Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Herziening hoogte WIA-uitkering. Verrichten van ondersteunende activiteiten in webwinkel van partner. Werkzaamheden in het economisch verkeer. Verworven inkomen. Inkomen op een redelijke wijze schatten. Terugvordering. Boete.

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/2728

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2011 in de zaak tussen

[naam eiser], wonende te [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Koster),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Alkmaar), verweerder

(gemachtigde: mr. L.C. Husmann).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2010 (het primaire besluit I) heeft verweerder de hoogte van de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 27 november 2006 herzien en over de periode van 27 november 2006 tot en met 31 mei 2010 een bedrag van € 11.172,95 bruto van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 24 juni 2010 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 660,00.

Bij besluit van 14 oktober 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2011. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser is over de periode van 30 januari 2001 tot en met 30 januari 2002 werkzaam geweest bij [bedrijf 1] als helpdeskmedewerker en van 4 april 2003 tot en met 31 oktober 2004 bij [bedrijf 2] als webdesigner. Op 1 november 2004 is eiser in dienst getreden bij [bedrijf 3] als kabelkastmonteur.

Eiser is op 29 november 2004 voor zijn werk als kabelkastenmonteur uitgevallen wegens een angststoornis. Met ingang van 27 november 2006 heeft eiser een WIA-uitkering ontvangen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 1 januari 2006 heeft de partner van eiser, mevrouw [naam partner] (hierna: [naam partner]), de eenmanszaak [bedrijf 4] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Volgens het uittreksel uit de Kamer van Koophandel houdt dit bedrijf zich via internet bezig met groot- en kleinhandel in audio- en videoapparatuur, pc-onderdelen, bedrukt textiel en relatiegeschenken, het installeren en beheren van computernetwerken, webdesign en webhosting. Blijkens de website is [bedrijf 4] maandag tot en met zaterdag van 12.00 tot 20.00 uur telefonisch bereikbaar en is er regelmatig binnen en buiten deze tijden een medewerker aanwezig in het gratis live support systeem. Verder heeft [bedrijf 4] een installatieservice bij computers.

Ten tijde van de periode in geding was [naam partner] gedurende 38 uur per week werkzaam bij [bedrijf 5] in Den Helder en werkte zij van maandag tot en met vrijdag, dan wel op maandag, woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag. Op werkdagen was zij rond 18.10 uur thuis.

Naar aanleiding van een melding van de afdeling Digitaal Opsporen van verweerder heeft de afdeling Bijzondere Gevalsbehandeling van verweerder onderzoek gedaan naar mogelijke werkzaamheden van eiser als zelfstandige. Inspecteur Buur, werkzaam bij de directie Handhaving, heeft een onderzoeksrapport werknemersfraude (gedateerd op 4 mei 2009) opgesteld. Vervolgens heeft verweerder de primaire besluiten genomen.

2. De rechtbank dient in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden de hoogte van de WIA-uitkering van eiser per 27 november 2006 heeft herzien en daarbij over de periode van 27 november 2006 tot en met 31 mei 2010 een bedrag van € 11.172,95 bruto van eiser heeft teruggevorderd. Tevens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden een boete van € 660,00 aan eiser heeft opgelegd.

Herziening van de hoogte van de uitkering

3.1. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit indruist tegen het wettelijk systeem. Het primaire besluit en het bestreden besluit zijn volgens hem in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel genomen. Het onderzoek is onvolledig, onzorgvuldig en op sommige aspecten zelfs slordig geweest. Ten onrechte heeft verweerder geen feitenonderzoek verricht. Verweerder heeft alleen meningen, indrukken, vage vermoedens en suggesties gegeven. Ook had verweerder volgens eiser moeten onderzoeken op welke grond de ondersteunende werkzaamheden worden verricht, wat de omvang ervan zou kunnen zijn en of eiser deze werkzaamheden wel regelmatig kan doen. Hierover is ten onrechte geen overleg geweest met de verzekeringsarts. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht welke deskundigheid is vereist voor het voeren van de webwinkel en of eiser en/of zijn partner de deskundigheid daartoe bezitten. Verweerder heeft voorts geen rekening gehouden met de adviezen van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Daarbij heeft verweerder het afwijken van de rapportage van de arbeidsdeskundige niet nader onderbouwd. Eiser merkt verder op dat de meeste ondernemers meer dan 60 uur per week werken. Daarnaast legt verweerder ten onrechte de nadruk op eisers aanwezigheid in de woning. Volgens eiser is bij een webwinkel de telefonische bereikbaarheid niet erg belangrijk. Eiser heeft betwist dat hij thuis aanwezig moet zijn om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Hij kan thuis privé-werkzaamheden verrichten. Het voeren van de webwinkel vereist volgens eiser weinig deskundigheid. De leverancier stelt de computer samen. Zijn partner is met computers en computertechnieken grootgebracht. Zijn partner heeft ervaring met computerprogramma’s en internet. Verweerder heeft eisers deskundigheid overschat. Eiser heeft alleen ervaring met het onderhouden van websites. Verweerder heeft volgens eiser niet onderbouwd hoe tot een beschikbaarheid en een aandeel in de winst van 50% is gekomen. Eisers partner verricht de hoofdwerkzaamheden. Die werkzaamheden zijn belangrijker en moeten hoger worden gewaardeerd. De ondersteunende werkzaamheden worden vaak om niet en uit genegenheid voor elkaar verricht. Tenslotte heeft eiser gesteld dat door de Belastingdienst voor ondernemers die thuiswerken, als regel wordt gehanteerd dat alleen zakelijke en bijgehouden uren meetellen voor de ondernemersaftrek.

3.2. Verweerder heeft gesteld dat de wet juist is toegepast. Het was voor de afdeling Handhaving en de afdeling Bezwaar en Beroep niet eenvoudig om relevante informatie van eiser of zijn gemachtigde te ontvangen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het primaire oordeel. Volgens verweerder is de WIA-uitkering van eiser terecht per 27 november 2006 herzien. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat toepassing is gegeven aan artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIA in samenhang met artikel 61, eerste lid, van de WIA .

3.3. Op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIA herziet het UWV beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Op grond van artikel 76, derde lid, van de WIA kan het UWV indien daarvoor dringende redenen zijn, geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.

Op grond van artikel 61, eerste lid, van de WIA bedraagt de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering per kalendermaand: 0,7 × (C–D) waarbij:

C staat voor het maandloon; en

D staat voor het in de betreffende kalendermaand verworven inkomen.

Op grond van artikel 61, achtste lid, van de WIA wordt onder inkomen als bedoeld in het eerste lid, verstaan het inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.

Op grond van artikel 61, negende lid, van de WIA worden bij algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het achtste lid. Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van dat inkomen alsmede van de periode waarop die vaststelling betrekking heeft.

Het besluit als bedoeld in artikel 61, negende lid, van de WIA is het Inkomensbesluit Wet WIA (verder: Inkomensbesluit).

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Inkomensbesluit wordt voor de toepassing van de artikelen 52, vierde lid, 60, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 61, achtste lid, van de Wet WIA onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verstaan: de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in artikel 3.74 van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdelen a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot de winst.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Inkomensbesluit is het inkomen uit arbeid uit het bedrijfs- en beroepsleven, het tot een bedrag per kalendermaand herleide inkomen.

Op grond van artikel 6, derde lid, van het Inkomensbesluit kan bij de toepassing van het eerste lid op basis van een geschat inkomen een gemiddeld genoten inkomen per kalendermaand worden bepaald, waarna per periode van ten hoogste twaalf kalendermaanden een herberekening plaatsvindt.

3.4. De rechtbank stelt vast en tussen partijen is niet in geschil dat eiser ondersteunende werkzaamheden heeft verricht voor de webwinkel van [naam partner] en dat hij deze werkzaamheden niet heeft gemeld bij verweerder. Volgens eiser bestaan deze werkzaamheden uit het beantwoorden van de telefoon, het aannemen van pakjes van besteldiensten, het soms meehelpen met inpakken van artikelen en het een enkele keer controleren of het besturingssysteem op de computer juist is geïnstalleerd. Uit de verklaringen van [naam partner] en eiser blijkt dat eiser zich naast deze werkzaamheden ook bezig houdt met de beantwoording van emailberichten, de beantwoording van vragen via chatsupport en het installeren van computers. Naar het oordeel van de rechtbank dienen al deze werkzaamheden te worden aangemerkt als activiteiten in het economische verkeer.

3.5. De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze werkzaamheden inkomen heeft verworven. Daarbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) die tot stand is gekomen onder artikel 44 van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Volgens deze jurisprudentie (onder meer: CRvB 3 december 2010, LJ-Nummer BO6414) kan artikel 44 van de WAO in beginsel slechts worden toegepast in geval van inkomsten uit arbeid die de uitkeringsgerechtigde zelf heeft genoten. De CRvB heeft daarbij echter te kennen gegeven zich bijzondere gevallen te kunnen voorstellen, waarin ondanks het feit dat de betrokkene zelf geen inkomsten heeft genoten, hiervan voor de toepassing van artikel 44 toch sprake is. De CRvB denkt daarbij aan gevallen waarin de betrokkene, hoewel voor de arbeid geen loon wordt betaald zichzelf toch direct of indirect verrijkt. Voor een dergelijke toepassing is ten minste vereist dat (een begin van) bewijs wordt aangedragen dat de betrokkene op een of andere wijze baat heeft gehad van de verrichte werkzaamheden.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit bewijs in het onderhavige geval voorhanden. De werkzaamheden zijn verricht ten dienste van de op naam van de partner van eiser gestelde webwinkel en hebben bijgedragen aan de bedrijfsresultaten die eiser en [naam partner] ten goede zijn gekomen.

3.6. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder bij de toepassing van artikel 61, eerste lid, van de WIA in samenhang met artikel 6, derde lid, van het Inkomensbesluit en overeenkomstig de jurisprudentie van de CRvB over artikel 44 van de WAO (onder meer: CRvB 16 april 2010, LJN: BM1540), bevoegd het inkomen op een redelijke wijze te schatten, indien achteraf de omvang van het in strijd met artikel 27, eerste lid, van de WIA verzwegen inkomen niet meer kan worden bepaald aan de hand van betrouwbare schriftelijke gegevens. De juistheid van die schatting kan door de betrokkene worden weerlegd met ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare inkomensgegevens. Voorts brengt een redelijke verdeling van de bewijslast met betrekking tot de omvang van de verzwegen werkzaamheden en de omvang van het verworven inkomen uit arbeid uit het bedrijfs- en beroepsleven mee dat het risico dat relevante gegevens onbewezen blijven bij de betrokkene wordt gelegd.

Het betoog ter zitting van de gemachtigde van eiser over artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Inkomensbesluit en de jurisprudentie van de Hoge Raad kan gelet hierop geen doel treffen.

3.7. Verweerder is bij de schatting uitgegaan van de informatie die op de website van [bedrijf 4] staat, de gegevens die van de Belastingdienst zijn verkregen, de door eiser en [naam partner] afgelegde verklaringen en de waarnemingen van de inspecteur tijdens het huisbezoek van 23 maart 2009. De heer E. Kaandorp, handhaver bij verweerder, heeft op basis van de tijdens het onderzoek verkregen informatie geconcludeerd dat onbekend is wat het aandeel van eiser is in de webwinkel. Er is alleen bekend dat eiser de helpdesk bemand tijdens de werkuren van zijn partner. Kaandorp heeft geconcludeerd dat 50% van de winst moet worden gekort op de WIA-uitkering. Daarbij is hij over de jaren 2006 en 2007 uitgegaan van de door de Belastingdienst vastgestelde winst en over de jaren 2008 en 2009 van de op het btw-saldo geschatte winst. Vervolgens heeft hij een korting per dag op de WIA uitkering vastgesteld. In het primaire besluit is deze korting omgerekend naar een maandinkomen.

De bezwaararbeidsdeskundige is van mening dat alleen al gelet op de bereikbaarheid, telefonisch dan wel via de website, van 12.00 tot 20.00 uur en de werkzaamheden van [naam partner] tot 18.00 uur, er iemand anders naast [naam partner] beschikbaar moet zijn. Daarnaast neemt eiser ook bestellingen in ontvangst tijdens de werktijden van [naam partner]. Een aandeel van 50% in de winst komt hem dan ook alleszins redelijk voor. Gelet op de feitelijke beschikbaarheid van eiser had volgens de bezwaararbeidsdeskundige ook van een aandeel van 75% (6 van de 8 openingsuren van de webwinkel) uit kunnen worden gegaan.

3.8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende onderzoek heeft gedaan naar de omvang van het verzwegen inkomen. Verweerder heeft informatie ingewonnen bij en verkregen van de Belastingdienst. Ook heeft verweerder informatie ingewonnen bij eiser en [naam partner]. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat op basis van de verkregen gegevens de omvang van het verzwegen inkomen van eiser niet kan worden vastgesteld, zodat verweerder bevoegd was dit inkomen op een redelijke wijze te schatten. De rechtbank acht de door de bezwaararbeidsdeskundige toegekende loonwaarde niet onjuist en afdoende gemotiveerd. Eiser heeft de juistheid van die schatting niet met ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare inkomensgegevens weerlegd. Uit de beschikbare medische gegevens is niet gebleken dat eiser vanwege zijn psychische klachten niet in staat was thuis werkzaamheden te verrichten.

Dat de arbeidsdeskundige tot een andere conclusie is gekomen over de aanwezigheid van feitelijke inkomsten uit arbeid, maakt het vorenstaande niet anders. Verweerder behoefde de afwijking van deze rapportage niet te motiveren. Immers de arbeidsdeskundige, die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van verweerder, is geen adviseur als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat artikel 3:50 van de Awb toepassing mist. De rechtbank verwerpt dan ook de door eiser aangevoerde gronden.

4.1. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder niet voortvarend het primaire besluit heeft genomen. Verweerder heeft meer dan een jaar niets met het rapport van 4 mei 2009 gedaan. De zogeheten zes maanden jurisprudentie moet worden toegepast.

4.2. Verweerder heeft gesteld dat de zes maanden jurisprudentie niet van toepassing is.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (onder meer in de uitspraak van 8 september 2009, LJN BJ8214) is voor toepassing van de zes maanden jurisprudentie in beginsel geen plaats, indien - zoals in dit geval - sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verwerpt derhalve de grond van eiser.

5. In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden de hoogte van de WIA-uitkering van eiser per 27 november 2006 heeft herzien op de in het primaire besluit genoemde bedragen.

Terugvordering

6.1. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen de terugvordering geen separate gronden heeft aangevoerd.

6.2. Op grond van artikel 77, eerste lid, eerste volzin, van de WIA wordt een uitkering die op grond van deze wet onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt door het UWV teruggevorderd.

Op grond van artikel 77, vierde lid, van de WIA kan het UWV indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

6.3. Verweerder is op grond van artikel 77, eerste lid, eerste volzin, van de WIA verplicht om hetgeen onverschuldigd is betaald, terug te vorderen. Van dringende redenen die verweerder zouden moeten nopen om van terugvordering af te zien, is de rechtbank niet gebleken. Verweerder is derhalve terecht en op goede gronden overgegaan tot terugvordering van het bedrag van € 11.172,95 van eiser.

Boete

7.1. Eiser heeft de ondersteunende werkzaamheden aangemerkt als werkzaamheden waarvoor geen vergoeding wordt gevraagd. Voor zover die werkzaamheden wel in geld uitgedrukt moeten worden, is de opgelegde boete volgens eiser in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

7.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser heeft nagelaten het UWV in te lichten over zijn werkzaamheden. De boete is terecht vastgesteld op een bedrag van € 660,00.

7.3. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WIA verstrekt de verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond van artikel 71 een uitkering op grond van de ze wet wordt uitbetaald, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van reïntegratie, aan het UWV.

Op grond van artikel 91, eerste lid, van de WIA legt het UWV indien de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger of de werkgever of de persoon, bedoeld in artikel 27, achtste lid, de verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste of achtste lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen, hem een boete op van ten hoogste € 2 269.

Op grond van artikel 91, tweede lid, van de WIA wordt de hoogte van de boete afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Op grond van artikel 91, vierde lid, van de WIA kan het UWV indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten van het opleggen van een boete af te zien.

Op grond van artikel 91, zevende lid, van de WIA worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede lid.

Het Boetebesluit sociale zekerheidswetten (hierna: Boetebesluit) bevat nadere regels voor de boeteoplegging. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 10 % van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 52 (tot 1 juli 2007: op ten minste € 45) wordt vastgesteld.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten wordt de bestuurlijke boete naar boven afgerond op een veelvoud van € 10 (tot 1 juli 2007: op € 11).

7.4. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (onder meer: CRvB 24 september 2010, LJ Nummer BN8396) moet verweerder - zoals thans ook is vastgelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb - de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Verweerder kan omwille van de rechtseenheid en de rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient verweerder bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen betreffende de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete. Indien dat niet het geval is, dient verweerder de boete in aanvulling op of in afwijking van het beleid vast te stellen op een bedrag dat passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van verweerder met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

7.5. Het niet, niet tijdig dan wel niet volledig vermelden van inkomsten uit arbeid levert een ernstige overtreding van de inlichtingenverplichting op, aangezien dat gegeven van wezenlijk belang is voor een rechtens juiste vaststelling van het bestaan van een aanspraak op een WIA-uitkering, de hoogte van de aanspraak en de betaling van die uitkering. Eiser treft daarvan objectief en subjectief een verwijt. Dit betekent dat verweerder gehouden was aan eiser een boete op te leggen. Gelet op de alle omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank de opgelegde boete evenredig.

Tot slot is de rechtbank niet gebleken van dringende redenen die verweerder zouden moeten nopen om van het opleggen van een boete af te zien. De rechtbank verwerpt dan ook de gronden van eiser.

8.1. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet vooraf of tijdens de oplegging van de boete een kopie van het rapport van 4 mei 2009 heeft ontvangen.

8.2. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat het frauderapport nooit bij de vooraankondiging en het primaire besluit wordt meegezonden.

8.3. Op grond van artikel 5:48, eerste lid, van de Awb kunnen het bestuursorgaan en de voor de overtreding bevoegde toezichthouder van de overtreding een rapport opmaken.

Op grond van artikel 5:48, derde lid, van de Awb wordt een afschrift van het rapport uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.

Op grond van artikel 5:50, eerste lid, van de Awb wordt indien de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen, het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.

Op grond van artikel IV van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb (Vierde tranche Awb, Stb. 2009/264) blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

8.4. De rechtbank is van oordeel dat er vanaf 27 november 2006 sprake was van een doorlopende overtreding. Dit betekent dat ook op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (1 juli 2009) sprake was van een overtreding. De artikelen 5:48 en 5:50 van de Awb zijn derhalve in onderhavige zaak van toepassing. Gelet op de uitleg in overweging 8.2. heeft verweerder niet conform de in deze artikelen neergelegde voorschriften gehandeld. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

De rechtbank stelt vast en tussen partijen is niet in geschil dat aan de niet naleving van deze bepalingen geen consequenties zijn verbonden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

Verzoek om vergoeding van de proceskosten

9.1. Eiser heeft verzocht om verweerder te veroordelen in de kosten van de bezwaar- en beroepsprocedure.

9.2. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

9.3. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser zijn vader is. Nu de verleende rechtsbijstand zijn grond vindt in de familierelatie, kan in het onderhavige geval niet worden aangenomen dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (onder meer: CRvB 23 juni 2010, LJN BN5119). Voor een proceskostenveroordeling bestaat derhalve geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 41,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Swildens, voorzitter, mr. B.H. Franke en mr. L. Boonstra, leden, in aanwezigheid van mr. C. Bankert, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2011 te Alkmaar.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature