Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdachte kan verweten worden dat hij zonder (voldoende) te kijken het portier van zijn auto heeft geopend. Verdachte heeft een verkeersfout begaan, maar de rechtbank acht het handelen van verdachte niet dusdanig, dat kan worden gesproken van aanmerkelijk onvoorzichtig dan wel onoplettend in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 . Vrijspraak.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/610033-11

Datum uitspraak: 6 oktober 2011

Tegenspraak

Promis

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 22 september 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. van Geloven en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.W. Stok, advocaat te Delft, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 september 2010 te Delft als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), welk motorrijtuig door hem tot stilstand was gebracht op de weg, de Ezelsveldlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, het voorportier van dat motorrijtuig te openen en/of geopend te houden, waardoor een aldaar links naast hem rijdende fietsster de vrije doorgang werd belemmerd, tengevolge waarvan die fietsster (te weten: [X]) tegen dat geopende portier is gebotst en ten val is gekomen, waardoor een ander (genaamd [X]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en/of een fractuur van een vinger, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

3. Het bewijs

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 28 september 2010 in Delft aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gehandeld in het verkeer als gevolg waarvan een ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en een gebroken vinger, heeft opgelopen.

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat uit de brief van [neurochirurg], neurochirurg bij het Medisch Centrum Haaglanden d.d. 24 januari 2011 weliswaar volgt dat bij het slachtoffer letsel is geconstateerd, doch dat hieruit onvoldoende kan worden opgemaakt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel als gevolg van het ongeval. Het dossier biedt hiervoor overigens geen andere aanknopingspunten. Voorts heeft de raadsman betwist dat bij verdachte sprake was van roekeloos, dan wel zeer, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat op het moment dat het slachtoffer het portier van de auto raakte, verdachte het portier niet geheel had geopend. Bovendien kwam de rand van het portier op dat moment niet over de scheidslijn tussen het fietspad en de laad- en loshaven alwaar verdachte zijn auto, uiterst rechts tegen de stoeprand, geparkeerd had. In dat kader dient overigens rekening te worden gehouden met een vorm van medeschuld bij het slachtoffer, van wie ook oplettendheid verwacht mag worden. Gelet op het voorgaande dient verdachte van het hem tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Verdachte wordt een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 verweten. Hiervoor geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid.

Vast staat dat verdachte zijn auto op 28 september 2010 op de Ezelsveldlaan in Delft langs het fietspad had geparkeerd op een daarvoor bestemde laad- en losplaats. Verdachte heeft vervolgens het linker voorportier van zijn auto geopend op het moment dat mevrouw [X] op haar fiets langs de linkerzijde van de auto reed. Zij is vervolgens in botsing gekomen met het portier, over de kop geslagen en ten val gekomen. Gelet op haar medische toestand is zij direct hierna naar het ziekenhuis vervoerd, alwaar zij met spoed is geopereerd wegens bloedingen in haar hoofd. Voorts is als letsel een gebroken vinger geconstateerd.

Bij de politie heeft verdachte op 28 september 2010 verklaard dat hij zonder in zijn linker buitenspiegel te kijken zijn voorportier heeft geopend. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet meer weet of hij in zijn (binnen)spiegel(s) heeft gekeken alvorens zijn portier te openen. De rechtbank houdt verdachte aan zijn verklaring zoals hij die bij de politie heeft afgelegd. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar, omdat dit verhoor direct na het ongeval heeft plaatsgevonden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat men, vanwege de in acht te nemen zorgvuldigheid in het verkeer, goed om zich heen dient te kijken om te controleren of er achterop- of tegemoetkomend verkeer is, alvorens het portier van een auto te openen. Dit heeft verdachte niet gedaan.

Gelet op het voorgaande kan verdachte aldus worden verweten dat hij zonder (voldoende) te kijken het portier van zijn auto heeft geopend. Verdachte heeft zich hiermee weliswaar gedragen in strijd met voornoemde gedragsnorm en aldus een verkeersfout begaan, maar gelet op de aard van de verkeersovertreding en de gegeven omstandigheden, acht de rechtbank, mede gelet op jurisprudentie dienaangaande (zie o.a. HR 1 juni 2004, LJN-nummer AO5822), het handelen van verdachte niet dusdanig, dat kan worden gesproken van aanmerkelijk onvoorzichtig dan wel onoplettend in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

4. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.C. Bruining, voorzitter,

mr. H.J.M. Smid-Verhage en mr. J.J. Peters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.M. van Heemst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature