Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 6 juli 2009 heeft de minister [appellant] verplicht om de aanleg en instandhouding op zijn perceel van een elektriciteitskabel, een gasleiding en een walkast ten behoeve van een woonboot aan de Sweilandpolder in de gemeente Teylingen te gedogen.

Uitspraak



201012622/1/H3.

Datum uitspraak: 28 september 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Warmond, gemeente Teylingen,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 17 november 2010 in zaak nr. 09/8242 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2009 heeft de minister [appellant] verplicht om de aanleg en instandhouding op zijn perceel van een elektriciteitskabel, een gasleiding en een walkast ten behoeve van een woonboot aan de Sweilandpolder in de gemeente Teylingen te gedogen.

Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beschikking van 2 februari 2010 in zaak nr. 200.042.909/01 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage een verzoek van [appellant] om vernietiging van het besluit van 6 juli 2009 afgewezen.

Bij uitspraak van 17 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 juli 2011.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.F. Koster, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Divis-Stein, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht , voor zover thans van belang, kan, wanneer ten behoeve van openbare werken, die ingevolge een door het openbaar gezag verleende concessie worden of zijn tot stand gebracht, terwijl het openbaar belang is erkend, of waarvan het algemeen nut uitdrukkelijk bij de wet is erkend, een werk nodig is, waarvoor duurzaam of tijdelijk gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, ieder die enig recht heeft ten aanzien van die zaken, behoudens recht op schadevergoeding, worden verplicht te gedogen dat zodanig werk wordt aangelegd en in stand gehouden, indien de belangen van de rechthebbenden naar het oordeel van de minister redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor de aanleg en de instandhouding van het werk nodig is.

Ingevolge artikel 2, vijfde lid, kan, indien geen overeenstemming is verkregen, een verplichting, als bedoeld in artikel 1, bij met redenen omklede beslissing van de minister, gehoord gedeputeerde staten van de provincie, waarin de zaak is gelegen, zo nodig onder voorwaarden te stellen aan de verzoeker, worden opgelegd.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover thans van belang, kan ieder die enig recht heeft ten aanzien van de onroerende zaak aan het Gerechtshof binnen het gebied waar de onroerende zaak is gelegen vernietiging van de gedoogplichtbeslissing verzoeken op grond dat daarbij ten onrechte is geoordeeld, hetzij dat de belangen van de rechthebbenden ten aanzien van die zaak redelijkerwijze onteigening niet vorderen, hetzij dat in het gebruik van die zaak niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijze voor de aanleg, de instandhouding, de verandering of de overbrenging van het werk nodig is.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Elektriciteitswet 1998 wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder aansluiting verstaan: één of meer verbindingen tussen een net en een onroerende zaak, als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken , dan wel tussen een net en een ander net op een ander spanningsniveau.

Ingevolge die aanhef en onder i wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder net verstaan: één of meer verbindingen voor het transport van elektriciteit en de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt een net dat door een netbeheerder is of wordt aangelegd, hersteld, vernieuwd of uitgebreid in het voor hem vastgestelde gebied, voor de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, voor zover thans van belang, is de netbeheerder verplicht degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Gaswet wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder gastransportnet verstaan: niet tot een gasproductienet behorende, met elkaar verbonden leidingen of hulpmiddelen bestemd of gebruikt voor het transport van gas, met inbegrip van landsgrensoverschrijdende leidingen, hulpmiddelen en installaties, waarmee dat transport ondersteunende diensten worden verricht, behoudens voor zover deze leidingen en hulpmiddelen zijn gelegen binnen de installatie van een afnemer.

Ingevolge artikel 39a, voor zover thans van belang, wordt een gastransportnet dat door een netbeheerder in het kader van de uitoefening van zijn taak in werking gehouden, onderhouden of ontwikkeld wordt, voor de toepassing van de Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbaar werk van algemeen nut.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister de Belemmeringenwet Privaatrecht terecht van toepassing heeft geacht. Volgens haar maken de elektriciteitskabel, de gasleiding en de walkast deel uit van het net, zodat deze ingevolge onderscheidenlijk artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 39a van de Gaswet voor de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht als openbaar werk van algemeen nut worden aangemerkt. De netbeheerder heeft de gedoogprocedure gestart, omdat [appellant] geen toestemming voor de aanleg van deze werken via zijn perceel verleent. Dit heeft op 6 juli 2009 geleid tot oplegging van een gedoogplicht aan [appellant] krachtens artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht , aldus de rechtbank.

Zij heeft [appellant] niet gevolgd in zijn betoog dat de aansluitplicht niet mag worden opgelegd ten behoeve van een roerende zaak, als de woonboot er een is. Daartoe heeft zij overwogen dat de netbeheerder ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 verplicht is degene die daarom verzoekt van een aansluiting op het door hem beheerde net te voorzien. Weliswaar wordt ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, onder aansluiting één of meer verbindingen tussen een net en een onroerende zaak verstaan, maar volgens de Evaluatie Elektriciteitswet 1998 en Gaswet (Kamerstukken II 2002/03, 28 254, nr. 2, p. 51-52; hierna: de Evaluatie) moet het overdrachtspunt - in dit geval de walkast tussen het net van de netbeheerder en de installatie van de woonbooteigenaar - op een onroerende zaak liggen. Dit hoeft niet de onroerende zaak van de afnemer te zijn. In de Evaluatie wordt daarbij weliswaar het voorbehoud gemaakt dat de eigenaar van de onroerende zaak toestemming moet geven, maar dit voorbehoud doet niet af aan de uitdrukkelijke erkenning van het recht op aansluiting voor een woonboot, aldus de rechtbank.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister de Belemmeringenwet Privaatrecht in dit geval niet mocht toepassen, nu hij als eigenaar van het perceel, waarop de netbeheerder de werken ten behoeve van de woonboot wil aanleggen, daarvoor geen toestemming heeft verleend. Hij voert daartoe aan dat de minister volgens de Evaluatie heeft verklaard dat afnemers die niet over een onroerende zaak beschikken, de beschikking kunnen hebben over een aansluiting op het net, die op een onroerende zaak van een ander wordt gevestigd, maar de eigenaar van die onroerende zaak daarvoor in dat geval toestemming moet verlenen. De door de rechtbank vermelde erkenning van het recht op aansluiting op het net ziet op de verplichting van de netbeheerder om degene die daarom verzoekt van een aansluiting te voorzien. Die verplichting laat onverlet dat de minister alleen tot aanleg van de aansluiting op een onroerende zaak van een ander dan de afnemer kan besluiten, indien de eigenaar van die zaak daarmee heeft ingestemd, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de rechtbank - in hoger beroep onbestreden - heeft overwogen, geldt de aansluitplicht ook voor een woonboot en kan een werk ten behoeve van de aansluiting op een onroerende zaak van een ander dan de afnemer liggen. De rechthebbende die daarvoor geen toestemming verleent kan krachtens artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht door de minister verplicht worden te gedogen dat de aansluiting op de aan hem toebehorende onroerende zaak wordt aangelegd en in stand gehouden, wanneer aan de in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht daarvoor gestelde eisen wordt voldaan. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden in het bij haar aangevoerde geen reden gevonden voor het oordeel dat niet aan het bij voormeld artikel 1 gestelde vereiste, dat het werk noodzakelijk is, is voldaan. Zij is met juistheid tot het oordeel gekomen dat de minister aan [appellant] een gedoogplicht mocht opleggen, als hij heeft gedaan, toen deze geen toestemming verleende om de werken ten behoeve van de woonboot op zijn perceel aan te leggen. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011

280-598.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature