Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het College Bescherming Persoonsgegeven (verweerder) heeft aan de Minister van Infrastructuur en Milieu (eiser) een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) bij de afgifte van de rijkspas aan rijksambtenaren.

Aan het bestreden besluit tot opleggen van een last onder dwangsom is ten grondslag gelegd dat eiser in strijd met de artikelen 8, 11 en 24 van de Wbp en artikel 10 van de Wabb handelt door bij de uitgifte van de rijkspas aan rijksambtenaren ter controle het in het IdM opgenomen BSN te hanteren en dat te vergelijken met het BSN op het identiteitsbewijs van de aanvrager van de rijkspas.

Eiser voert – kort weergegeven – aan dat artikel 10 van de Wabb wel een wettelijke basis biedt voor verwerking van het BSN bij de afgifte van de rijkspas ter controle van de identiteit van de rijksambtenaar. In artikel 10 van de Wabb wordt immers gesproken over “taak” en niet “publiekrechtelijke taak”.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de wetsgeschiedenis niet anders worden afgeleid dan dat met het vervangen van “publiekrechtelijke taak” door “taak” in artikel 10 van de Wabb uitdrukkelijk niet is beoogd de strekking van dit artikel te verruimen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de uitgifte van de rijkspas aan de rijksambtenaren niet is aan te merken als het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak. Bij het verrichten van deze taak onderscheidt de overheid zich niet wezenlijk van een particuliere werkgever die passen uitgeeft ten behoeve van de toegang tot het bedrijfsgebouw of ten behoeve van het inloggen in de computersystemen van dat bedrijf.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bovendien niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de noodzaak van de verwerking van het BSN bij de uitgifte van de rijkspas aan rijksambtenaren door eiser niet is aangetoond.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2937

uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

de minister van Infrastructuur en Milieu, te 's-Gravenhage, eiser

(gemachtigde: [A]),

en

het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), verweerder

(gemachtigde: [B]).

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) bij de afgifte van de rijkspas aan rijksambtenaren.

Bij brief van 21 maart 2011 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij is verweerder op grond van het bepaalde in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb, gevraagd in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft hiermee ingestemd en het bezwaarschrift als beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 29 augustus 2011 ter zitting behandeld.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd en

- [C], projectmanager Rijkspas,

- [D], projectleider Rijkspas,

- [E],

- [F] en

- [G].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd en,

- [H],

- [I] en

- [J].

Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) - voor zover thans van belang - mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt indien:

a. t/m d. (...);

e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of

f. (...).

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wbp worden persoonsgegevens slechts verwerkt voor zover zij, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn.

Ingevolge artikel 24, eerst lid, van de Wbp wordt een nummer dat ter identificatie van een persoon bij wet is voorgeschreven, bij de verwerking van persoonsgegevens slechts gebruikt ter uitvoering van de betreffende wet dan wel voor doeleinden bij de wet bepaald.

Ingevolge artikel 10 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Wabb) kunnen overheidsorganen bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun taak gebruik maken van het burgerservicenummer, met inachtneming van hetgeen bij of krachtens dit hoofdstuk is bepaald.

1.2 De rijkspas is een interdepartementaal identiteitsbewijs voor rijksambtenaren. Deze wordt gebruikt ten behoeve van - in eerste instantie - de toegang tot de eigen werkplek en toegang tot andere ministeries en overheidsgebouwen. De rijkspas zal later ook kunnen worden gebruikt bij het inloggen in computersystemen en digitale ondertekening. De invoering van een rijksbrede pas heeft tot doel de flexibiliteit van de rijksambtenaren en de mogelijkheden tot projectmatige samenwerking tussen de departementen te vergroten. De invoering van de rijkspas leidt verder tot een efficiëntere bedrijfsvoering. Niet in geschil is dat de rijkspas veilig en betrouwbaar moet zijn. Daartoe zijn normkaders ontwikkeld die door alle ministeries waaronder ook het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) zijn onderschreven. De normkaders schrijven verplicht een vaste set van gegevens op de rijkspas voor. Op de door het ministerie van IenM uitgegeven rijkspas is niet het BSN vermeld. Bij de uitgifte van de rijkspas wordt echter gecontroleerd of de rijkspas de juiste gegevens bevat en aan de juiste persoon wordt afgegeven. In dat kader worden bij uitgifte van de rijkspas eenmalig de gegevens, waaronder het BSN, op het identiteitsbewijs van de ambtenaar vergeleken met de gegevens, waaronder het BSN, uit het Indentity Management (IdM) systeem. In het IdM-systeem zijn naast het BSN, de naam, voornamen, overige initialen, voorvoegsels, geboortedatum en het geslacht van de rijksambtenaar vermeld.

1.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd, die inhoudt dat het BSN in het IdM-systeem moet zijn afgeschermd ingeval van controle van de identiteit van een (in- of externe) medewerker van het Ministerie van IenM ten behoeve van de uitgifte van een rijkspas.

Aan de last is een begunstigingstermijn verbonden van acht weken waarin geen dwangsom wordt verbeurd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000,-- per week of gedeelte van een week zolang de last niet is uitgevoerd met een maximum van € 60.000,--.

1.4 Aan het bestreden besluit tot opleggen van een last onder dwangsom is ten grondslag gelegd dat eiser in strijd met de artikelen 8, 11 en 24 van de Wbp en artikel 10 van de Wabb handelt door bij de uitgifte van de rijkspas aan rijksambtenaren ter controle het in het IdM opgenomen BSN te hanteren en dat te vergelijken met het BSN op het identiteitsbewijs van de aanvrager van de rijkspas.

Samengevat stelt verweerder zich daartoe op het standpunt dat dit gebruik van het BSN in strijd is met artikel 24 van de Wbp, nu voor het verwerken van het BSN bij de uitgifte van de rijkspas geen wettelijke grondslag bestaat. De verwerking van het BSN kan niet worden gebaseerd op artikel 10 van de Wabb, omdat de uitgifte van de rijkspas in de visie van verweerder immers niet geschiedt in het kader van de uitoefening van een publiekrechtelijke taak van eiser. Een overheidsorgaan dat er zorg voor moet dragen dat de juiste rijkspas aan de juiste persoon moet worden verstrekt onderscheidt zich bij de uitoefening van die taak niet van een particuliere werkgever die aan zijn werknemers een toegangspas verstrekt. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat het gebruik van het BSN bij de afgifte van de rijkspas in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel. Het gebruik van het BSN is niet noodzakelijk en bovenmatig, omdat de identiteit van de rijksambtenaren kan worden gecontroleerd aan de hand van de overige in het IdM vermelde persoonsgegevens zoals de naam, voornamen, overige initialen, voorvoegsels, geboortedatum en het geslacht.

1.5 Eiser heeft in beroep het belang van de invoering van de rijkspas in het kader van het programma vernieuwing Rijksdienst (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 201, nr. 3) benadrukt. Eiser voert - kort weergegeven - aan dat artikel 10 van de Wabb wel een wettelijke basis biedt voor verwerking van het BSN bij de afgifte van de rijkspas ter controle van de identiteit van de rijksambtenaar. In artikel 10 van de Wabb wordt immers gesproken over "taak" en niet "publiekrechtelijke taak". De in artikel 10 van de Wabb gekozen bewoordingen "in het kader van de uitoefening van hun taak" wijzen op een ruim toepassingsbereik, hetgeen blijkens de wetsgeschiedenis ook de bedoeling is van de wetgever. Alle taken die eiser als a-orgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb verricht, verricht hij uiteindelijk in het kader van zijn publieke taak. In die zin is de uitgifte van de rijkspas aan te merken als een (publiekrechtelijke) taak.

Eiser heeft voorts gesteld dat de verwerking van het BSN bij de uitgifte van de rijkspas noodzakelijk is en niet bovenmatig. Met een controle alleen op basis van vergelijking van achternaam, voornaam, overige initialen, voorvoegsels, geslacht en geboortedatum kan geen absolute zekerheid verkregen worden over de identiteit van de ambtenaar, gelet op het grote aantal rijksambtenaren. Onder deze ambtenaren zijn ook ambtenaren van buitenlandse afkomst met identieke of identiek klinkende namen die nogal eens onjuist worden vermeld. Verder zijn deze medewerkers vaak afkomstig uit landen met een onbetrouwbare geboorteadministratie, waardoor zij vaak dezelfde geboortedatum hebben. De verwerking van het BSN is niet bovenmatig omdat de verwerking slechts inhoudt een eenmalige vergelijking van het op het beeldscherm getoonde in het IdM opgenomen BSN met het BSN op het identiteitsbewijs. Dit BSN wordt niet op de rijkspas opgeslagen.

2.1 De rechtbank overweegt als volgt.

2.2 Het belang van de invoering van de rijkspas in het kader van het programma vernieuwing Rijksdienst is niet in geschil. Met betrekking tot de opmerkingen die eiser heeft gemaakt over dit belang, merkt de rechtbank op dat de last onder dwangsom niet inhoudt dat eiser de rijkspas niet mag invoeren of gebruiken. In geschil is slechts de verwerking van het BSN bij uitgifte van die pas aan de rijksambtenaar.

2.3 Artikel 24 van de Wbp schrijft voor dat voor het verwerken van wettelijke identificatienummers een wettelijke grondslag is vereist. In geschil is in de eerste plaats of artikel 10 van de Wabb deze wettelijk grondslag kan bieden voor het eenmalige gebruik van het BSN ter controle van de identiteit bij de uitgifte van de rijkspas. Artikel 10 van de Wabb biedt overheidsorganen een wettelijke basis om gebruik te maken van het BSN in het kader van de uitvoering van hun taak.

Centraal in de discussie tussen partijen staat de vraag wat moet worden verstaan onder "in het kader van de uitvoering van hun taak" en of daaronder valt het gebruik van het BSN bij de uitgifte van de rijkspas.

2.4 In het oorspronkelijke wetsontwerp Wabb (kamerstukken II 2005-2006, 30 312, nr. 2) luidde artikel 10, eerste lid:

Overheidsorganen kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak gebruik maken van het burgerservicenummer met inachtneming van hetgeen bij of krachtens dit hoofdstuk is bepaald.

In de Memorie van Toelichting (kamerstukken II 2005-2006, 30 312, nr. 3. pag. 11) is hierover opgemerkt:

Deze wet regelt dat alle overheidsorganen van het burgerservicenummer gebruik kunnen maken voor het uitvoeren van hun publiekrechtelijke taak. Daarnaast kunnen bij of krachtens de wet gevallen worden geregeld waarin ook anderen dan overheidsorganen van het burgerservicenummer gebruik dienen te maken. Beide categorieën worden in dit wetsvoorstel aangeduid als gebruiker.

en bij de artikelsgewijze toelichting (kamerstukken II 2005-2006, 30 312, nr. 3. pag. 35) is daarover opgemerkt:

Artikel 10

Teneinde overheidsorganen de mogelijkheid te bieden in het kader van de uitvoering van hun publiekrechtelijke taken bij het verwerken van persoonsgegevens waar mogelijk gebruik te maken van het burgerservicenummer, is in het onderhavige artikel een algemene bevoegdheid daartoe opgenomen. Bij het gebruikmaken van deze bevoegdheid neemt het overheidsorgaan vanzelfsprekend het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 4 in acht. Voor wat betreft de overige als "gebruiker" gekwalificeerde instellingen en personen is de grondslag voor het gebruik van het burgerservicenummer te herleiden uit de wettelijke bepaling die hen tot "gebruiker" maakt (zie de begripsomschrijving van "gebruiker", artikel 1, onderdeel d, onder 2°).

Bij Nota van wijzigingen (kamerstukken II 2005-2006, 30 312, nr. 8 onder D) is in artikel 10 "publiekrechtelijke taak" vervangen door "taak".

In de Nota naar aanleiding van het verslag (kamerstukken II 2005-2006, 30 312, nr. 7, blz. 5) heeft de toenmalige minister voor Bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijksrelaties daarover opgemerkt:

Het onderhavige wetsvoorstel schept een algemene wettelijke grondslag voor het gebruik van het BSN door overheidsorganen bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun taak (artikel 10 van het wetsvoorstel). Het wetsvoorstel geeft daarmee invulling aan artikel 24 Wbp, een invulling die past bij de introductie van het BSN als algemeen persoonsnummer voor gebruik door overheidsorganen. Gebleken is dat het begrip "publiekrechtelijke taak", dat in artikel 10 werd gehanteerd, geen eenduidige betekenis heeft. Daardoor zou in de praktijk verwarring kunnen ontstaan over de reikwijdte van de bevoegdheid tot gebruik van het BSN door een overheidsorgaan. Het begrip "overheidsorgaan" in artikel 10 impliceert, dat de bevoegdheid slechts strekt voor zover de desbetreffende persoon of het desbetreffende college overheidsorgaan is. De taak is daarmee reeds onlosmakelijk gekoppeld aan de status van overheidsorgaan. Buiten de status van overheidsorgaan en op een gegevensverwerking die niet samenhangt met de taak van dat overheidsorgaan als zodanig, is artikel 10 dus niet van toepassing. Artikel 10 is daarom bij nota van wijziging zodanig aangepast dat daarnaast het publiekrechtelijke karakter van de taak van dat overheidsorgaan niet langer expliciet behoeft te worden vastgesteld; hiermee is artikel 10 op dat punt in lijn gebracht met artikel 88 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

De kamerleden Slob en Van der Ham hebben een Amendement ingediend (kamerstukken II 2005-2006, 30 312, nr. 10) waarin zij voorstellen in artikel 10 "taak" te vervangen door "publiekrechtelijke taak".

Zij hebben dit als volgt toegelicht:

Overheidsorganen hebben niet alleen publiekrechtelijke taken. Daarom is het van belang dat nadrukkelijk in de wet is bepaald dat overheidsorganen alleen bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak gebruik kunnen maken van het burgerservicenummer.

Bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is hierover gedebatteerd (Handelingen II, 6 september 2006, nr. 103, p. 6345-6346).

In vervolg daarop heeft tussen de minister en de heer Slob de volgende discussie plaatsgevonden (Handelingen II, 7 september 2006, nr. 104, p. 6374):

Minister Nicolaï: Er is door meerderen gesproken over de term "publiekrechtelijk" uit artikel 10. Het amendement op stuk nr. 10 heeft daar betrekking op. Artikel 10 van het wetsvoorstel bepaalt dat overheidsorganen bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun taken gebruik kunnen maken van het BSN. Dat zou het geval moeten zijn voor alle taken die het overheidsorgaan als zodanig uitvoert. Juist de schijnbare inperking door het publiekrechtelijke taken te noemen zou naar mijn overtuiging tot verwarring leiden. Welke andere taken heeft een overheidsinstantie dan publiekrechtelijke? Er is volgens mij sprake van verwarring tussen discussie over de taken, de bevoegdheden en de handelingen. Overheden en overheidsinstanties verrichten heel veel privaatrechtelijke handelingen op basis van privaatrechtelijke bevoegdheden, maar de taken zijn volgens mij per definitie publiekrechtelijk. Het zou dan ook een heel rare inperking zijn van wat een overheid des overheids doet als je dat publiekrechtelijke zou toevoegen, alsof je daarmee suggereert dat het voor iets anders niet zou gelden. Om die reden ontraad ik dan ook dit amendement op stuk nr. 10.

De heer Slob (ChristenUnie): Gisteren heb ik al gezegd dat daar een heel dispuut over is. Wij moeten dat hier maar niet gaan voeren, want dat zou ook veel tijd vergen. De reden dat u het publiekrechtelijke hebt geschrapt, is omdat het nogal onduidelijk is hoe dat precies moet worden ingevuld. Maar, u geeft nu zelf een wat andere invulling door te zeggen dat de overheid voluit publiekrechtelijk bezig is en dat, omdat dat volstrekt duidelijk is, dit dus niet nog eens apart in deze wet hoeft te worden benoemd. Dat gaat dus wel een beetje voorbij aan dat dispuut over het feit dat er nogal eens privaatrechtelijke aspecten aan het overheidshandelen kunnen vastzitten.

Minister Nicolaï: Als ik u goed begrijp, schetst u mijn overweging juist. Ik zou inderdaad niet weten welke privaatrechtelijke taak dan zou moeten worden uitgezonderd. Ik zou überhaupt niet weten welke privaatrechtelijke taak een overheid zou hebben. Inderdaad, er zitten privaatrechtelijke aspecten aan het handelen en de bevoegdheden van overheden. Als wij het hebben over publiekrechtelijke taken, bijvoorbeeld het bevorderen van voldoende woongelegenheid of het in stand houden van een goede weginfrastructuur, dan zijn daarbij soms privaatrechtelijke bevoegdheden nodig.

De heer Slob (ChristenUnie): Misschien kunnen wij het kort afhandelen. U zegt in feite dat als het gaat om overheidsorganen die bevoegd zijn tot het gebruik maken van het burgerservicenummer, dat puur betrekking heeft op het publiekrechtelijke handelen en de publiekrechtelijke bevoegdheden van de overheden?

Minister Nicolaï: Ja!

De heer Slob heeft het Amendement nr. 10 ingetrokken met de volgende motivering (Handelingen II, 7 september 2006, nr. 104, p. 6382):

Op stuk nr. 10 heb ik een amendement ingediend over het publiekrechtelijke aspect. Gisteravond heb ik al aangegeven dat sprake is van een heel dispuut. Het is link als wij ons daar middenin gaan begeven.

Op het moment dat je het gaat schrappen, kun je de indruk wekken dat de werking weer veel breder zou kunnen zijn. Daarom vind ik het ook belangrijk dat wij met elkaar aangeven dat de werking van de wet wordt beperkt tot handelingen van overheidsorganen die voortvloeien uit publiekrechtelijke bevoegdheden en taken. In feite heeft de minister dat nu in zijn eerste termijn ook klip en klaar op die wijze aangegeven. Wij kunnen erover twisten of dit punt nu wel of niet terug in de wet moet. Alles overwegende trek ik mijn amendement op stuk nr. 10 in, met de wetenschap dat wat hier door de minister is uitgesproken ook bij de wetsgeschiedenis hoort en daarom ook zijn uitwerking zal hebben.

Bij de mondelinge behandeling van het wetvoorstel in de Eerste kamer heeft kamerlid Tan gezegd (Handelingen I, 9 juli 2007, nr. 37, p. 1145):

In het verlengde daarvan heeft het de PvdA verrast dat de memorie van antwoord de mededeling bevat dat het burgerservicenummer ook door de overheid zal worden gebruikt als algemeen personeelsnummer. Over doelbinding gesproken, dit is toch wel een heel bepaalde interpretatie van het begrip "publieke taak". Bij de behandeling in de Tweede Kamer was immers toegezegd dat het burgerservicenummer vooralsnog alleen zou worden toegepast voor de publieke taak. Krijgen wij hier niet een glijdende schaal van het begrip "publieke taak"? De overheid als werkgever is immers niet anders dan een private werkgever. Graag krijg ik hierop een reactie van de staatssecretaris.

De staatssecretaris heeft hierop gereageerd (Handelingen I, 10 juli 2007, nr. 38, p. 1185):

Kan het bsn ook worden gebruikt als personeelsnummer? Op deze vraag van mevrouw Tan kan ik zeggen dat de overheid net als iedere andere werkgever het sofinummer moet gebruiken bij de registratie van personeel in de salarisadministratie. Na de invoering van het bsn-stelsel komt het bsn in plaats van het sofinummer. Mevrouw Tan bedoelt met haar vraag waarschijnlijk of de overheid het bsn ook in andere relaties met haar personeel mag gebruiken. Dat hangt ervan af. Zo moet de normstelling van de WBP worden gevolgd.

Is het verwerken van de gegevens van de werknemers wel nodig voor de uitvoering van de taak van dat overheidsorgaan? En is het gebruik van persoonsnummers daarbij nodig? Als deze vragen met ja kunnen worden beantwoord, dan kan het overheidsorgaan bij de uitvoering van haar taak het burgerservicenummer van zijn ambtenaren gebruiken. (...)

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze wetsgeschiedenis niet anders worden afgeleid dan dat met het vervangen van "publiekrechtelijke taak" door "taak" in artikel 10 van de Wabb uitdrukkelijk niet is beoogd de strekking van dit artikel te verruimen. Het schrappen van woord "publiekrechtelijk" is geschied omdat dit woord overbodig en onduidelijk werd geacht. Het amendement dat er toe strekte het woord "publiekrechtelijk" weer in artikel 10 van de Wabb op te nemen is eerst ingetrokken nadat de destijds bevoegde minister had bevestigd dat het door overheden gebruik maken van het BSN puur betrekking heeft op het publiekrechtelijke handelen en de publiekrechtelijke bevoegdheden van de overheden.

Naar het oordeel van de rechtbank werpt de discussie die in de Eerste Kamer heeft plaatsgevonden geen ander licht op de zaak. In deze discussie werd immers alleen de toelaatbaarheid van het gebruik van het BSN in de (ambtenaren)salarisadministratie bevestigd. Hiervoor bestaat een aparte wettelijke grondslag. Met betrekking tot de toelaatbaarheid van het gebruik van het BSN in andere relaties met haar personeel, heeft de destijds bevoegde staatssecretaris in de Eerste Kamer zich niet stellig in positieve zin uitgelaten.

2.6 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de uitgifte van de rijkspas aan de rijksambtenaren niet is aan te merken als het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak. Bij het verrichten van deze taak onderscheidt de overheid zich niet wezenlijk van een particuliere werkgever die passen uitgeeft ten behoeve van de toegang tot het bedrijfsgebouw of ten behoeve van het inloggen in de computersystemen van dat bedrijf. De vraag of eiser een a- of b-orgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb is, acht de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of hij een "taak" uitvoert in de zin van artikel 10 van de Wabb niet relevant.

2.7 Eiser heeft - evenals verweerder - erop gewezen dat artikel 8, onder e, van de Wbp strekt ter implementatie van artikel 7, onder e van Richtlijn 95/46/EG (de Privacyrichtlijn). Ingevolge dit artikellid bepalen de lid-staten dat de verwerking van de persoonsgegevens slechts mag geschieden indien: de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag die aan de voor de verwerking verantwoordelijke of de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, [...] is opgedragen. Naar het oordeel van de rechtbank noopt een richtlijnconforme interpretatie van artikel 8, onder e, van de Wbp niet tot de conclusie dat de uitleg die verweerder aan artikel 8, onder e, van de wbp heeft gegeven onjuist is. Het is ook niet in te zien dat een overheid die weliswaar in het algemeen belang, maar overigens op gelijke voet met een particulier die zijn gebouwen en computersystemen beveiligt, handelt, aan een minder streng regiem onderworpen zou zijn dan die particulier.

2.8 Nu verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 10 van de Wabb geen grondslag biedt voor de verwerking van het burgerservicenummer bij de uitgifte van de rijkspas en daarvoor ook geen andere wettelijke grondslag bestaat, heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiseres artikel 24 en 10 van de Wabb heeft overtreden door het burgerservicenummer bij de uitgifte van de rijkspas te verwerken.

Reeds om die reden is het beroep ongegrond.

2.9 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit bovendien op het standpunt gesteld dat eiser in strijd heeft gehandeld met de artikelen 8 en 11 van de de Wbp aangezien de identiteit van de rijksambtenaren op afdoende wijze kan worden vastgesteld aan de hand van de combinatie van de achternaam, de voornaam, de overige initialen, de voorvoegsels, het geslacht en de geboortedatum. Dit zijn, in tegenstelling tot het BSN, geen bijzondere persoonsgegeven, zodat het gebruik daarvan minder risico's meebrengt voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

2.10 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de noodzaak van de verwerking van het BSN bij de uitgifte van de rijkspas aan rijksambtenaren door eiser niet is aangetoond met de enkele verwijzing naar veelvuldig verkeerd gespelde buitenlandse namen en het bestaan van gelijke geboortedata bij tweelingen en ambtenaren die zijn geboren in landen met een slecht werkend bevolkingsregister. Dat dit in het verleden tot problemen heeft geleid is niet aangetoond of aannemelijk gemaakt.

Verweerder heeft niet ten onrechte de kans dat rijksambtenaren dezelfde achternaam

voornaam, overige initialen, voorvoegsels, geboortedatum en geslacht hebben, minimaal geacht. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte onaannemelijk geacht dat het niet mogelijk is de rijksambtenaren aan de hand van laatstgenoemde persoonsgegevens deugdelijk te identificeren. Voor zover sprake is van ambtenaren met dezelfde achternaam, voorvoegels, voornamen en geboortedatum, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dit bij de uitgifte van de rijkspas tot zodanig problemen leidt, dat daardoor hantering van het BSN bij die uitgifte noodzakelijk wordt. Verweer heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het door eiser gesignaleerde probleem van ten onrechte in de omloop zijnde toegangspasjes en uitgifte van meerdere passen aan dezelfde ambtenaar ook kan voorkomen wanneer bij de uitgifte van de pas de identiteit van de ambtenaar is gecontroleerd aan de hand van het BSN. Dit probleem betreft eerder het consequent handhaven van de regels omtrent het inleveren van het pasje dan de identificatie bij de uitgifte daarvan.

2.11 Gelet op het voorgaande houdt het standpunt van verweerder dat eiser in strijd met de artikelen 8, 11, en 24 van de Wbp en artikel 10 van de Wabb handelt door bij de uitgifte van de rijkspas ter controle het in het IdM opgenomen BSN te vergelijken met het BSN dat is vermeld op het identiteitsbewijs van de aanvrager in rechte stand. Verweerder was derhalve bevoegd de thans in geschil zijnde last onder dwangsom op te leggen. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhaving had moeten afzien zijn door eiser niet gesteld.

2.12 Het beroep is ongegrond.

2.13 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Fetter, mr. C.G. Meeder en

mr. dr. Th.L. Bellekom, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature