Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vreemdelingenbewaring / gronden bewaring / geen vaste woon- of verblijfplaats / geen nadere op de vreemdeling toegespitste toelichting

De rechtbank heeft geoordeeld dat de omstandigheden dat de vreemdeling is veroordeeld ter zake van een misdrijf en dat hij niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 , niet aan de maatregel ten grondslag mochten worden gelegd. De minister heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld, zodat dit oordeel in rechte is komen vast te staan. Bij de beoordeling van het hoger beroep van de vreemdeling dient er derhalve van te worden uitgegaan dat de maatregel van bewaring uitsluitend berust op de omstandigheid dat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. […]. De vreemdeling heeft niet door middel van een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of anderszins aangetoond dat hij in Nederland over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt. De niet met gegevens of bescheiden gestaafde stelling dat hij bij zijn partner en zoon kan verblijven, is daartoe onvoldoende. […]. De omstandigheid dat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, is zonder nadere op de vreemdeling toegespitste toelichting onvoldoende om te concluderen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert en kan derhalve bij het ontbreken van een zodanige toelichting de maatregel van bewaring niet zelfstandig dragen.

Uitspraak



201101860/1/V3.

Datum uitspraak: 5 augustus 2011

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 1 februari 2011 in zaak nr. 11/282 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en dat deze omstandigheid voldoende is voor het oordeel dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

2.1.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000),

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft,

- veroordeeld is terzake een misdrijf.

2.1.2. Niet is in geschil dat de vreemdeling onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de richtlijn) valt.

Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld

(uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3; www.raadvanstate.nl) kan artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) – voor zover nodig – richtlijnconform worden uitgelegd in die zin dat, zolang niet aan artikel 3, zevende lid, van de richtlijn is voldaan, een maatregel van bewaring alleen mag worden opgelegd indien de betrokken vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verder is in die uitspraak geoordeeld dat de minister bij omstandigheden als hiervoor onder 2.1.1 weergegeven, niet kan volstaan met de enkele vermelding van die omstandigheden en het daaraan verbinden van door hem als algemeen geldend beschouwde conclusies.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 april 2011 in zaak nr. 201101086/1/V3; www.raadvanstate.nl) dient bij de beoordeling of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de toelichting die de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, op die omstandigheden heeft gegeven en, in samenhang daarmee, met hetgeen hieromtrent uit het bewaringsdossier van de vreemdeling valt af te leiden.

2.1.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de omstandigheden dat de vreemdeling is veroordeeld ter zake van een misdrijf en dat hij niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 , niet aan de maatregel ten grondslag mochten worden gelegd. De minister heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld, zodat dit oordeel in rechte is komen vast te staan. Bij de beoordeling van het hoger beroep van de vreemdeling dient er derhalve van te worden uitgegaan dat de maatregel van bewaring uitsluitend berust op de omstandigheid dat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

2.1.4. De vreemdeling heeft niet door middel van een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of anderszins aangetoond dat hij in Nederland over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt. De niet met gegevens of bescheiden gestaafde stelling dat hij bij zijn partner en zoon kan verblijven, is daartoe onvoldoende.

De grief faalt in zoverre.

2.1.5. In een brief van 18 januari 2011 aan de rechtbank heeft de minister toegelicht dat de vreemdeling, doordat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats, onvoldoende traceerbaar is, waardoor hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt en belemmert. De rechtbank is de minister hierin gevolgd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 mei 2011 in zaak nr. 201102956/1/V3; www.raadvanstate.nl) is deze toelichting algemeen van aard en onvoldoende om aan te nemen dat de desbetreffende vreemdeling enkel en alleen wegens het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Zoals de Afdeling voorts heeft overwogen in voormelde uitspraak van 17 mei 2011 betekent het vorenstaande niet dat deze omstandigheid niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht worden gelegd, doch dat deze – bij gebreke van een op de vreemdeling toegespitste toelichting – alleen in samenhang met andere omstandigheden tot het oordeel kan leiden dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

De omstandigheid dat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, is zonder nadere op de vreemdeling toegespitste toelichting onvoldoende om te concluderen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert en kan derhalve bij het ontbreken van een zodanige toelichting de maatregel van bewaring niet zelfstandig dragen.

De grief slaagt in zoverre.

2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen verdere bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 3 januari 2011 van de minister alsnog gegrond verklaren. Nu de minister de vrijheidsontnemende maatregel reeds heeft opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven.

2.3. Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 , voor zover thans van belang, kan de rechtbank aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt. Artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid van laatstbedoelde bepaling heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

2.3.1. Vaststaat dat op de vreemdeling de rechtsplicht rust Nederland te verlaten. Die rechtsplicht brengt onder meer met zich dat hij volledige medewerking dient te verlenen aan elke poging van de minister om zijn terugkeer naar zijn land van herkomst of enig ander land waar zijn toelating is gewaarborgd, te bewerkstelligen. In het proces-verbaal van verhoor van 3 januari 2011 staat dat de vreemdeling heeft verklaard sinds 2003 in Nederland te verblijven. Uit de brief van de vreemdeling van 21 januari 2011 kan worden afgeleid dat hij hier te lande nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad. De vreemdeling heeft voorts in zijn hogerberoepschrift de overweging van de rechtbank, dat hij zich gedurende dit illegale verblijf nimmer bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld, niet betwist. Uit de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 13 maart 2009 in zaak nr. 09/6233 blijkt voorts dat de eerdere inbewaringstelling is opgeheven nadat een kopie van het paspoort van de vreemdeling en een uittreksel uit het geboorteregister waren ontvangen. De vreemdeling heeft Nederland desondanks nadien niet verlaten en heeft derhalve bewust gekozen voor langdurige voortzetting van zijn onrechtmatig verblijf hier te lande met het daaraan verbonden risico op herhaalde inbewaringstelling. Onder de gegeven omstandigheden bestaat aanleiding de schadevergoeding tot nihil te matigen.

2.4. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 1 februari 2011 in zaak nr. 11/282;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. stelt het bedrag van de schadevergoeding op nihil;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter w.g. Van Leeuwen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2011

480-699.

Verzonden: 5 augustus 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature