moet hebben dat de daarbij belanghebbende een uitkering zal krijgen welke verband houdt met een arbeidsrelatie, de vrijwillige voortzetting van de pensioenvoorziening mogelijk is zonder dat sprake is van een maximum termijn van drie jaar, doch niet dat een dergelijke vrijwillig voortgezette pensioenvoorziening fiscaal gefacilieerd zou zijn. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur ter zake een rechtens te honoreren vertrouwen heeft gewekt.

4.6. Gezien het onder 4.1 tot en met 4.5 overwogene kan de premie niet als negatief loon in aanmerking worden genomen.

Premie voor lijfrente

4.7. De premie komt evenmin in aanmerking voor aftrek als premie voor lijfrenten. De aanspraak op de uitkeringen, welke met de premie samenhangen, voldoen niet aan de definitie van lijfrente die is opgenomen in artikel 1.7, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Deze definitie omvat onder meer een zogenoemd afkoopverbod, in die zin dat een aanspraak op uitkeringen slechts dan als lijfrente kan worden aangemerkt indien zij niet kan worden afgekocht, afgezien van enkele uitzonderlijke situaties die in de genoemde bepaling omschreven zijn. In het onderhavige geval wordt niet aan deze eis voldaan, nu noch de statuten noch het pensioenreglement van B bepalingen bevatten ingevolge welke de rechten, voortvloeiende uit de vrijwillige pensioenregeling, niet kunnen worden afgekocht. Belanghebbendes stelling dat geen sprake hoeft te zijn van lijfrentepremies welke voldoen aan de voorwaarde van een in de lijfrenteovereenkomst genoemd afkoopverbod, vindt geen steun in het recht. Het Hof verwijst te dezer zake naar het reeds in 4.2. aangehaalde arrest van de Hoge Raad.

4.8. De vraag of in dit geval de in artikel 32 van de Pensioen- en spaarfondsenwet neergelegde uitzonderingen op het in die wet voorziene verbod van afkoop van toepassing zijn, kan in het midden blijven. Ook indien hier van deze uitzonderingen sprake zou zijn brengt zulks nog niet mee dat de met de premie samenhangende uitkeringen in weerwil van hetgeen in 4.7 is overwogen, zijn aan te merken als een lijfrente in de zin van artikel 1.7 van de Wet IB 2001 . De eisen met betrekking tot afkoop in artikel 1.7 van de Wet IB 2001 zijn immers strenger dan het afkoopverbod uit de pensioenwetgeving. De enkele omstandigheid dat de wetgever ter motivering van het afkoopverbod voor lijfrenten in de fiscale wetgeving heeft verwezen naar het afkoopverbod dat voor pensioenen in de Pensioen- en spaarfondsenwet heeft neergelegd, brengt niet mee dat de uitzonderingen die in laatstgenoemde wet op het verbod van afkoop worden gemaakt, ook hebben te gelden voor de toepassing van de fiscale definitie van lijfrente.

Slotsom

4.9. Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is, dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd en dat het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Staat inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 14 juli 2011 door N. van Beelen, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature