Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

toegangsweigering, Turkse dienstverrichter of dienstontvanger, Soysal-arrest, visumplicht, standstill-bepaling, ambtshalve aanvulling van rechtsgronden,

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Middelburg

AWB nummer: 10/32741

V-272.175.9769

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[naam],

eiser,

gemachtigde mr. J.J. Bronsveld,

advocaat te Bergen op Zoom,

tegen

de Minister voor Immigratie en Asiel,

voorheen de Minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovács,

medewerker bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het door verweerder genomen besluit van 24 augustus 2010 (hierna: het bestreden besluit).

Het beroep is ter zitting behandeld op 14 april 2011. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Partijen zijn in de gelegenheid te stellen te reageren op de door de rechtbank gestelde vraag naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 19 februari 2009 in de zaak van M. Soysal en I. Savatli tegen de Bondsrepubliek Duitsland (C-228/06, LJN: BH4314, JV 2009/144; hierna te noemen: het Soysal-arrest) alsmede de brief van 28 januari 2011 (kenmerk DJZ/ER 2011/06), ondertekend door verweerder en de Minister van Buitenlandse Zaken, gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, waarin een reactie wordt gegeven op dit arrest.

Op respectievelijk 19 april 2011 en 6 mei 2011 hebben partijen een nadere schriftelijke reactie ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven, nu partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Een ambtenaar belast met de grensbewaking heeft te Schiphol op 9 mei 2010 aan eiser, geboren op [1964] en van Turkse nationaliteit, op grond van artikel 13, gelezen in samenhang met artikel 5, van de Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 16 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (de Schengengrenscode, hierna: SGC) de toegang tot Nederland geweigerd. Op 7 juni 2010 heeft eiser hiertegen administratief beroep ingesteld. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit beroep ongegrond verklaard.

2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de SGC dient een onderdaan van een derde land voor een verblijf van ten hoogste drie maanden in het bezit te zijn van een visum, indien dat land staat vermeld op de bij Verordening 539/2001 vastgestelde lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum. In artikel 13, eerste lid, van de SGC, voor zover hier van belang, is bepaald dat indien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 5, eerste lid, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten wordt geweigerd.

Op 12 september 1963 is een overeenkomst gesloten, waarbij een Associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst).

De Associatieovereenkomst heeft volgens artikel 2, eerste lid, ten doel de gestadige en evenwichtige versterking van de commerci ële en economische betrekkingen tussen de partijen te bevorderen, ook op het gebied van de arbeidskrachten, door geleidelijke totstandbrenging van het vrije verkeer van werknemers, alsmede door opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, met het oog op de verbetering van de levensstandaard van het Turkse volk en om in een later stadium de toetreding van de Turkse Republiek tot de Gemeenschap te vergemakkelijken.

Op 23 november 1970 hebben de overeenkomstsluitende partijen het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst ondertekend, dat voor (het Europese deel van) het Koninkrijk der Nederlanden op 1 januari 1973 in werking is getreden.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (ook genoemd: standstill-bepaling).

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser op juiste gronden de toegang is geweigerd. Eiser, die in het bezit was van een Schengenvisum, geldig tot 28 april 2011, en afgegeven door het Franse consulaat te Istanbul, heeft volgens verweerder bij deze visumaanvraag onjuiste gegevens verstrekt. Zoals blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2010, opgemaakt door een medewerker van de Koninklijke Marechaussee (de KMar), heeft eiser bij zijn inreis op 9 mei 2010 verklaard dat hij voor zaken naar Nederland wilde komen. Eiser, die volgens zijn verklaring het vervolgonderzoek niet wilde afwachten, is op 10 mei 2010 teruggekeerd naar Turkije.

Op een latere datum heeft verweerder een vervolgonderzoek ingesteld. Volgens ingewonnen telefonische informatie op 25 juni 2010 door een medewerker van de KMar, heeft eiser tegenover een medewerker van het Franse consulaat in Istanbul verklaard dat hij voor zaken naar Frankrijk wilde reizen en een Frans bedrijf wilde bezoeken.

Het visum waarover hij beschikte was niet geldig omdat hij bij zijn aanvraag bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt. Ook heeft hij zijn reisdoel niet aannemelijk gemaakt, aldus verweerder.

4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hem ten onrechte de toegang is geweigerd omdat hij niet in het bezit was van een geldig visum. Hij bestrijdt dat hij bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt bij de visumaanvraag over het doel van zijn reis. Desgevraagd is ter zitting meegedeeld dat eiser Nederland regelmatig bezoekt in verband met de handel in bloemen en dat zijn gegevens bekend zijn bij verweerder. Hij heeft nimmer problemen ondervonden en wenst in de toekomst van toegangsweigering gevrijwaard te worden. Door deze weigering aan de grens kon een geplande transactie niet doorgaan. Eiser overweegt om een schadeclaim bij verweerder in te dienen.

5. In zijn nadere schriftelijke reactie van 19 april 2011 naar aanleiding van de door de rechtbank gestelde vraag of het gestelde visumvereiste in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol , gelet op het Soysal-arrest en de brief van 28 januari 2011 aan de Tweede Kamer, heeft verweerder zich op het volgende standpunt gesteld.

Volgens voornoemde brief bestond op 1 januari 1973 in Nederland een visumplicht voor Turkse dienstverrichters op grond van twee toen geldende verdragen van 1953 (Trb. 1953, 118) en 1957 (Trb. 1960, 103). Uit het Voorschrift Vreemdelingen (VV) van 1966 blijkt dat sinds 1968 geen visumplicht gold voor Turkse onderdanen, ook niet voor dienstverrichters voor een verblijf korter dan drie maanden. In 1980 werden de verdragen opgeschort. Vervolgens werd de visumplicht in 1982 in het VV opgenomen. Omdat de twee verdragen op grond van artikel 94 van de Grondwet prevaleren boven het VV van 1966, heeft het Soysal- arrest geen gevolgen voor Nederland. Het huidige visumbeleid ten aanzien van Turkse dienstverrichters kan ongewijzigd blijven, aldus verweerder. Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar in het Engels opgestelde Europese richtsnoeren van de Europese Commissie van 29 september 2009 (kenmerk C(2009) 7376) waaruit blijkt dat de Europese Commissie er van uitgaat dat binnen de EU alleen in Duitsland en Denemarken Turkse onderdanen zonder visum kunnen inreizen.

6. In zijn nadere schriftelijk reactie van 6 mei 2011 naar aanleiding van de door de rechtbank gestelde vraag over de betekenis van het Soysal-arrest en de brief van 28 januari 2011 voor het visumvereiste, heeft eiser het navolgende naar voren gebracht. Onder verwijzing naar een artikel van professor C.A. Groenendijk in het tijdschrift Asiel en Migrantenrecht (A&MR) van januari 2011, nr. 1, heeft eiser zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte aanneemt dat het Soysal-arrest geen betekenis heeft voor Nederland. Voor de werking van de standstill-bepaling van artikel 41 van het Aanvullend Protocol en voor de betekenis van het arrest Soysal, is bepalend hoe de Nederlandse wetgeving op 1 januari 1973 luidde en hoe Turkse burgers door de Nederlandse overheid werden behandeld. Omdat vaststaat dat Turkse burgers op 1 januari 1973 waren vrijgesteld van de visumplicht, is de invoering van de visumplicht in 1980 een beperking die strijdig is met artikel 41 van het Aanvullend Protocol .

De rechtbank overweegt als volgt.

7. De rechtbank acht het procesbelang van eiser bij de beoordeling van het beroep aanwezig, reeds nu niet onaannemelijk is dat eiser door de toegangsweigering schade heeft geleden omdat een geplande transactie geen doorgang heeft gevonden. Eiser kan daarom worden ontvangen in zijn beroep.

8. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat eiser op 9 mei 2010 tegenover de KMar heeft verklaard dat hij eigenaar is van een bedrijf, genaamd Cem Botanic, en dat hij regelmatig grote partijen bloemen koopt van een Nederlandse groothandel voor de Turkse markt. Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat aan de orde is de toegangsweigering van een Turkse dienstverrichter dan wel dienstontvanger. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2004 (LJN: AQ9845) ziet de rechtbank in dit geval, in aanmerking nemende dat een rechtstreeks werkende bepaling van Europees recht ter beoordeling staat, aanleiding voor ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

9. Nu eiser de toegangsweigering tot Nederland heeft aangevochten, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er ten aanzien van eiser, als Turkse dienstverrichter of dienstontvanger, sprake is van een visumplicht en meer in het bijzonder of het aan eiser tegenwerpen van het visumvereiste op 9 mei 2010 in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol . Ten aanzien van de toepassing van deze standstill- bepaling acht de rechtbank het Soysal-arrest van belang.

10. In het Soysal-arrest heeft het Hof overwogen dat het ook ten aanzien van de visumplicht gaat om de vraag of de nationale regeling die voor Turkse onderdanen voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat of tot een beroepsactiviteit, strengere materiële en/of procedurele voorwaarden stelde dan die welke ten tijde van de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol in de betrokken lidstaat golden, als een nieuwe beperking in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Protocol dienen te worden beschouwd. Het Hof heeft deze vraag als volgt beantwoord. Artikel 41, eerste lid, van het protocol moet aldus worden uitgelegd dat het zich vanaf de inwerkingtreding van dit protocol verzet tegen de invoering van een visumplicht voor Turkse onderdanen om een lidstaat te kunnen binnenkomen teneinde er voor rekening van een in Turkije gevestigde onderneming diensten te verrichten, wanneer bij die inwerkingtreding geen visumplicht gold. Uit de overwegingen van het Hof in de zaak Soysal volgt voorts, dat voor elk Schengenland waar Turkse dienstverrichters of dienstontvangers zich bij de grens melden, geldt dat het desbetreffende land onderzoek zal moeten verrichten of Turkse dienstverrichters of dienstontvangers op 1 januari 1973 een visum nodig hadden om in dat land toegang te verkrijgen en dat enkel als dit het geval is, het visumvereiste ook in de toekomst mag worden gesteld.

11. Met betrekking tot de Nederlandse situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol, is van belang wat verweerder en de Minister van Buitenlandse Zaken in de brief van 28 januari 2011, zoals verwoord in rechtsoverweging 5, hebben meegedeeld.

De rechtbank is van oordeel dat de Associatieovereenkomst en het Aanvullend Protocol van latere datum zijn dat de twee in de brief genoemde verdragen met Turkije, zodat verweerder zich niet met vrucht op deze twee verdragen kan beroepen.

De rechtbank maakt uit de brief op dat in de jaren 1968 tot 1980 op grond van het toen geldende Voorschrift Vreemdelingen 1966 geen visumplicht gold voor Turkse onderdanen voor een verblijf van minder dan drie maanden. Anders dan verweerder heeft aangevoerd, doet artikel 94 van de Grondwet daar niet aan af, alleen al omdat nationale wetgeving niet af kan doen aan verplichtingen op grond van het Europees recht.

De invoering van de visumplicht in 1980 is daarom naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een nieuwe beperking in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol . Dit heeft tot gevolg dat aan eiser, als Turkse dienstverrichter of dienstontvanger, het visumvereiste ten onrechte is tegengeworpen.

12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het administratief beroep tegen de toegangsweigering ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Nu rechtens nog maar één beslissing mogelijk is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het besluit tot toegangsweigering van 9 mei 2010 herroepen.

13. Het beroep is gegrond.

14. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting)

III. Uitspraak

De rechtbank 's-Gravenhage,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit tot toegangsweigering;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,00 (achthonderdvierenzeventig euro),

te betalen aan eiser;

gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad € 150,00 (honderdvijftig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, en in tegenwoordigheid van

mr. J. Loonstra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2011.

Afschrift verzonden op: 18 augustus 2011


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature