Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Vordering tot inzage in het integrale belastingdossier betrekking hebbend op appellante over een aantal jaren, althans inzage in bepaalde stukken en gegevens. Geheimhoudingsplicht art. 67 AWR.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.083.629

(zaaknummer / rolnummer rechtbank 210090 / KG ZA 10-827)

arrest in kort geding van de eerste civiele kamer van 19 juli 2011

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. C. Hofmans,

tegen:

De Ontvanger van de Belastingdienst Ondernemingen Nijmegen,

gevestigd te Nijmegen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.I. Wisman.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 1 februari 2011 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem in kort geding tussen appellante (hierna te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerde (hierna te noemen: de Ontvanger) als gedaagde heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 28 februari 2011 de Ontvanger aangezegd van voormeld vonnis van 1 februari 2011 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de Ontvanger voor dit hof. Zij heeft twee grieven aangevoerd en toegelicht en zij heeft bewijs aangeboden. In het exploot heeft zij aangekondigd te zullen vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, zo nodig onder verbetering van gronden, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de Ontvanger zal veroordelen om binnen dertig dagen na betekening van het te wijzen arrest inzage te verschaffen in het integrale belastingdossier van [appellante] dan wel afschriften hiervan, waaronder in ieder geval begrepen de juridische, fiscale en boekhoudkundige rapporten opgesteld door de Ontvanger, en tevens een afschrift van alle correspondentie met [appellante] over de opgelegde aanslagen, naheffing(en) en boetes en loonbelasting betrekking hebbende op de periode 1998 tot en met 2006, dan wel aan [appellante] inzage te verschaffen in de volgende zaken/bescheiden, te weten: het verzoek van de VOF aan de belastingdienst tot (ge)ruisloze inbreng, de beslissing van de belastingdienst op het verzoek van de VOF aan de belastingdienst tot (ge)ruisloze inbreng, de voorverklaring van de BV’s en de bankverklaringen, de betaling en verwerking van UWV-afdrachten, de originele facturatie (debiteurenportefeuille) van de VOF vóór de omboeking of het opnieuw inboeken op last van de belastingdienst of met medewerking van de belastingdienst, de gespreksverslagen van de belastingdienst met de heer [A.] (opvolgend eigenaar van de BV’s) in het bijzijn van de heer [B.], de stukken van notaris Bouma aan de belastingdienst in verband met de oprichting van de BV’s, de bestemming van de gestelde betaling van NLG 9.857,- aan [appellante], dan wel dit dossier althans deze genoemde stukken te deponeren ter griffie van het hof zodat [appellante] daarvan kennis kan nemen en kopieën kan maken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,-, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat de Ontvanger in gebreke is aan deze veroordeling te voldoen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties, daaronder begrepen alle kosten die op de tenuitvoerlegging vallen.

2.2 Op de rol van 15 maart 2011 heeft [appellante] geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van voormeld exploot. Voorts heeft zij de gedingstukken uit de eerste aanleg (de producties 1 tot en met 48 en de processtukken, genummerd 49 tot en met 52) overgelegd.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de Ontvanger de grieven bestreden en heeft hij producties in het geding gebracht. De Ontvanger heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig met verbetering of aanvulling van gronden, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en met verklaring dat deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met bepaling dat over de proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na datum van het arrest.

2.4 Ter zitting van 20 juni 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. C. Hofmans voornoemd en de Ontvanger door mr. W.I. Wisman voornoemd. Beide advocaten hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. Hofmans heeft voorafgaand aan de zitting aan de Ontvanger en het hof de producties 53 en 54 gezonden. Mr. Wisman heeft verklaard tegen het in het geding brengen van die producties geen bezwaar te hebben, waarna het hof aan mr. Hofmans akte heeft verleend van het in het geding brengen van die producties. Ter zitting heeft mr. Hofmans, met instemming van mr. Wisman, voorts nog de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 16 juni 2011 overgelegd, waarin op het verzoek van [appellante] tot ontheffing van de geheimhoudingsplicht ex artikel 67 lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) is beslist.

2.5 Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 Het hof gaat uit van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 vermelde feiten. Aan deze feiten kan thans nog het volgende worden toegevoegd.

3.2 [appellante] heeft bij exploot van 15 februari 2011 de Ontvanger gedagvaard voor dit hof en herroeping gevorderd van het (onder 2.4 van het bestreden vonnis vermelde) arrest van 13 september 2005. De herroepingszaak is aangebracht op de rol van dit hof van 15 maart 2011 en staat thans voor conclusie van antwoord aan de zijde van de Ontvanger.

3.3 Bij brief van 16 juni 2011 heeft de Staatssecretaris van Financiën aan [appellante] bericht dat hij geen aanleiding ziet om de door [appellante] gevraagde ontheffing van de geheimhoudingsverplichting (zie onder 2.7 van het bestreden vonnis) te verlenen.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of de Ontvanger [appellante] inzage dient te verlenen in of afschrift dient te verstrekken van het integrale op haar betrekking hebbende belastingdossier over de periode van 1998 tot en met 2006, althans inzage dient te geven in de door [appellante] in het bijzonder genoemde stukken en gegevens. De voorzieningenrechter heeft de daartoe strekkende vorderingen van [appellante] afgewezen.

4.2 Hiertegen keert [appellante] zich in dit hoger beroep. Zij stelt dat zij recht heeft op inzage in voormelde stukken op grond van artikel 67 AWR en dat de Ontvan ger onrechtmatig handelt door haar deze (integrale) inzage niet te verschaffen. Achtergrond van haar vorderingen is dat de belastingdienst op 24 en 25 juli 2001 naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen en omzetbelasting heeft opgelegd aan de vennootschap onder firma [de VOF] (hierna: de VOF), van welke VOF [appellante] van 1 december 1997 tot en met 26 september 1999 vennoot was. Tegen deze aanslagen is geen bezwaarschrift ingediend, zodat deze aanslagen formele rechtskracht hebben gekregen. Aangezien de aanslagen niet werden voldaan, heeft de Ontvanger [appellante] op grond van artikel 33 lid 1 aanhef en onder a van de Invorderingswet 1990 (IW) en/of artikel 16 van de Wet financiering volksverzekeringen voor het bedrag van de aanslagen aansprakelijk gesteld. Omdat [appellante] haar aansprakelijkheid betwistte en de vordering onbetaald liet, heeft de Ontvanger haar gedagvaard voor de rechtbank Arnhem. De rechtbank heeft bij vonnissen van 15 januari 2003 en 7 mei 2003 geoordeeld dat [appellante] gehouden is genoemde aanslagen te voldoen. Bij arrest van 13 september 2005 heeft het hof deze vonnissen bekrachtigd. Tegen dit arrest is geen cassatieberoep ingesteld, zodat dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan. [appellante] heeft in 2009 de Ontvanger aansprakelijk gesteld wegens onrechtmatig handelen, omdat in haar visie de Ontvanger (1) haar stelselmatig heeft benadeeld ten opzichte van het echtpaar [A.]-[C.] (dat evenals [appellante] en haar echtgenoot betrokken was bij de VOF en de in 1999 opgerichte besloten vennootschappen TTS Holding B.V., TTS Uitzendburo B.V. en TTS Detachering & Opleidingen B.V., verder te noemen de BV’s), (2) op onrechtmatige wijze aan de VOF aanslagen heeft opgelegd die ten laste van de BV’s hadden moeten komen, en (3) over dezelfde omzet aan zowel de VOF als de BV’s aanslagen heeft opgelegd. Zij heeft een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Arnhem, waarin zij onder meer een verklaring voor recht dienaangaande heeft gevorderd. De rechtbank heeft bij vonnis van 22 december 2010 de vorderingen van [appellante] afgewezen. [appellante] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Op dat hoger beroep is nog niet beslist. Zoals onder 3.2 vermeld, heeft [appellante] intussen herroeping gevorderd van het arrest van het hof van 13 september 2005. Zij stelt dat de Ontvanger tijdens de eerdere procedures willens en wetens informatie voor haar en voor de rechtbank en het hof heeft achtergehouden en bedrog heeft gepleegd. Zij wijst erop dat zij vanaf 2001 tot heden zeventien verzoeken om inzage heeft gedaan aan de Belastingdienst en acht verzoeken aan het Ministerie van Financiën, maar dat dit nimmer tot enig resultaat heeft geleid. Zij heeft alleen op 11 juni 2010 inzage gekregen in een beperkt dossier. Zij meent dat uit het volledige dossier de werkelijke gang van zaken, met name rondom de overgang van de VOF naar de BV’s, moet kunnen blijken. [appellante] wenst zo spoedig mogelijk inzage daarin te verkrijgen, om haar stellingen in voormelde procedures nader te kunnen onderbouwen.

4.3 De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat de vordering van [appellante] een juridische grondslag ontbeert. Hij wijst er daarbij op dat artikel 67 AWR een geheimhoudingsplicht behelst voor personen die betrokken zijn bij de belastingwet en dat aan dat artikel geen aanspraak op verstrekking van gegevens kan worden ontleend. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat er een juridische grondslag is voor de vordering, heeft volgens de Ontvanger te gelden dat de vordering van [appellante] tot verstrekking van inzage in dan wel afschrift van haar volledige belastingdossier afstuit op de geheimhoudingsplicht die ingevolge artikel 67 AWR op de belastingdienst rust. Ten aanzien van de vordering tot inzage in de door [appellante] met name genoemde stukken en gegevens merkt hij op dat, voor zover artikel 67 AWR niet in de weg staat aan kennisname van het belastingdossier, [appellante] welkom is om daarin inzage te nemen. Toewijzing van enige daartoe strekkende vordering is volgens hem niet vereist. Voor zover de vordering betrekking heeft op andere stukken, staat artikel 67 AWR aan toewijzing in de weg. Daarnaast merkt de Ontvanger op dat [appellante] er ten onrechte van uitgaat dat alle in de appeldagvaarding genoemde stukken bestaan, althans dat de belastingdienst daarover de beschikking heeft (gehad). Ten slotte stelt de Ontvanger dat ook op inhoudelijke gronden niet valt in te zien welk belang [appellante] heeft bij de stukken die door haar in de appeldagvaarding zijn gespecificeerd.

4.4 Artikel 67 AWR luidt sinds 1 januari 2008 als volgt:

1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).

2. De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:

a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;

b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;

c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.

3. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.

Artikel 67 IW bevat een vrijwel gelijkluidende bepaling.

4.5 Zoals uit artikel 67 lid 1 AWR volgt, geldt in beginsel voor een ieder die bij de uitvoering van de belastingwetgeving is betrokken de verplichting tot geheimhouding van gegevens, behalve voor zover bekendmaking daarvan noodzakelijk is voor de heffing of invordering van belasting. Blijkens de wetsgeschiedenis dient deze geheimhoudingsplicht, naast het algemene belang van bescherming van persoonsgegevens, het belang dat personen niet van het verstrekken van gegevens aan de belastingdienst moeten worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet (zie memorie van toelichting bij het voorstel tot Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, Kamerstukken 2005-2006, 30322, nr. 3. blz. 12). In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag bij dit wetsvoorstel is beargumenteerd dat deze geheimhoudingsplicht ook heeft te gelden voor gegevens die de belastingplichtige zelf betreffen. Een uitzondering daarop is nadrukkelijk slechts gemaakt voor gegevens die de belastingplichtige zelf heeft verstrekt, omdat het juridische standpunt dat de belastingdienst geen kopie zou mogen verstrekken van een stuk dat de belastingplichtige op een eerder moment aan de belastingdienst heeft gegeven, niet aansluit bij het algemene rechtsgevoel. Over de geheimhoudingsplicht in relatie tot gegevens waarop de belastingheffing en invordering is gebaseerd, is opgemerkt dat ingevolge artikel 67 lid 1 AWR de geheimhoudingsplicht niet geldt als bekendmaking van de gegevens noodzakelijk is voor de heffing en invordering, en dat ingevolge artikel 67 lid 2 aanhef en onder a AWR een wettelijke verplichting tot gegevensverstrekking in andere wetten voorgaat boven de fiscale geheimhoudingsplicht. Gewezen is daarbij op de artikelen 7:4 lid 2 en 8:42 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die de inspecteur of ontvanger verplichten de op de zaak betrekking hebbende stukken voor de belanghebbende ter inzage te leggen respectievelijk aan de rechter te sturen, artikel 49 lid 5 IW , dat de aansprakelijk gestelde recht geeft op gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld, en de motiveringsplicht uit artikel 3:46 e.v. Awb, die meebrengt dat gegevens waarop de belastingaanslag of beslissing op bezwaar is gebaseerd (desgevraagd) aan de belastingplichtige bekend moeten worden gemaakt. Stukken die van belang zijn voor de onderbouwing van een belastingaanslag of aansprakelijkstelling worden in dat kader dus wel verstrekt. Ten slotte is erop gewezen dat het niet van toepassing zijn van de geheimhoudingsplicht geen verplichting tot gegevensverstrekking met zich brengt. De fiscale geheimhoudingsbepalingen geven niet aan wanneer de belastingdienst verplicht is tot gegevensverstrekking over te gaan. De verplichting daartoe vloeit voort uit de hiervoor genoemde bepalingen van de Awb en de IW of uit specifieke wetten. Ten aanzien van de ontheffingsbepaling van artikel 67 lid 3 AWR is opgemerkt dat, waar het gegevensverstrekking aan belastingplichtigen zelf betreft, het gaat om situaties waarin de verstrekking niet noodzakelijk is voor de heffing of invordering en voor zover de verstrekking in artikel 67 lid 2 onder c niet is uitgezonderd van de geheimhoudingsplicht. Daarbij moet worden gedacht aan ontheffing voor bijvoorbeeld verklaringen over inkomen, vermogen en de eventuele afwezigheid van belastingschulden van de belastingplichtige (zie Kamerstukken 30322, nr. 3, blz. 19 en 20 en nr. 7, blz. 23 e.v.).

4.6 Gelet op het voorgaande kan op artikel 67 AWR als zodanig geen recht op inzage in of afschrift van stukken uit het belastingdossier worden gebaseerd. Aan de hiervoor genoemde bepalingen uit de Awb en IW kan, buiten de situaties waarop deze artikelen betrekking hebben, een dergelijk recht ook niet worden ontleend. Het hof voegt hieraan nog toe dat uit artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarop [appellante] zich bij pleidooi in hoger beroep heeft beroepen, ook geen algemeen en onbeperkt recht van de belastingplichtige op inzage in zijn belastingdossier kan worden afgeleid. Met het voorgaande is evenwel niet uitgesloten dat, indien de belastingplichtige een rechtmatig belang heeft bij inzage in/afschrift van bepaalde stukken en artikel 67 AWR zich daartegen niet verzet, onder bijzondere omstandigheden de weigering van inzage of afschrift in strijd kan komen met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en daarmee onrechtmatig is. Tegen die achtergrond overweegt het hof over de onderhavige vorderingen van [appellante] het volgende.

4.7 Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat het verschaffen van inzage in of het verstrekken van afschrift van het integrale belastingdossier of delen daaruit aan [appellante] noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of de invordering van belasting. Dit geldt temeer, nu de aanslagen die aan de VOF zijn opgelegd formele rechtskracht hebben gekregen, de uitspraken waarbij de aansprakelijkheid van [appellante] voor deze aanslagen is vastgesteld kracht van gewijsde hebben gekregen, en [appellante] de aanslagen ook al heeft voldaan, zodat het invorderingstraject is afgerond. Dat [appellante] herroeping heeft gevorderd van het arrest van het hof van 13 september 2005, waarbij over haar aansprakelijkheid is beslist, maakt dat niet anders. Het standpunt van [appellante] dat de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 67 lid 1 AWR niet geldt, omdat de fase van uitvoering van de belastingwet en invordering nog niet is gepasseerd, kan daarom niet worden gevolgd. Haar standpunt dat artikel 67 lid 1 AWR toepassing mist, omdat de daarin neergelegde geheimhoudingsplicht slechts geldt ten opzichte van anderen dan de belastingplichtige, gaat gelet op hetgeen hiervoor over de reikwijdte van deze bepaling is opgemerkt evenmin op.

4.8 Het voorgaande betekent dat, nu geen sprake is van een wettelijk voorschrift dat tot bekendmaking verplicht, op grond van artikel 67 lid 2 AWR de geheimhoudingsplicht alleen niet geldt voor zover het gegevens betreft die betrekking hebben op [appellante] en die door of namens haar zelf aan de belastingdienst zijn verstrekt. Haar primaire vordering tot inzage in of afschrift van haar integrale belastingdossier stuit daarop reeds af. Grief I, die tegen het desbetreffende oordeel van de voorzieningenrechter is gericht, faalt derhalve.

4.9 Ten aanzien van de met name genoemde stukken en gegevens, waarop de subsidiaire vordering van [appellante] betrekking heeft, overweegt het hof het volgende.

4.10 [appellante] wenst in de eerste plaats inzage in het verzoek van de VOF aan de belastingdienst tot geruisloze inbreng en de beslissing daarop van de belastingdienst. De Ontvanger heeft wat dit betreft verwezen naar de door [appellante] overgelegde stukken van de Kamer van Koophandel (te weten het formulier wijziging ondernemingsgegevens en het uittreksel uit de handelsregisterhistorie van TTS) waaruit blijkt dat de door de VOF gedreven onderneming in de BV is voortgezet. Verder verwijst hij naar de door [appellante] in een eerdere procedure overgelegde brief van de Kamer van Koophandel van 12 oktober 2009, waarin wordt bevestigd dat een openings- en sluitingsbalans zijn overgelegd die de stelling ondersteunen dat de VOF volledig (en geruisloos) is opgegaan in de Holding. De Ontvanger stelt dat over de inbreng van de in de VOF gedreven onderneming in de BV destijds is gesproken met de heer [D.], in de periode dat deze controles verrichtte bij aanvankelijk de VOF en later de BV. Volgens de Ontvanger zijn ook de hiervoor bedoelde slotbalans van de VOF en openingsbalans van de BV aan de inspecteur voorgelegd. Aangezien de inspecteur geen belemmeringen zag voor geruisloze inbreng van de onderneming in de BV, zijn de balansen goedgekeurd. Daarmee is ook de geruisloze inbreng goedgekeurd. Dit is niet neergelegd in een schriftelijke beschikking, aldus de Ontvanger. Hoewel [appellante] de door de Ontvanger gestelde gang van zaken betwist, gaat zij er blijkens haar verklaring ter zitting zelf ook van uit dat de door haar genoemde stukken niet bestaan. In feite wil zij met de gevraagde inzage op dit punt bevestigd zien dat deze stukken er niet zijn. Voor een veroordeling tot het verlenen van inzage in de bedoelde stukken is reeds daarom geen plaats.

4.11 In de tweede plaats vraagt [appellante] naar de voorverklaringen en bankverklaringen inzake de oprichting van de BV’s. De Ontvanger heeft gewezen op de drie bankverklaringen die [appellante] zelf in het geding heeft gebracht. Ter zitting heeft [appellante] erkend dat zij reeds over deze verklaringen beschikt. Zij wil echter verifiëren of deze verklaringen identiek zijn aan de verklaringen die zich bevinden in het dossier van de belastingdienst. Enige concrete reden om aan te nemen dat de belastingdienst over meer of andere bank- of voorverklaringen beschikt, heeft zij echter niet aangevoerd. Gelet daarop heeft [appellante] haar belang bij inzage in deze stukken onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Hetzelfde geldt voor de door [appellante] genoemde stukken van de notaris in verband met de oprichting van de BV’s. De Ontvanger heeft erop gewezen dat, voor zover er stukken zijn in verband met de oprichting van de BV’s, het in de rede ligt dat de bij de oprichting van de BV’s betrokken personen, zoals [appellante], over deze stukken beschikken. Dat dit inderdaad het geval is, wordt in zijn ogen bevestigd door het feit dat [appellante] zelf in een eerdere procedure een afschrift van de akte van oprichting heeft overgelegd. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] ook op dit punt niet aannemelijk gemaakt dat de belastingdienst meer of andere stukken heeft dan die waarover zij zelf reeds beschikt.

4.12 In de derde plaats verlangt [appellante] inzage in (gegevens betreffende) de betaling en verwerking van UWV-afdrachten van haar bedrijf. Met de Ontvanger acht het hof echter onvoldoende duidelijk welke stukken [appellante] hiermee op het oog heeft. Zonder nadere toelichting valt ook niet in te zien dat het hierbij om stukken zou gaan die afkomstig zijn van [appellante] en waarover de belastingdienst beschikt. [appellante] heeft slechts gesteld dat de belastingdienst de bedoelde afdrachten incasseerde, maar zij is niet ingegaan op de reactie van de Ontvanger dat het UWV vóór 2006 zelf de incasso van premies verrichtte.

4.13 In de vierde plaats noemt [appellante] de originele facturatie (debiteurenportefeuille) van de VOF vóór de omboeking, die volgens haar op last van of met medewerking van de belastingdienst heeft plaatsgevonden. Volgens de Ontvanger miskent [appellante] hiermee dat het aan de voor de belastingwet administratieplichtige lichamen of personen is om een administratie bij te houden en te bewaren en dat die verantwoordelijkheid niet rust op de belastingdienst. De Ontvanger wijst erop dat, voor zover het onderzoek van de inspecteur zich heeft uitgestrekt tot de debiteurenportefeuille van de VOF, dit soort onderzoeken door de inspecteur worden verricht bij de onderneming. Ter gelegenheid van dit onderzoek wordt door de inspecteur inzage genomen in de boekhouding. De boekhouding komt dan ook niet in het bezit van de belastingdienst, zodat de belastingdienst hierin ook geen inzage kan verschaffen, aldus de Ontvanger. [appellante] heeft hierop niet (gemotiveerd) gereageerd. Ook wat dit betreft acht het hof daarom onvoldoende aannemelijk dat de belastingdienst over de bedoelde gegevens beschikt, zodat voor een veroordeling tot het verschaffen van inzage daarin geen plaats is.

4.14 In de vijfde plaats vraagt [appellante] naar gespreksverslagen van de belastingdienst met de heer [A.] in het bijzijn van de heer [B.]. De Ontvanger wijst er terecht op dat het hier geen gegevens betreft die door of namens [appellante] zijn verstrekt, zodat de uitzondering van artikel 67 lid 2 onder c AWR daarop geen betrekking heeft. Voor zover dergelijke verslagen aanwezig zijn, staat de geheimhoudingsplicht aan het verlenen van inzage in de weg.

4.15 In de zesde plaats vraagt [appellante], ten slotte, naar de bestemming van de (vermeende) betaling van NLG 9.857,- aan [appellante]. De Ontvanger heeft wat dit betreft verwezen naar eerdere processtukken, waarin uitleg is gegeven over de berekening van dit bedrag, en naar een brief van 24 mei 2011, waarin de belastingdienst is ingegaan op vragen van [appellante] over de wijze waarop de betaling van dit bedrag heeft plaatsgevonden. [appellante] is hierop bij pleidooi niet meer teruggekomen. Het hof houdt het er daarom voor dat de desbetreffende vragen van [appellante] zijn beantwoord. [appellante] heeft niet duidelijk gemaakt dat zij in dit verband nog inzage in bepaalde stukken of gegevens wenst. Daar komt bij dat niet zonder meer duidelijk is dat het hierbij om gegevens zou gaan die door of namens [appellante] zijn verstrekt, waarvoor de geheimhoudingsplicht niet zou gelden.

4.16 [appellante] heeft niet gesteld dat er nog andere specifieke gegevens zijn, waarover de belastingdienst moet beschikken en die voor de herzieningsprocedure van belang zijn, zodat zij een rechtmatig belang zou hebben bij de bekendmaking van die gegevens. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat ook de subsidiaire vordering niet toewijsbaar is. Grief II, waarmee [appellante] deze vordering aan de orde stelt, treft dus ook geen doel.

4.17 Het hof merkt ten slotte nog op dat [appellante] geen grief heeft gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat zij de mogelijkheid tot ontheffing op grond van artikel 67 lid 3 AWR niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Uit haar stellingen in hoger beroep blijkt ook niet dat zij heeft bedoeld op te komen tegen de inmiddels genomen beslissing op haar verzoek tot ontheffing door de Staatssecretaris van Financiën.

Deze grondslag staat in elk geval in deze procedure dan ook niet ter beoordeling van het hof.

4.18 Het door [appellante] gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd, reeds omdat deze procedure in kort geding zich niet leent voor bewijslevering.

5. Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 1 februari 2011;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 2.682,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 649,- voor griffierecht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaal te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, D.J. van Dijk en A. Smeeing-van Hees en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature