Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Doorschuifregeling art. 11 BvdB 2001 niet van toepassing op premies volksverzekeringen en Ziekenfondswet

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00727

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 september 2010, nummer AWB 09/5687, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen voorlopige aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, onderscheidenlijk een premie-inkomen, van € 29.261. Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2005 een voorlopige aanslag in de premie ingevolge de Ziekenfondswet opgelegd naar een inkomen van € 21.050. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken beide voorlopige aanslagen gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, de op de voorlopige aanslag verschuldigde inkomstenbelasting verminderd met € 1.460 en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze laatste uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 maart 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende woont in Nederland. Tot begin 2004 was belanghebbende in loondienst werkzaam in Duitsland. Sinds 2004 drijft belanghebbende in Nederland een onderneming.

2.2. Als gevolg van negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning in jaren voorafgaand aan het jaar 2004 was in de desbetreffende jaren het vrij te stellen buitenlands inkomen uit werk en woning zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: het Besluit) groter dan het belastbare inkomen uit werk en woning. Het dientengevolge naar volgende jaren over te brengen vrij te stellen buitenlands inkomen uit werk en woning, zoals bedoeld in artikel 11 van het Besluit, bedraagt per 31 december 2003 € 56.074 (hierna: het door te schuiven inkomen).

2.3. In de jaren voorafgaand aan het jaar 2004 was belanghebbende niet premieplichtig voor de volksverzekeringen. Hij was in die jaren evenmin premieplichtig ingevolge de Ziekenfondswet.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

(i) dient de voor het jaar 2005 verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te worden verminderd door het, al dan niet ten dele, in aanmerking nemen van het door te schuiven inkomen als vrij te stellen premie-inkomen;

(ii) dient de voor het jaar 2005 verschuldigde premie ingevolge de Ziekenfondswet te worden verminderd door het, al dan niet ten dele, in aanmerking nemen van het door te schuiven inkomen als vrij te stellen inkomen?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en tot vermindering van de verschuldigde premie volksverzekeringen en de verschuldigde premie ingevolge de Ziekenfondswet. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Het Hof verwerpt de grieven van belanghebbende voor zover zij de premie voor de volksverzekeringen betreffen, gezien het arrest van de Hoge Raad van 20 november 2009, nr. 09/00348, LJN: BK3827.

4.2. Het Hof verwerpt eveneens de grieven van belanghebbende voor zover zij de premie ingevolge de Ziekenfondswet betreffen. De regeling van artikel 11 van het Besluit is niet van toepassing op de heffing van de premie ingevolge de Ziekenfondswet, gezien artikel 38, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 1 van het Besluit.

4.3. De door belanghebbende ter zitting verkondigde opvatting dat de premie voor de volksverzekeringen en premie ingevolge de Ziekenfondswet moeten worden vereenzelvigd met de inkomstenbelasting, althans voor zover het de toepassing van artikel 11 van het Besluit betreft, wordt door het Hof verworpen, aangezien deze opvatting geen steun vindt in het recht. Zodanige steun kan met name niet worden gevonden in de regeling inzake de heffing en inning van de premie voor de volksverzekeringen en de premie ingevolge de Ziekenfondswet.

4.4. Het Hof wijst er ten overvloede op dat belanghebbende in de aan het jaar 2004 voorafgaande jaren niet premieplichtig was voor de volksverzekeringen en evenmin premieplichtig ingevolge de Ziekenfondswet. Dat brengt naar 's Hofs oordeel met zich dat zelfs indien, in weerwil van het voorgaande, zou worden aanvaard dat de regeling van artikel 11 van het Besluit op de heffing van de ze premies van overeenkomstige toepassing zou moeten worden verklaard, er geen grond is voor vermindering van de bij de onderwerpelijke aanslagen geheven premies. Er is immers in de aan het jaar 2004 voorafgaande jaren geen voor de bedoelde analoge toepassing van artikel 11 van het Besluit in aanmerking te nemen premie-inkomen voor de premie volksverzekeringen, onderscheidenlijk inkomen voor de premie ingevolge de Ziekenfondswet.

4.5. Belanghebbendes grieven in hoger beroep, zoals nader toegelicht ter zitting, betreffen voor het overige de omstandigheid dat de Inspecteur tot op heden geen gevolg heeft gegeven aan de vergoeding van het door de Rechtbank van belanghebbende geheven griffierecht, waartoe de Rechtbank de Inspecteur in haar uitspraak heeft gelast. Zoals de Inspecteur in zijn verweerschrift terecht heeft opgemerkt, behoeft aan de uitspraak van de Rechtbank geen gevolg te worden gegeven zolang die uitspraak niet onherroepelijk vaststaat.

4.6. Wat betreft, tot besluit, de vermelding in de uitspraak van de Rechtbank van het jaar 2007 in plaats van het jaar 2005, geldt naar 's Hofs oordeel dat sprake is van een kennelijke en voor partijen kenbare verschrijving. Het Hof ziet geen grond voor vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, noch op grond van deze verschrijving, noch op andere gronden.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene, dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

5. Beslissing

Het Hof

* verklaart het hoger beroep ongegrond;

* bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 4 mei 2011 door P.C. van der Vegt, voorzitter, J. Swinkels en F. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature