Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

EU-staat vormt geen novum, maar als uitzetting dreigt staat weg van 72(3) open.

De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat een EU-staat, die volgens paragraaf A4/4.2.2 van de Vc 2000 wordt afgegeven door de Nederlandse overheid, geen document is als bedoeld in paragraaf C4/3.6.2 van de Vc 2000. Deze wordt immers niet afgegeven door de autoriteiten van het land van herkomst en is bedoeld als eenmalig reisdocument bij de terugkeer naar het land van herkomst of een ander land. De vreemdeling kan met dit document derhalve zijn nationaliteit niet aantonen, zodat zich in zoverre geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid voordoet. Gelet hierop en gezien het in 2.1.2. weergegeven beoordelingskader, behoeft de vraag of op voorhand is uitgesloten dat de Iraakse nationaliteit van de vreemdeling aan de eerdere besluiten kan afdoen, geen bespreking. Het vorenstaande laat onverlet dat de vreemdeling, indien hij daadwerkelijk wordt uitgezet naar Irak, hetgeen thans niet vaststaat, daartegen ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar kan maken, waarbij hij zijn vrees om vanwege zijn geloof te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM alsmede de algehele veiligheidssituatie in Irak aan de orde kan stellen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201103084/1/V2.

Datum uitspraak: 20 september 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 4 maart 2011 in zaak nrs. 11/3730 en 11/3732 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt in de grieven, in onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat, nu er een EU-staat is opgemaakt voor de vreemdeling en hij naar Irak zal worden uitgezet, aannemelijk is gemaakt dat hij de Iraakse nationaliteit heeft en op voorhand niet kan worden uitgesloten dat dit nieuw gebleken feit of deze veranderde omstandigheid kan afdoen aan het eerdere besluit van 5 november 2009. De minister betoogt daartoe dat, afgezien van het gegeven dat een EU-staat geen officieel nationaliteitsdocument is en de vreemdeling hiermee zijn gestelde Iraakse nationaliteit niet heeft aangetoond, de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de EU-staat niet kan afdoen aan het besluit van 5 november 2009, omdat deze alleen betrekking heeft op de nationaliteit van de vreemdeling en niet kan dienen ter weerlegging van de conclusie van de taalanalyse van 8 mei 2009 inzake zijn herkomst en het mede daarop gegrondveste standpunt dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Aangezien zich geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid voordoet, hoefde hij evenmin te beoordelen of de gestelde omstandigheid kan afdoen aan het eerdere besluit in zoverre daarin is geweigerd de vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), aldus de minister.

2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1; www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.1.3. De vreemdeling heeft eerder, op 11 november 2008 en 16 november 2010, aanvragen ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluiten van respectievelijk 5 november 2009 en 24 november 2010 zijn deze aanvragen afgewezen. Het besluit van 2 februari 2011 is van gelijke strekking als de onderscheiden besluiten van 5 november 2009 en 24 november 2010, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.1.4. Aan onderhavige aanvraag heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat voor zijn uitzetting naar Irak een EU-staat is opgemaakt en dat hiermee zijn Iraakse nationaliteit is komen vast te staan. Hij betoogt dat hij bij terugkeer naar Irak vanwege het feit dat hij christen is een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Voorts doet zich in Irak volgens hem de uitzonderlijke situatie voor, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004 /83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming.

2.1.5. Volgens paragraaf C4/3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag documenten die de identiteit, nationaliteit, reisroute en het asielrelaas van een vreemdeling onderbouwen van belang. Het document waarmee de nationaliteit kan worden onderbouwd is een paspoort of een ander door de overheid afgegeven document met pasfoto waarin staat dat de asielzoeker de nationaliteit van het desbetreffende land bezit.

2.1.6. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat een EU-staat, die volgens paragraaf A4/4.2.2 van de Vc 2000 wordt afgegeven door de Nederlandse overheid, geen document is als bedoeld in paragraaf C4/3.6.2 van de Vc 2000. Deze wordt immers niet afgegeven door de autoriteiten van het land van herkomst en is bedoeld als eenmalig reisdocument bij de terugkeer naar het land van herkomst of een ander land. De vreemdeling kan met dit document derhalve zijn nationaliteit niet aantonen, zodat zich in zoverre geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid voordoet. Gelet hierop en gezien het in 2.1.2. weergegeven beoordelingskader, behoeft de vraag of op voorhand is uitgesloten dat de Iraakse nationaliteit van de vreemdeling aan de eerdere besluiten kan afdoen, geen bespreking.

Het vorenstaande laat onverlet dat de vreemdeling, indien hij daadwerkelijk wordt uitgezet naar Irak, hetgeen thans niet vaststaat, daartegen ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar kan maken, waarbij hij zijn vrees om vanwege zijn geloof te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM alsmede de algehele veiligheidssituatie in Irak aan de orde kan stellen.

De grieven slagen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt overwogen dat, nu in hetgeen overigens is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een voor de vreemdeling relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangevoerd dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45), voor rechterlijke toetsing van het besluit van 2 februari 2011 geen plaats is. Het beroep dient reeds hierom ongegrond te worden verklaard.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 4 maart 2011 in zaak nr. 11/3730;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Dekker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2011

563.

Verzonden: 20 september 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature