Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De wijziging van artikel 9.6 van het Besluit Inburgering heeft niet tot gevolg dat – in zijn algemeenheid – een gemeente kosten heeft gemaakt voor de uitvoering van de WIN waartegenover geen vergoeding staat.

De aan artikel 9.6 van het Besluit inburgering ten grondslag liggende gedachte dat dubbele bekostiging onrechtvaardig is, komt de rechtbank niet onjuist voor. Evenmin komt het de rechtbank onjuist voor dat de regelgever deze dubbele bekostiging compenseert met latere vergoedingen en meer in het bijzonder door te bepalen dat gemeenten in 2006 afgegeven verklaringen, voor zover betrekking hebbend op beschikkingen die voor 2006 zijn afgegeven, niet mogen meetellen. In de situatie dat bij een individuele gemeente het aantal verklaringen waarover in 2005 dubbele bekostiging heeft plaatsgevonden lager ligt dan het aantal in 2006 afgegeven verklaringen waarvoor als gevolg van artikel 9.6 van het Besluit inburgering geen rijksbijdrage wordt toegekend, wordt die gemeente benadeeld. Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat hij in die situatie per geval beziet of er aanleiding bestaat (een deel van) de kosten in afwijking van het Besluit inburgering alsnog voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wijze waarop de regelgever de eenmalige rijksbijdrage in zijn algemeenheid heeft vastgesteld alleen dan de rechterlijke toets doorstaan, indien verweerder het aldus door de betreffende gemeente geleden nadeel, dat wil zeggen het verschil tussen de compensatie (de in 2006 afgegeven verklaringen) en de dubbele bekostiging in 2005, volledig compenseert in de eenmalige rijksbijdrage.

Nu is volstaan met een compensatie van 75% in plaats van 100% houdt het bestreden besluit geen stand.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/17

Uitspraak van de meervoudige kamer van 7 oktober 2011

inzake

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught,

eiser,

gemachtigden R.P. Randewijk en J.H.M. van den Akker,

tegen

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

verweerder,

gemachtigde mr. R.A. van der Oord.

<b>Procesverloop</b>

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de minister van Wonen, wijken en Integratie dan wel de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Bij besluit van 15 februari 2010 heeft verweerder voor eiser de eenmalige rijksbijdrage in het kader van de Wet inburgering (Wi) over het jaar 2006 op grond van artikel 9.6 van het Besluit inburgering vastgesteld.

Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 november 2010 heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser.

Eiser heeft tegen dit besluit op 5 januari 2011 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 16 juni 2011, waar eiser is verschenen bij gemachtigden. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is of het besluit van 24 november 2010 in rechte kan standhouden.

2. De rechtbank gaat daarbij uit van het volgende.

3. Sedert de inwerkingtreding van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) in 1998 zijn gemeenten verplicht geweest nieuwkomers een inburgeringsprogramma aan te bieden. Voor de uitvoering van deze wettelijke plicht zijn gemeenten door het rijk bekostigd overeenkomstig het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers (Staatsblad 1998, 441). Tot 1 januari 2005 werd hierbij een zogenaamde t-2 bekostigingssystematiek gehanteerd: het voor de inburgering van nieuwkomers beschikbare budget werd jaarlijks over de gemeenten verdeeld naar rato van de twee jaar eerder geleverde prestaties, in termen van het aantal gestarte inburgeringsprogramma’s (door de gemeente afgegeven beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma) respectievelijk het aantal afgeronde inburgeringsprogramma’s (door een onderwijsinstelling afgegeven verklaringen). In deze systematiek bestond geen directe relatie tussen de door gemeenten geleverde prestaties met betrekking tot de inburgering van nieuwkomers en de door het rijk beschikbaar gestelde middelen. Dit systeem bood gemeenten ook de mogelijkheid om niet bestede rijksbijdragen te reserveren om eventuele fluctuaties in de instroom van nieuwkomers op te vangen.

4. Ingevolge het Besluit van 18 augustus 2005, houdende wijziging van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers in verband met een nieuwe financieringssystematiek (Staatsblad 2005, 425) geldt vanaf 1 januari 2005 voor de bekostiging van de inburgering van nieuwkomers op grond van de WIN een systeem van outputfinanciering. In dit systeem wordt de bekostiging in enig jaar bepaald door de in dat jaar geleverde prestaties met betrekking tot het aantal gestarte en het aantal afgeronde inburgeringsprogramma’s. Gemeenten ontvangen jaarlijks een voorschot, gebaseerd op de verwachte instroom van nieuwkomers en verdeeld op basis van de twee jaar eerder geleverde prestaties. Na afloop van ieder jaar wordt de definitieve rijksbijdrage bepaald op basis van de geleverde prestaties en met de vastgestelde rijksbijdrage wordt vervolgens het verleende voorschot verrekend.

5. Op 1 januari 2007 zijn in werking getreden de Wet inburgering en het Besluit inburgering (Stb. 2006, 645), welk besluit strekt tot uitvoering van de Wet inburgering.

6. Artikel 9.6 van het Besluit inburgering luidde als volgt:

1. Onze Minister stelt ambtshalve een eenmalige rijksbijdrage vast, welke wordt verstrekt aan een gemeente, niet zijnde een gemeente, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.

2. De eenmalige rijksbijdrage wordt berekend met behulp van de formule: A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] – [ ( H x { I x J } ) + ( K x { L x M } ) ].

3. In de formule, genoemd in het tweede lid, wordt voorgesteld:

– met de letter A: de eenmalige rijksbijdrage;

– met de letter B: het aantal door het college in 2006 ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs ;

– met de letter C: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot de in de letter B bedoelde verklaring;

– met de letter D: het aantal door het college in 2006 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma;

– met de letter E: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot het in de letter D bedoelde inburgeringsprogramma;

– met de letter F: het aantal door het college in 2007 en 2008 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs ;

– met de letter G: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot de in de letter F bedoelde verklaring;

– met de letter H: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor;

– met de letter I: het aantal door het college in 2006 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs ;

– met de letter J: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot de in letter I bedoelde verklaring;

– met de letter K: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor;

– met de letter L: het aantal door het college in 2005 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs ;

– met de letter M: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot de in letter L bedoelde verklaring.

7. In de Nota van toelichting van het Besluit inburgering (Stb. 2006, 645, p. 167 e.v.) staat ter toelichting op artikel 9. 6 (overgangsrecht rijksbijdrage Wet inburgering nieuwkomers) het volgende:

“Dit artikel bevat een bepaling waarmee de bekostiging van gemeenten op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) financieel wordt afgewikkeld. Deze afwikkeling bevat drie componenten: de vaststelling van de rijksbijdrage die is verleend ten behoeve van 2006, de financiering van in 2007 en 2008 af te ronden inburgeringsprogramma’s en de verdiscontering daarin van een element van «dubbele bekostiging» welke stamt uit het verleden. Hieronder wordt een en ander toegelicht.

(…)

Volgens de tot 1 januari 2005 gehanteerde t-2 systematiek zouden gemeenten die in 2003 en of in 2004 bovengemiddelde prestaties hebben geleverd hiervoor in de jaren 2005 en of 2006 een hoger aandeel in de rijksbijdrage hebben ontvangen. Door de overgang naar een systeem van outputfinanciering in 2005 verviel dit recht op een hogere rijksbijdrage. Om deze gemeenten hiervoor te compenseren, is voorzien in een overgangsbepaling op grond waarvan een aanvullende rijksbijdrage is verstrekt (artikel 12 van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers).

Aldus is bereikt dat de bekostiging door het rijk voor de periode van 1998 tot en met 2004 – gedurende welke periode de t-2 systematiek gold – volledig is afgewikkeld.

Het hiervoor genoemde element van «dubbele bekostiging» heeft zijn oorsprong in de overgang van de t-2 financieringssystematiek naar de systematiek van outputfinanciering. Immers, de in 2005 afgegeven verklaringen hebben in veel gevallen betrekking op in 2003 of in 2004 gestarte inburgeringsprogramma’s. Deze programma’s zijn in die jaren echter reeds volledig bekostigd vanuit de rijksbijdrage 2003 respectievelijk 2004 welke was gebaseerd op de oude t-2 bekostigingssystematiek. Het kabinet is van mening dat deze «dubbele bekostiging» ongerechtvaardigd is.

De uitloop van de onder de vigeur van de WIN gestarte inburgeringsprogramma’s behoeft eveneens een nadere regeling. Slechts een deel van de in 2005 en 2006 gestarte inburgeringsprogramma’s is afgerond voor 1 januari 2007, de datum van inwerkingtreding van de Wet inburgering, terwijl de bekostiging van die programma’s – conform de geldende systematiek van outputfinanciering – ten dele plaats zou moeten vinden in 2007 en 2008. Daar het artikel van de WIN dat betrekking heeft op de bekostiging van gemeenten met de inwerkingtreding van de Wet inburgering vervalt, vindt bekostiging van deze programma’s echter niet meer plaats. Het kabinet is van mening dat gemeenten op deze wijze te kort zouden worden gedaan.

Tot slot dient de op grond van de WIN voor het jaar 2006 verleende rijksbijdrage nog formeel te worden vastgesteld. Deze vaststelling wordt met dit artikel uitgesteld tot het jaar 2009. Tevens dient een verrekening plaats te vinden met het ten behoeve van 2006 verleende voorschot.

Er is voor gekozen om onder de vigeur van de Wet inburgering aan gemeenten een eenmalige aanvullende rijksbijdrage te verstrekken waarmee een oplossing wordt gevonden voor de beide hierboven uiteengezette vraagstukken: de afrekening van het jaar 2006, de dubbele bekostiging van in 2003 en 2004 gestarte WIN-inburgeringsprogramma’s en de bekostiging van de WIN-inburgeringsprogramma’s welke na 1 januari 2007 worden afgerond.

De grondslag van deze eenmalige aanvullende rijksbijdrage is gelegen in het aantal in het jaar 2006 door onderwijsinstellingen afgegeven verklaringen met betrekking tot inburgeringsprogramma’s en door het college van burgemeester en wethouders gegeven beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma, het aantal in de jaren 2007 en 2008 afgegeven verklaringen met betrekking tot inburgeringsprogramma’s, alsmede de in 2005 en 2006 afgegeven verklaringen met betrekking tot inburgeringsprogramma’s. Van die laatste verklaringen heeft een deel betrekking op de jaren 2003 en 2004, welke reeds volledig zijn bekostigd.

Derhalve wordt een nog vast te stellen percentage in mindering gebracht op het deel van de aanvullende bijdrage, namelijk dat deel van de in 2005 en 2006 afgegeven aantal verklaringen dat al is bekostigd via de rijksbijdragen 2003 en 2004.

Het kabinet verwacht dat de combinatie van deze maatregelen voor gemeenten, op macroniveau, budgettair neutraal zal uitpakken.”

8. Per 30 december 2008 is artikel 9.6 van het Besluit inburgering (Stb. 2008, 605) gewijzigd. Thans luidt deze bepaling, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Onze Minister stelt ambtshalve een eenmalige rijksbijdrage vast, welke wordt verstrekt aan een gemeente, niet zijnde een gemeente, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.

2. De eenmalige rijksbijdrage wordt berekend met behulp van de formule: A = [B x C] + [D x E].

3. In de formule, genoemd in het tweede lid, wordt voorgesteld:

– met de letter A: de eenmalige rijksbijdrage;

– met de letter B: het aantal door het college in 2006 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma;

– met de letter C: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als bedoeld in de letter B;

– met de letter D: het aantal door het college in 2006, 2007 en 2008 ontvangen afschriften, welke betrekking hebben op in 2006 aangevangen inburgeringsprogramma’s, van door het bevoegd gezag van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs , zoals dat artikel luidde op 31 december 2006;

– met de letter E: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de letter D.

9. Deze wijziging heeft tot gevolg dat verklaringen afgegeven in 2006 of in de jaren nadien, welke het resultaat zijn van in 2005 gestarte inburgeringstrajecten, niet worden vergoed.

10. In de gemeente van eiser hebben van de in 2005 gestarte inburgeraars in 2006 21 personen een verklaring (bewijs dat het inburgeringstraject is afgerond) gekregen (verweerder gaat zelf uit van 22 verklaringen). Deze verklaringen mogen volgens verweerder op grond van de in artikel 9.6, eerste en tweede lid, van het Besluit inburgering neergelegde afrekeningssystematiek niet worden meegeteld.

11. Bij besluit van 15 februari 2010 heeft verweerder voor eiser de eenmalige rijksbijdrage in het kader van de Win over het jaar 2006 vastgesteld op een bedrag van € 184.500,00. Deze bijdrage is verrekend met het voorschot van € 88.166,00 dat eiser ingevolge de Win is verleend, zodat aan eiser in totaal een bedrag van € 96.334,00 is overgemaakt.

12. Bij het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat in het geval van eiser sprake is van 7 verklaringen die in het jaar 2005 dubbel zijn bekostigd. Omdat eiser 22 verklaringen heeft moeten inleveren als compensatie voor deze dubbele bekostiging en deze verklaringen niet mogen worden meegeteld en er aldus voor eiser een totaal nadeel bestaat van 15 verklaringen, heeft verweerder besloten eiser gedeeltelijk tegemoet te komen. Volgens verweerder is geen sprake van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel indien verweerder 75% van het verschil tussen de compensatie en de dubbele bekostiging alsnog compenseert. Om die reden is verweerder overgegaan tot vergoeding van 75% van deze verklaringen à

€ 6.150,00 per verklaring. Verweerder heeft eiser alsnog een bedrag toegekend van

€ 69.187,50.

13. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en meent dat alle 21 verklaringen dienen te worden vergoed. In de eerste beroepsgrond voert eiser aan dat de wijziging van artikel 9.6 van het Besluit inburgering per 31 december 2008 onverbindend is, want in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 52 van de Wi en artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet . In de tweede en derde beroepsgrond voert eiser aan dat bedoelde wijziging onverbindend is, want in strijd is met respectievelijk het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op willekeur. In de vierde beroepsgrond voert eiser aan dat, uitgaande van artikel 9.6 van het Besluit inburgering , verweerder dit niet ontslaat van de verplichting de rijksbijdrage over 2006 vast te stellen voor de in dat jaar ontvangen verklaringen. In de vijfde beroepsgrond voert eiser ten slotte aan dat verweerder ten onrechte slechts 75% van het berekende nadeel heeft gecompenseerd.

14. De rechtbank overweegt als volgt.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de in 2005 afgegeven verklaringen (bewijs dat het inburgeringstraject is afgerond) voor zover betrekking hebbend op beschikkingen (bewijs van de start van het inburgeringstraject) die in 2003 of 2004 zijn afgegeven dubbel zijn bekostigd. Met de overgang van een t-2 systematiek naar outputfinanciering in 2005 is in 2005 het aantal beschikkingen en verklaringen 2005 afgerekend. Hierdoor zijn verklaringen afgerekend die horen bij beschikkingen 2003 en 2004, terwijl deze verklaringen voor zover betrekking hebbend op beschikkingen 2003 en 2004 al volledig waren bekostigd (volgens de oude t-2 systematiek). Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet dat onder de oude systematiek de rijksbijdrage van enig jaar was bedoeld voor de volledige bekostiging van de in dat jaar gestarte nieuwkomers. Weliswaar heeft eiser gesteld dat bij de wijziging van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers per 1 januari 2005 in artikel 11 van dat besluit een overgangsregeling is getroffen voor de verklaringen die in 2005 zijn afgegeven, maar eiser heeft niet onderbouwd dat deze bepaling de dubbele bekostiging ongedaan heeft gemaakt.

16. Uit de hiervoor weergegeven Nota van toelichting op artikel 9.6 van het Besluit inburgering blijkt dat op grond van deze bepaling een eenmalige aanvullende rijksbijdrage wordt verstrekt waarmee een oplossing wordt gevonden voor de afrekening van het jaar 2006, de dubbele bekostiging van in 2003 en 2004 gestarte inburgeringstrajecten en de bekostiging van inburgeringstrajecten die na 1 januari 2007 worden afgerond. In artikel 9.6, tweede lid, van het Besluit inburgering , zoals dat luidde v óór 30 december 2008, was een correctiefactor in de formule opgenomen om de dubbele bekostiging ongedaan te maken, waarbij de in 2006 afgegeven verklaringen van belang waren. Deze correctiefactor is nimmer ingevuld. Bij besluit van 29 december 2008 is het Besluit inburgering gewijzigd, is de berekening van de eenmalige rijksbijdrage vereenvoudigd en is de correctiefactor komen te vervallen. De in 2006 afgegeven verklaringen, welke het resultaat waren van in 2005 gestarte inburgeringstrajecten, werden niet meer betrokken bij de vaststelling van de eenmalige rijksbijdrage.

17. De aan artikel 9.6 van het Besluit inburgering ten grondslag liggende gedachte dat dubbele bekostiging onrechtvaardig is, komt de rechtbank niet onjuist voor. Evenmin komt het de rechtbank onjuist voor dat de regelgever deze dubbele bekostiging compenseert met latere vergoedingen en meer in het bijzonder door te bepalen dat gemeenten in 2006 afgegeven verklaringen, voor zover betrekking hebbend op beschikkingen die voor 2006 zijn afgegeven, niet mogen meetellen. In de situatie dat bij een individuele gemeente het aantal verklaringen waarover in 2005 dubbele bekostiging heeft plaatsgevonden lager ligt dan het aantal in 2006 afgegeven verklaringen waarvoor als gevolg van artikel 9.6 van het Besluit inburgering geen rijksbijdrage wordt toegekend, wordt die gemeente benadeeld. Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat hij in die situatie per geval beziet of er aanleiding bestaat (een deel van) de kosten in afwijking van het Besluit inburgering alsnog voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wijze waarop de regelgever de eenmalige rijksbijdrage in zijn algemeenheid heeft vastgesteld alleen dan de rechterlijke toets doorstaan, indien verweerder het aldus door de betreffende gemeente geleden nadeel, dat wil zeggen het verschil tussen de compensatie (de in 2006 afgegeven verklaringen) en de dubbele bekostiging in 2005, volledig compenseert in de eenmalige rijksbijdrage. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat die gemeenten door hen in het verleden gemaakte kosten, welke op grond van destijds geldende regelgeving voor vergoeding in aanmerking kwamen, thans niet meer vergoed kunnen krijgen. Dat, zoals verweerder heeft aangevoerd, er ook gemeenten zijn die worden bevoordeeld door toepassing van artikel 9.6 van het Besluit inburgering , namelijk die gemeenten waarbij het aantal verklaringen waarover in 2005 dubbele bekostiging heeft plaatsgevonden, hoger ligt dan het aantal in 2006 afgegeven verklaringen waarvoor geen rijksbijdrage wordt toegekend, en de regelgever de verwachting heeft uitgesproken dat de combinatie van de voorgestelde maatregelen voor gemeenten op macroniveau budgetneutraal zal uitpakken, maakt het voorgaande niet anders.

18. Uit het voorgaande vloeit voort dat geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op willekeur. De tweede en derde beroepsgrond van eiser falen derhalve. Anders dan eiser heeft aangevoerd heeft de wijziging van artikel 9.6 van het Besluit Inburgering niet tot gevolg dat – in zijn algemeenheid – een gemeente kosten heeft gemaakt voor de uitvoering van de WIN waartegenover geen vergoeding staat. Van strijd met hogere regelgeving en meer in het bijzonder artikel 52 van de Wi en artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet is dan ook geen sprake, zodat ook de eerste beroepsgrond van eiser faalt.

19. De rechtbank deelt dus niet het standpunt van eiser dat artikel 9.6 van het Besluit inburgering onverbindend is.

20. Evenmin deelt de rechtbank het in de vierde beroepsgrond van eiser weergegeven standpunt dat, uitgaande van artikel 9.6 van het Besluit inburgering , verweerder dit niet ontslaat van de verplichting de rijksbijdrage over 2006 vast te stellen voor de in dat jaar ontvangen verklaringen. Uit onderhavige besluitvorming volgt genoegzaam dat met de vaststelling van de op grond van artikel 9.6 van het Besluit inburgering vastgestelde eenmalige rijksbijdrage, is beslist op de rijksbijdrage over 2006. De vierde beroepsgrond treft dus geen doel.

21. Met betrekking tot de vijfde beroepsgrond, inhoudende dat ten onrechte slechts 75% van het berekende nadeel is gecompenseerd, overweegt de rechtbank als volgt.

22. Tussen partijen is niet in geschil dat in 2005 7 verklaringen zijn uitgereikt behorend bij de in 2003 of 2004 afgegeven beschikkingen. Verweerder is in het bestreden besluit uitgegaan van 22 verklaringen, terwijl eiser heeft aangegeven dat het gaat om 21 ingeleverde verklaringen die niet als compensatie hadden mogen dienen. Ter zitting is onweersproken door eiser gesteld dat het gaat om 21 verklaringen, zodat de rechtbank van dit aantal uitgaat. Het voorgaande in aanmerking genomen had verweerder in het bestreden besluit niet kunnen volstaan met een compensatie van 75% van het verschil tussen de compensatie (de 21 in 2006 afgegeven verklaringen) en de dubbele bekostiging in 2005 (7 verklaringen), maar had verweerder eiser volledig moeten compenseren.

23. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank zal bepalen dat verweerder volledig tegemoetkomt in de door eiser gemaakte kosten. Verweerder heeft eiser een bedrag toegekend van € 69.187,50 (15 verklaringen à € 6.150,00 per verklaring x 75%), terwijl dit bedrag € 86.100,00 had moeten zijn (14 verklaringen à € 6.150,00). Verweerder dient dus nog een bedrag van € 16.912,50 aan eiser te vergoeden. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid aanhef en onder c, van de Awb zal de rechtbank bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.

24. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling omdat geen sprake is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De werkzaamheden van de gemachtigden van eiser vallen niet onder de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank ziet wel aanleiding te bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ter hoogte van € 298,00 dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder niet de volledige kosten heeft gecompenseerd ;

- bepaalt dat de tegemoetkoming in de kosten van de 21 ingeleverde verklaringen 100% bedraagt en draagt verweerder op het resterende bedrag van € 16.912,50 aan eiser te betalen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ter hoogte van € 298,00.

Aldus gedaan door mr. J.H.L.M. Snijders als voorzitter en mr. E.M. de Stigter en mr. A. Venekamp als leden in tegenwoordigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature