Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 25 januari 2010 heeft de RDW de tenaamstelling voor het voertuig met het kenteken […] (hierna: het voertuig) met ingang van 14 januari 2010 laten vervallen.

Bij besluit van 31 maart 2010 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak



201102143/1/H3.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011 in zaak nr. 10/1322 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW).

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2010 heeft de RDW de tenaamstelling voor het voertuig met het kenteken […] (hierna: het voertuig) met ingang van 14 januari 2010 laten vervallen.

Bij besluit van 31 maart 2010 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2011, verzonden op 18 januari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 14 maart 2011.

De RDW heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur regels vastgesteld omtrent het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister.

Ingevolge artikel 40, tweede lid, van het Kentekenreglement kan degene die naar zijn mening ten onrechte als te naam gestelde in het register is vermeld, de RDW verzoeken de tenaamstelling te doen vervallen. De RDW gaat over tot het doen vervallen van de tenaamstelling indien hiervoor naar het oordeel van deze dienst voldoende gronden aanwezig zijn.

2.2. De RDW heeft het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard, omdat hem geen eerder verzoek om het laten vervallen van de tenaamstelling van het voertuig bekend is dan dat van 7 januari 2010. Verder voert de RDW het beleid dat een tenaamstelling niet met terugwerkende kracht vervallen wordt verklaard, aldus het besluit van 31 maart 2010.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij eerder dan 7 januari 2010 heeft verzocht om de tenaamstelling van het voertuig te laten vervallen. Hij heeft met het overleggen ter zitting van een verzendbewijs van aangetekende verzending de verzending van zijn brief van 26 maart 2009 aannemelijk gemaakt en de RDW heeft de juistheid van dit verzendbewijs niet gemotiveerd weersproken, aldus [appellant]. Ook heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte overwogen dat de brief van de RDW van 9 september 2010 die hij heeft overgelegd een vervalsing is. De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat de verklaringen van [belanghebbende] van [bedrijf] en zijn begeleider bij een stichting voor mensen met een verstandelijke beperking, waaruit volgt dat hij eerder de RDW heeft verzocht om de tenaamstelling van het voertuig te laten vervallen, onvoldoende verifieerbaar zijn, aldus [appellant]. De twee verklaringen zijn volgens hem onafhankelijk van elkaar afgelegd.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij de brief van 26 maart 2009 aan de RDW heeft verzonden. Zij heeft op goede gronden het ter zitting van de rechtbank overgelegde verzendbewijs daartoe onvoldoende geacht, omdat [appellant] eerder een ander verzendbewijs heeft overgelegd waarvan de RDW gemotiveerd aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet bij de brief van 26 maart 2009 behoort en [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ter zitting bij de rechtbank overgelegde verzendbewijs wel bij die brief behoort.

De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat de brief van de RDW van 9 september 2010 die [appellant] heeft overgelegd, evident een vervalsing is. De data en het kenteken […] die in de tekst van de brief zijn vervat wijken opvallend af in grootte van de rest van de tekst. Daarnaast zijn de groottes van de cijfers van één van de in de brief genoemde data niet gelijk en sluiten de betreffende cijfers niet op elkaar aan. De RDW heeft verder gemotiveerd betoogd dat de brief niet door hem verzonden kan zijn, omdat de brief is gedateerd in de toekomst en de datum van de brief niet overeenkomt met de datum van de aanvang van de schorsing van de tenaamstelling, hetgeen volgens hem niet mogelijk is bij een brief die is aangemaakt met zijn geautomatiseerde systemen. Verder heeft de RDW gemotiveerd betoogd dat de barcode op de brief van 9 september 2010 die [appellant] heeft overgelegd behoort bij een brief van de RDW die over een ander kenteken handelt dat niet op naam van [appellant] staat of heeft gestaan en die brief voorts een andere datum van verzending en een andere inhoud heeft.

Voorts heeft de rechtbank met juistheid aan de verklaringen die [appellant] heeft overgelegd niet het gewicht toegekend dat hij eraan toegekend wilde zien. De rechtbank heeft hiervoor terecht van belang geacht dat de verklaringen niet verifieerbaar zijn en ook niet worden ondersteund door nader bewijs.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem geen verwijt te maken valt ten aanzien van de tenaamstelling van het voertuig. Zijn identiteit is gebruikt om voertuigen op zijn naam te zetten en daarvan heeft hij ook twee keer aangifte gedaan. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] niet gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat de situatie waarin hij zich bevindt niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt die noopt tot afwijking van het beleid van de RDW.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 december 2005 in zaak nr. 200503012/1 en 18 november 2009 in zaak nr. 200901776/1; www.raadvanstate.nl), kan niet worden geoordeeld dat het door de RDW gevoerde beleid om in beginsel geen terugwerkende kracht te verlenen aan met toepassing van artikel 40 van het Kentekenreglement genomen besluiten, inhoudende de vervallenverklaring van de tenaamstelling van een voertuig, niet redelijk is. De zuiverheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid met betrekking tot de tenaamstelling rechtvaardigen een dergelijk beleid.

2.4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gegeven dat de identiteit van [appellant] zou zijn gebruikt om het voertuig op zijn naam te zetten, onvoldoende is om als bijzondere omstandigheid aan te merken die voor de RDW aanleiding had moeten zijn om van zijn beleid af te wijken en heeft daarbij terecht betrokken dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem daarover in het geheel geen verwijt valt te maken. De aangiftes bij de politie waarnaar hij verwijst zijn daartoe onvoldoende, temeer daar die aangiftes niet hebben geleid tot vervolging. Ook het gegeven dat hij een klaagschrift heeft ingediend over het niet vervolgen naar aanleiding van die aangiftes en dat het gerechtshof te ’s-Gravenhage aanleiding heeft gezien de behandeling van het klaagschrift aan te houden teneinde een getuige te horen is daartoe onvoldoende, nu ook hieruit niet volgt dat [appellant] geen enkel verwijt valt te maken over de tenaamstelling van het voertuig.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

176-622.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature