Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

1) Afwijzing verzoek om terug te komen van in rechte onaantastbare intrekking WAO-uitkering. Niet onderbouwd met meische gegevens. Geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden. 2) Weigering WAO-uitkering. Geen toegenomen arbeidsongeschiktheid. Deugdelijke medische grondslag.

Uitspraak



11/763 WAO en 11/919 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 januari 2011, zoals gerectificeerd op 28 januari 2011, 09/2362 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 5 januari 2011, 08/6683 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Beide zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting op 20 juli 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.I. Zaad, kantoorgenoot van mr. De Boorder. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving vanwege bij haar bestaande lichamelijke klachten vanaf september 1997 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 2 mei 2005 is deze uitkering per 30 juni 2005 ingetrokken. Dit besluit staat in rechte vast.

1.2. Op 1 juni 2006 heeft appellante verzocht om terug te komen van het besluit van 2 mei 2005. Bij besluit van 24 september 2008 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 18 februari 2009 (hierna: bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 september 2008 ongegrond verklaard.

1.3. Appellante heeft zich voorts per 6 december 2007 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens een op die datum geplande operatieve ingreep in verband met het carpaal tunnel syndroom (CTS) links. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 2 april 2008 aan appellante meegedeeld dat zij geen recht heeft op een

WAO-uitkering. Bij besluit van 5 september 2008 (hierna: bestreden besluit 2) is het bezwaar van appelante tegen het besluit van 2 april 2008 ongegrond verklaard, omdat zij per 3 januari 2008 (vier weken gerekend vanaf 6 december 2007) in staat wordt geacht de geduide functies te verrichten.

2.1. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad, overwogen dat de rechterlijke toetsing zich beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het eerdere besluit te herzien. Het eerste deel van deze vraag heeft de rechtbank ontkennend beantwoord.

2.2. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden. Onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Raad heeft de rechtbank geoordeeld dat een nader arbeidskundig onderzoek niet nodig is.

3. In hoger beroep heeft appellante in beide zaken aangevoerd dat haar medische situatie ondanks de operaties niet is verbeterd. Appellante heeft in hoger beroep een schrijven ingebracht van 1 november 2010 van radioloog E.G. Coerkamp en een schrijven van 20 juni 2011, van Benoit Seydoux DC van chiropractiepraktijk Advanced Studio. Appellante heeft in beide zaken verzocht een deskundige te benoemen.

4. De Raad overweegt als volgt.

11/919 (bestreden besluit 1)

4.1. Overeenkomstig het door de rechtbank met juistheid aangehaalde beoordelingskader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.2. De Raad constateert dat appellante haar verzoek om terug te komen van het besluit van 2 mei 2005 niet heeft onderbouwd met medische stukken. De in hoger beroep overgelegde brieven van radioloog Coerkamp en van de chiropractiepraktijk zien niet op de datum in geding en kunnen niet als nova worden aangemerkt. De Raad wijst er voorts op dat bij een verergering van klachten na 30 juni 2005 niet gesproken kan worden van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.3. Het Uwv was gelet op het overwogene onder 4.1 en 4.2 bevoegd om met toepassing van artikel 4:6 van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met een verwijzing naar het besluit van 2 mei 2005. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak 1 komt voor bevestiging in aanmerking.

11/763 (bestreden besluit 2)

4.4. Toekenning van een WAO-uitkering na een verkorte wachttijd in een situatie als beschreven in 1.3 kan plaatsvinden met toepassing van artikel 43a van de WAO . Hiervoor is het noodzakelijk dat sprake is van een toename van de medische beperkingen, resulterend in de toename van de arbeidsbeperkingen.

4.5. De Raad heeft in hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd geen redenen gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusie daarvan. Verzekeringsarts T.J. Elbertsen heeft appellante op 15 februari 2008 onderzocht en heeft vastgesteld dat haar beperkingen als gevolg van de operatieve ingreep (CTS) op 6 december 2007 tijdelijk waren toegenomen, doch dat van die toename na de termijn van vier weken geen sprake meer was. De verzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij behandelend neurochirurg

R. Walchenbach. In de informatie van de neurochirurg komt naar voren dat appellante bij controle op 29 januari 2008 heeft gemeld dat de operatie had geholpen en dat de tintelingen vrijwel waren verdwenen en dat zij op 19 februari 2008 terugkwam met klachten aan de hele arm, welke klachten toen één week bestonden. In een schrijven van 7 april 2008 heeft de neurochirurg gemeld dat een EMG en echo van de N.medianus onveranderde waarden lieten zien ten opzichte van eerdere onderzoeken.

De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante onderzocht en in de rapportage van 7 augustus 2008 aangegeven de bevindingen van de verzekeringsarts te onderschijven. Het toestandsbeeld van appellante bij de herziening van de WAO-uitkering per 30 juni 2005 werd bepaald door een capsulair beeld van de linker schouder alsmede tintelingen in de vingers te relateren aan CTS links. Eerst per 19 februari 2008 heeft appellante klachten in de hele linker arm aangegeven. Het beeld is niet te relateren aan de CTS-ingreep op 6 december 2007, hetgeen is bevestigd door de ongewijzigde bevindingen in het CTS gebied (echo en EMG).

De Raad heeft in hetgeen van de kant van appellante in hoger beroep naar voren is gebracht geen grond gevonden om dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Voorts kan uit de gedingstukken niet worden afgeleid dat de arbeidsongeschiktheid van appellante in 2005 reeds (mede) werd veroorzaakt door versleten nekwervels. De Raad is van oordeel dat de door appellante in hoger beroep ingebrachte (medische) gegevens geen ander licht werpen op haar medische situatie op de datum in geding. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit 2 berust op een deugdelijke medische grondslag en ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.6. Met juistheid heeft de rechtbank voorts overwogen dat het in een situatie als in geding, waarin geen sprake is van een toename van beperkingen, niet noodzakelijk is dat een arbeidskundig onderzoek plaatsvindt.

4.7. Uit de overwegingen 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 2 dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature