Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van naturalisatie. De Raad komt evenals de rechtbank tot de conclusie dat de kosten niet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB , zijn aan te merken.

Uitspraak



09/5008 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 juli 2009, 08/1884 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011. Voor appellant is verschenen mr. Wudka. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 3 april 2008 bij het College een verzoek om toezending van een aanvraagformulier bijzondere bijstand ingediend, waarop hij heeft onder meer de legeskosten van een aanvraag om naturalisatie tot een bedrag van € 243,-- heeft vermeld. Op 10 april 2008 heeft appellant deze kosten betaald aan het loket van de gemeente Maastricht en de formele aanvraag gedaan.

1.2. Bij besluit van 29 april 2008 heeft het College de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de onder 1.1 vermelde kosten van naturalisatie afgewezen. De gronden voor de afwijzing zijn:

- dat deze kosten niet als noodzakelijk worden aangemerkt zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Werk en Bijstand (WWB)

- dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken zoals bedoeld in artikel 35 van de WWB .

1.3. Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 april 2008 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt, in aanvulling op het besluit van 29 april 2008, ten grondslag dat, omdat appellant een geldig verblijfsdocument heeft waarmee hij zich kan legitimeren, er geen noodzaak is om zich te laten naturaliseren. Verder heeft het College opgemerkt dat is gebleken dat op het moment waarop appellant de aanvraag deed de onderhavige kosten al waren voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 juli 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidtoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.

4.2. De Raad is van oordeel dat bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld dient te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.3. De Raad constateert op basis van de gedingstukken, waaronder de ambtelijke rapportage over de aanvraag, dat het College de aanvraag om bijzondere bijstand in hoofdzaak heeft afgewezen op de grond dat er geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Gelet op de onder 1.1 beschreven gang van zaken, ziet de Raad in het moment waarop de (formele) aanvraag is gedaan geen beletsel voor de verlening van bijzondere bijstand.

4.4. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 3 augustus 2010, LJN BN3905) behoren legeskosten tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.5. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden in de onder 4.4 bedoelde zin, reeds omdat de noodzaak van de naturalisatie niet is komen vast te staan. Appellant stelt dat hij zich moest laten naturaliseren om zich te kunnen legitimeren en omdat hij voor tal van handelingen een geldig Nederlands paspoort nodig heeft. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het College terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellant zich kan legitimeren met het verblijfsdocument waarover hij beschikt en dat er in dat opzicht geen sprake is van een noodzaak tot naturalisatie. Ter zitting van de Raad is gebleken dat een dergelijke noodzaak ook anderszins, bijvoorbeeld in verband met de voorziening in het inkomen van appellant, niet bestond.

4.6. Op grond van het voorgaande komt de Raad evenals de rechtbank tot de conclusie dat de onderhavige kosten niet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB , zijn aan te merken.

4.7. Het voorgaande houdt in dat het College de aanvraag om bijzondere bijstand op goede gronden heeft afgewezen.

4.8. Het hoger beroep van appellant slaagt dan ook niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B. Bekkers.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature