Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Beroep tegen niet tijdig nemen van een beslissing op verzoek om schadevergoeding; alsnog besluit genomen, waarbij verzoek is afgewezen: College onbevoegd om te oordelen over afwijzing onderhavige verzoek om schadevergoeding.

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1441 29 september 2011

14900 Wet autovervoer personen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (voorheen de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat), hierna: staatssecretaris,

gemachtigde: mr. M.B. Gschwind, werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 23 november 2009, bij het College binnengekomen op 1 december 2009, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek om schadevergoeding van 23 juni 2009.

Bij brief van 30 december 2009 (hierna: de schadebeslissing) heeft de staatssecretaris het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

Bij brief van 7 januari 2010 heeft appellant nadere stukken in het geding gebracht.

Bij brief van 12 januari 2010 heeft de griffier van het College appellant meegedeeld dat het beroep, op grond van het bepaalde bij artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt geacht mede te zijn gericht tegen de schadebeslissing.

Bij brieven van 24 januari 2010 en 3 februari 2010 heeft appellant nadere reacties ingediend.

Bij brief van 8 februari 2010 heeft de staatssecretaris een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 16 februari 2010 en 11 januari 2011 heeft appellant nadere reacties ingediend.

Op 14 april 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon is verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Appellant heeft bij brief van 23 juni 2009 de (toenmalige) Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister) verzocht een schadevergoeding aan hem toe te kennen vanwege – samengevat – het verlies van de waarde van zijn taxivergunning door de invoering van de Wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Wet personenvervoer voor het taxivervoer (deregulering taxivervoer) (Stb. 535; hierna ook: Wijzigingswet).

De staatssecretaris heeft op 30 december 2009 het verzoek van appellant afgewezen.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in zijn verzoek expliciet heeft aangegeven dat hij zijn verzoek richt tot de minister en niet tot de staatssecretaris.

In artikel 46, tweede lid, van de Grondwet is bepaald dat een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister optreedt. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

In de schadebeslissing heeft de staatssecretaris gesteld dat tijdens het constituerende beraad van een (nieuw) kabinet onder andere afspraken worden gemaakt over de taakverdeling tussen de minister en de staatssecretaris. Afgesproken is dat de uitvoering van de Wet personenvervoer 2000/Taxiwet tot de portefeuille van de staatssecretaris behoort en niet tot de portefeuille van de minister.

Gelet op het voorgaande ziet het College niet in dat op het aan de minister gerichte verzoek van appellant om schadevergoeding niet door de staatssecretaris kon worden gereageerd door in zijn plaats als minister op te treden. Dit betekent voorts dat de staatssecretaris in dit geding als procespartij dient te worden aangemerkt en niet, zoals appellant betoogt, de minister.

2.2 Het College overweegt met betrekking tot het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om schadevergoeding het volgende.

In artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld: het niet tijdig nemen van een besluit. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, Awb (ten tijde van belang artikel 6:12, tweede en derde lid, Awb ) kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is gesteld tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Bij brief van 5 oktober 2009 heeft appellant bij de minister bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek om schadevergoeding. Aangezien de mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit sinds de inwerkingtreding op 1 oktober 2009 van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Stb. 2009, 383; hierna: Wet dwangsom) niet langer bestaat, dient het bezwaarschrift van appellant van 5 oktober 2009 te worden aangemerkt als een schriftelijke mededeling aan de minister dat deze in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Het College stelt verder vast dat is nagelaten binnen twee weken na 5 oktober 2009 alsnog een beslissing te nemen op het verzoek van appellant om schadevergoeding. Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 6:12 Awb genoemde voorwaarden om de niet-tijdigheid te kunnen vaststellen. Daarnaast dient voor de toepasselijkheid van artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb te worden beoordeeld of tegen de gevraagde beslissing beroep zou kunnen worden ingesteld bij het College. Indien dit niet het geval zou zijn, kan ook geen beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van die beslissing. Het College overweegt hieromtrent als volgt.

Het is vaste jurisprudentie van het College dat de bestuursrechter slechts bevoegd is kennis te nemen van een beroep tegen een beslissing op een verzoek om schadevergoeding (dat niet is gebaseerd op een wettelijke of in een beleidsregel voorziene schadevergoedingsregeling), indien de gestelde schadeoorzaak een besluit is waartegen bij die rechter beroep kan worden ingesteld (zie onder meer de uitspraak van het College van 12 juli 2005, AWB 04/563, LJN: AT9216).

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Op grond van artikel 1:1, tweede lid, onder a, Awb wordt de wetgevende macht niet als bestuursorgaan aangemerkt.

Appellant stelt schade te hebben geleden door de invoering van de Wijzigingswet. Deze wet is naar de mening van appellant door onbehoorlijk bestuur tot stand gekomen. Het College begrijpt appellant aldus dat hij de wijze waarop de Wijzigingswet tot stand is gekomen als onbehoorlijk bestuur kwalificeert, omdat de wetgever (volgens appellant in de persoon van de minister) onvoldoende acht heeft geslagen op de standpunten en belangen van de verschillende beroepsorganisaties en daarnaast ook onjuiste en onvolledige informatie heeft gebruikt en verspreid. Door de invoering van de op deze wijze tot stand gekomen Wijzigingswet is zijn taxivergunning, die appellant al jarenlang exploiteerde, waardeloos geworden zonder dat hij hiervoor op enige wijze is gecompenseerd.

Het College stelt vast dat de Wijzigingswet een wet is in formele zin die weliswaar (mede) is ondertekend en ingevoerd door de minister, maar die is vastgesteld door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk, zijnde de wetgevende macht. Aangezien de wetgevende macht op grond van de Awb niet kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan, kan de Wijzigingswet niet als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt. Tegen de Wijzigingswet staat dan ook geen beroep open bij de bestuursrechter. Dit betekent dat tegen de beslissing op een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van de invoering van de Wijzigingswet – waartoe het verzoek van appellant strekt – evenmin beroep openstaat bij de bestuursrechter. Hieruit vloeit voort dat het voor appellant ook niet mogelijk is om op grond van de artikelen 6:2, aanhef en onder b, en 6:12, tweede lid, Awb beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek om schadevergoeding.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het College niet bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige beroep.

2.3 Het College wijst er tenslotte op dat aan appellant aanvankelijk door de griffier van het College is medegedeeld dat zijn beroep op grond van artikel 6:20, vierde lid, Awb wordt geacht mede te zijn gericht tegen de (reële) schadebeslissing. Indien artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb niet kan worden toegepast, kan artikel 6:20 Awb echter evenmin toepassing vinden. Door de eerder bedoelde mededeling is appellant evenwel niet benadeeld, aangezien in het voorgaande reeds is overwogen dat ook tegen de reële schadebeslissing geen beroep bij het College kan worden ingesteld.

Indien appellant vanwege de vaststelling en invoering van de naar zijn mening door onbehoorlijk bestuur tot stand gekomen Wijzigingswet een schadevergoeding wenst te verkrijgen, kan hij dit vorderen door middel van een procedure bij de burgerlijke rechter.

2.4 Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2011.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.H. Broier


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature