Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 21 augustus 2009 heeft de minister van Justitie het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 10 december 2009 heeft de minister van Justitie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak



201101598/1/V6.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2010 in zaak nr. 10/321 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2009 heeft de minister van Justitie het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 10 december 2009 heeft de minister van Justitie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. P. Scholtes, advocaat te 's-Gravenhage, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.

2.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, onder b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap , voor zover thans van belang, verstrekt de verzoeker met betrekking tot zichzelf bij de indiening van het naturalisatieverzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geboortedatum.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de paragrafen 3.5.3 en 3.5.4 van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding), voor zover thans van belang, worden, indien overgelegde buitenlandse akten van de burgerlijke stand ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie kunnen worden geaccepteerd als brondocument voor de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA), deze documenten ook aanvaard voor de verlening van het Nederlanderschap. Immers, in de regel vindt de verlening van het Nederlanderschap plaats op basis van de inschrijving in de GBA. Indien reeds in het verleden gelegaliseerde (en soms tevens geverifieerde) documenten zijn overgelegd en verwerkt in de GBA of in een akte van de burgerlijke stand in Nederland, wordt afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Echter, ingeval van op goede gronden gerezen twijfel, dienen opnieuw originele gelegaliseerde documenten te worden overgelegd.

2.3. Aan het besluit van 10 december 2009, gelezen in samenhang met het besluit van 21 augustus 2009, heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit door de minister van Buitenlandse Zaken uitgevoerd verificatieonderzoek naar door [appellant] overgelegde geboorteaktes van 4 augustus 1998 en 22 maart 2001 is gebleken dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de daarin vermelde gegevens. Weliswaar is [appellant] thans in de GBA ingeschreven op basis van een latere geboorteakte van 10 november 2004, maar deze geboorteakte wijkt inhoudelijk niet af van de geboorteakte van 22 maart 2001. Nu hiermee de identiteit van [appellant] niet vaststaat en geen sprake is van feiten en omstandigheden die grond vormen hieraan voorbij te gaan, komt hij niet in aanmerking voor het Nederlanderschap, aldus de minister.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat moet worden getwijfeld aan zijn identiteit. Hiertoe voert hij aan dat de afwijkingen die tijdens het verificatieonderzoek van de minister van Buitenlandse Zaken zijn aangetroffen gering zijn en dat de afwijkende gegevens bovendien niet juist kunnen zijn. Zo wijst hij erop dat de in de geboorteakte van 4 augustus 1998 vermelde geboortedatum niet juist kan zijn, omdat hij destijds reeds op de Primary School was ingeschreven. Verder is in de registratie van een andere door hem bezochte school, de State Boys Middle School, zijn juiste naam en geboortedatum vermeld. Van de geboortedatum vermeld in de registratie van de door hem bezochte Toase Secundary School, kan niet worden uitgegaan, omdat hij ten tijde van de registratie op die school niet verzorgd werd door een ouder en die geboortedatum niet valt op een woensdag, hetgeen zijn naamdag is. Voorts is op de geboorteakte van 4 augustus 1998 abusievelijk de naam van zijn stiefvader vermeld. De rechtbank heeft niet onderkend dat indien de minister twijfelde aan zijn afstammingsgegevens, een DNA-onderzoek kon worden verricht, aldus [appellant].

2.4.1. Bij besluit van 25 juni 1999 heeft de minister van Buitenlandse Zaken, onder verwijzing naar verificatieonderzoek, geweigerd een door [appellant] overgelegde geboorteakte van 4 augustus 1998, waarin als naam van de [vader A] en als geboortedatum 26 augustus 1970 is vermeld, te legaliseren.

Bij besluit van 31 augustus 2001 heeft voormelde minister, onder verwijzing naar verificatieonderzoek, geweigerd de geboorteakte van 22 maart 2001, waarin als naam van de [vader B] en als geboortedatum 26 augustus 1964 is vermeld, te legaliseren. De conclusies van het verificatieonderzoek naar deze geboorteakte, zoals weergegeven in een brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2002, zijn dat in registers van de door [appellant] bezochte scholen verschillende geboortedata van hem zijn vermeld, dat uit die registers volgt dat ook de gegevens met betrekking tot de afstamming naar vaders zijde niet eenduidig zijn en dat op deze geboorteakte een andere naam van zijn vader en geboortedatum zijn vermeld dan op de geboorteakte van 4 augustus 1998. Bij besluit van 25 februari 2003 is het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Uit dit besluit volgt onder meer dat uit het verificatieonderzoek ook naar voren is gekomen dat in één van de door [appellant] bezochte scholen zijn naam en geboortedatum op een later moment in het register zijn ingevoegd.

Bij besluit van 8 december 2004 is een geboorteakte van 10 november 2004 gelegaliseerd. Op basis van deze geboorteakte is [appellant] ingeschreven in de GBA.

2.4.2. Gelet op de hiervoor onder 2.4.1 weergegeven conclusies van het verificatieonderzoek naar de geboorteakte van 22 maart 2001, die inhoudelijk niet wezenlijk afwijkt van die van 10 november 2004, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] zijn gestelde identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. In de door hem overgelegde geboorteaktes zijn twee verschillende geboortedata en twee verschillende namen van zijn vader vermeld. Bovendien komen beide geboortedata niet overeen met een geboortedatum vermeld in de registratie van een door [appellant] opgegeven school. De omstandigheid dat [appellant] in de GBA is ingeschreven op basis van de geboorteakte van 10 november 2004 en hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ter verklaring van de afwijkende gegevens, zijn onvoldoende voor een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] zelf meerdere van elkaar afwijkende geboorteaktes heeft overgelegd en in de onderhavige procedure geen uit het land van herkomst afkomstige stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van de door hem gestelde identiteitsgegevens.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het belang van de minister bij zekerheid omtrent de identiteitsgegevens niet opweegt tegen het belang van [appellant] bij het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit. Hiertoe voert hij aan dat hij nimmer in staat zal zijn de ontstane twijfel weg te nemen. [appellant] wijst verder op een volgens hem gelijksoortige naturalisatiezaak waarin van de aanvrager na verificatieonderzoek eveneens twee geboortedata van de aanvrager bekend waren, maar, na een belangenafweging, hieraan voorbij is gegaan.

2.5.1. Daargelaten of sprake is van de door [appellant] gestelde bewijsnood, heeft de minister, gelet op de aan het Nederlanderschap verbonden gevolgen, het belang van de vaststelling van de juiste identiteit van bijzonder gewicht kunnen achten en de gevolgen van de twijfel daaromtrent niet ten onrechte voor rekening van [appellant] gelaten. Het beroep op de andere naturalisatiezaak slaagt niet, nu de minister onbestreden heeft gesteld dat in die zaak geen twijfel bestond over de afstamming en niet aantoonbaar gegevens waren gewijzigd in een schoolregister.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. den Dulk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Den Dulk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

565.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature