Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

- Heeft belanghebbende in 2007 minder dan 500 kilometer privé gereden met de aan hem door zijn werkgevers ter beschikking gestelde auto’s?

- Dient de door de Inspecteur opgelegde vergrijpboete te worden vernietigd of verminderd?

Uitspraak



GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 10/00258

uitspraakdatum: 11 oktober 2011

Uitspraak van de meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 29 oktober 2010, nummer AWB 08/2603, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, Coördinatiepunt privégebruik auto (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 een naheffingsaanslag in de loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd voor een bedrag van € 3.725. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 73. Tevens heeft de Inspecteur aan belanghebbende bij beschikking een vergrijpboete opgelegd ten bedrage van € 930.

1.2 De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 oktober 2010, verzonden op 8 november 2010, ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2011 te Leeuwarden. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende. De Inspecteur is, met telefonisch bericht van verhindering, niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft op zijn verzoek met dagtekening 30 december 2005 een “verklaring geen privégebruik auto” van de Inspecteur ontvangen, inhoudende de goedkeuring dat de werkgever van belanghebbende met ingang van 2006 geen bijtelling bij het loon van belanghebbende behoefde te berekenen in verband met een voordeel van privégebruik van de auto die de werkgever belanghebbende mede voor privégebruik ter beschikking heeft gesteld. In deze beschikking is – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“(…) Uw werkgever heeft aan u een auto ter beschikking gesteld. Artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dat als de auto in dat geval ook voor privé-doeleinden ter beschikking staat, het voordeel tot het loon behoort. Voor het voordeel van dat privé-gebruik moet uw werkgever tenminste 22% (2006) van de catalogusprijs van de auto bij uw loon tellen. Als blijkt dat u op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt, wordt het voordeel gesteld op nihil. U heeft aangegeven dat u op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt.

U moet tijdens de looptijd van deze verklaring overtuigend kunnen bewijzen dat u niet meer dan 500 kilometer privé op kalenderjaarbasis rijdt. U kunt het bewijs leveren door dagelijks een sluitende rittenregistratie bij te houden. Het is daarom raadzaam om onder andere uw rittenregistratie te bewaren. De Belastingdienst kan u om het bewijs vragen. Meer informatie over de rittenregistratie en andere bewijsmogelijkheden vindt u op www.belastingdienst.nl.

(…)

Wijziging van de feiten en omstandigheden doorgeven

Ik heb deze verklaring afgegeven op basis van de feiten en omstandigheden die in uw aanvraag zijn vermeld. Als deze feiten en omstandigheden wijzigen, moet u dat zo spoedig mogelijk schriftelijk melden aan de Belastingdienst, bijvoorbeeld als u de ter beschikking gestelde auto voor meer dan 500 kilometer in het kalenderjaar voor privé gaat gebruiken. Voor de melding kunt u gebruik maken van het Mutatieformulier verklaring geen privé-gebruik auto. (…)

Als u op het mutatieformulier aangeeft dat u in een kalenderjaar meer dan 500 kilometer privé gaat rijden dan wordt de Verklaring geen privé-gebruik auto ingetrokken. (…)

Als de verklaring met terugwerkende kracht wordt ingetrokken dan legt de Belastingdienst u een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringwet op over de verstreken tijdvakken. U moet er dan rekening mee houden dat u heffingsrente verschuldigd bent en dat de Belastingdienst u een boete kan opleggen. (…)”

2.2 Belanghebbendes werkgever heeft aan belanghebbende van 1 januari 2007 tot en met 26 januari 2007 een auto, merk Volkswagen, met kenteken 00-YY-XX en een cataloguswaarde van € 28.104 ter beschikking gesteld. Voorts heeft de andere werkgever aan belanghebbende vanaf 29 januari 2007 tot en met 31 december 2007 een auto, merk Volvo, met kenteken 01-MM-NN met een cataloguswaarde van € 41.487, ter beschikking gesteld.

2.3 Belanghebbende heeft een rittenregistratie bijgehouden teneinde aan te tonen minder dan 500 kilometer privé te hebben gereden. De rittenregistratie bestaat uit een per dag bijgehouden staat met begin- en eindstand van de kilometerteller van de auto en de plaatsnamen die op die dag zijn bezocht. Tevens is per dag aangegeven of de rit een zakelijk karakter had. Volgens de rittenregistratie heeft belanghebbende in het kalenderjaar 2007 de auto voor 469 kilometer voor privédoeleinden gebruikt. Belanghebbende heeft daarnaast een agenda bijgehouden waarin namen van personen of bedrijven zijn vermeld, al dan niet met adresgegevens of telefoonnummer.

2.4 De Inspecteur heeft naar aanleiding van een ingesteld onderzoek naar de rittenadministratie verschillen geconstateerd in de opgegeven route en het geadministreerde aantal kilometers, en heeft hiervan een overzicht gemaakt. Dit overzicht behoort tot de stukken van het geding en wordt als zodanig niet door belanghebbende bestreden. Met betrekking tot het jaar 2007 constateert de Inspecteur een verschil van 901 kilometer tussen de door belanghebbende genoteerde kilometers en de volgens de routeplanner te rijden kilometers tussen de door belanghebbende genoteerde bezochte locaties. Voorts behoort tot de stukken van het geding een stuk waaruit volgt dat op zowel 18 april 2007 als op 20 april 2007 met de onder 2.2 genoemde auto, merk Volvo, een verkeersovertreding is begaan, terwijl blijkens de rittenregistratie op die dagen niet met die auto zou zijn gereden.

2.5 In verband met de genoemde constateringen heeft de Inspecteur over 2006, 2007 en 2008 naheffingsaanslagen met boete opgelegd. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar met dagtekening 14 oktober 2008 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en boete over de tijdvakken 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 en 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 vernietigd. In deze uitspraak merkt de Inspecteur, voor zover relevant, het volgende op:

“(…) Gelet op alle feiten en omstandigheden ben ik echter tot de conclusie gekomen dat in casu de aan u opgelegde naheffingsaanslagen en de boete wegens (voorwaardelijke) opzet een te zware sanctie is, en het derhalve in dit specifieke geval te laten bij een waarschuwing. U kunt aan deze beslissing dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat ik u in een volgende vergelijkbare situatie weer in het gelijk stel. De naheffingsaanslagen en de boete worden daarom vernietigd.(…)”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

- Heeft belanghebbende in 2007 minder dan 500 kilometer privé gereden met de aan hem door zijn werkgevers ter beschikking gestelde auto’s?

- Dient de door de Inspecteur opgelegde vergrijpboete te worden vernietigd of verminderd?

3.2 Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – gestelde vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de opgelegde naheffingsaanslag en de boete.

3.3 De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – gestelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Indien door de werkgever aan de belastingplichtige ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt op grond van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet), het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 22% van de waarde van deze auto. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. Ingevolge het tweede lid van artikel 13bis van de Wet wordt, indien uit een rittenadministratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, het voordeel gesteld op nihil.

4.2 Uit de onder 4.1 vermelde wettelijke bepalingen volgt dat op belanghebbende de bewijslast rust om overtuigend aan te tonen dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. Belanghebbende heeft er, blijkens de stukken van het geding, voor gekozen om zijn bewijslast gestand te doen door het voeren van een kilometeradministratie (rittenregistratie), ondersteund door kopieën uit zijn agenda en zijn eigen verklaring.

4.3 De Inspecteur betwist dat belanghebbende met al hetgeen door hem is aangevoerd in het van hem verlangde bewijs is geslaagd, omdat de rittenregistratie op bepaalde data gebreken vertoont in de aansluiting. De Inspecteur verwijst in dat kader naar het door hem onder 2.4 genoemde overzicht. Voorts heeft de Inspecteur gewezen op twee verkeersovertredingen die zouden zijn begaan in de periode gelegen tussen 18 april en 3 mei 2007, een periode waarin volgens de rittenregistratie niet met de auto zou zijn gereden.

4.4 Naar het oordeel van het Hof toont belanghebbende met zijn verweer tegen de stellingen van de Inspecteur en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, inhoudende dat hij op de desbetreffende data heeft omgereden in verband met niet geplande bezoeken aan zakelijke relaties, welke bezoeken hij op enkele dagen niet heeft geadministreerd, niet overtuigend aan dat hij de aan hem ter beschikking gestelde personenauto voor minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. Belanghebbende heeft weliswaar verklaringen gegeven voor de door de Inspecteur geconstateerde verschillen, maar heeft deze verklaringen niet dan wel in onvoldoende mate onderbouwd met bescheiden of anderszins. Nog daargelaten de geconstateerde gereden kilometers in de periode gelegen tussen 18 april en 3 mei 2007, is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van een sluitende rittenregistratie. Dit betekent dat belanghebbende niet aan de op hem rustende (zware) bewijslast heeft voldaan. De correctie wegens privégebruik van de auto is derhalve terecht. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de correctie naar het juiste bedrag is toegepast.

4.5 Belanghebbende heeft nog een beroep gedaan op bij hem door de Inspecteur gewekt vertrouwen dat in de weg zou staan aan de naheffing van de belasting en het opleggen van de boete. Belanghebbende stelt in dat verband ten eerste dat hij de rittenregistratie sinds 2003 op dezelfde wijze heeft uitgevoerd als in het onderhavige tijdvak en dat de rittenadministraties betreffende de tijdvakken 2003 tot en met 2006 wel zijn geaccepteerd. De Inspecteur heeft dit bestreden, onder meer stellende dat belanghebbende enkel de rittenregistratie heeft toegestuurd naar de Belastingdienst, maar dat het achterwege blijven van een reactie daarop geen expliciete controle, laat staan een standpuntbepaling inhield. Het Hof is van oordeel dat de vraag of de Belastingdienst door het toesturen van de rittenregistratie in eerdere jaren daarvan kennis heeft kunnen nemen en daarmee een controle heeft kunnen uitoefenen in het midden kan worden gelaten, omdat deze omstandigheid niet van belang is voor het onderhavige geschil. Zelfs indien de Inspecteur veronderstellenderwijs belanghebbendes rittenregistratie voor de tijdvakken 2003 tot en met 2006 zou hebben aanvaard, dan volgt daaruit niet dat de rittenregistratie over het jaar 2007 eveneens gevolgd zou moeten worden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt immers dat voor in rechte te beschermen vertrouwen meer vereist is dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Ook in die situatie hangt de gerechtvaardigdheid van het vertrouwen af van de waardering van - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling (vgl. Hoge Raad 17 januari 2003, nr. 37.463, LJN BI8114). Daarenboven geldt dat het door artikel 13bis van de Wet verlangde bewijs ieder belastingjaar opnieuw geleverd moet worden, en het door de belastingplichtige geleverde bewijs ieder jaar dient te worden beoordeeld. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, kan uit het feit dat de Inspecteur het bezwaar tegen de aanvankelijk over 2006 en 2008 opgelegde naheffingsaanslagen gegrond heeft verklaard, door belanghebbende niet het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat de Inspecteur ook de naheffingsaanslag over 2007 zou vernietigen. De Inspecteur heeft met de onder 2.5 genoemde vermelding in de uitspraak op bezwaar expliciet aangegeven dat er geen vertouwen kan worden ontleend aan het vernietigen van de naheffingsaanslagen over 2006 en 2008. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

4.6 Op grond van het bepaalde in artikel 67f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de Inspecteur, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag, een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100 procent van de in het tweede lid genoemde grondslag, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn is betaald. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de grondslag gevormd door het bedrag van de naheffingsaanslag, voor zover dat bedrag als gevolg van opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald. Tevens is bepaald dat grove schuld een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid is en mede grove onachtzaamheid bevat. De bewijslast dat sprake is van een dergelijke gedragingen rust op de Inspecteur.

4.7 Nu de Inspecteur belanghebbende ervan op de hoogte heeft gesteld dat een boete zou worden opgelegd indien hij niet overtuigend zou aantonen dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt, is sprake van een onachtzaamheid die zo ernstig is dat zij in laakbaarheid aan opzet grenst. Door deze onachtzaamheid van belanghebbende heeft belanghebbendes werkgever de loonbelasting niet op aangifte afgedragen. Het Hof is van oordeel dat de opgelegde vergrijpboete van 25 procent passend en geboden is.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 11 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (E. Polak)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 oktober 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature