Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Tussenuitspraak. Ingangsdatum WW-uitkering (1 januari 2010) is niet juist vastgesteld. Aanvang fictieve opzegtermijn. Wederzijds goedvinden of ontbinding. Het feit dat uit de door appellant bij zijn WW-aanvraag verstrekte informatie en uit zijn ter zitting aan de orde gestelde brief van 29 september 2009 kan worden afgeleid dat hij eerder dan op 30 september 2009 bekend is geworden met de wens van de werkgever om ‘voor de zekerheid’ een ontbindingsprocedure te doorlopen, heeft voor de wijze waarop de arbeidsovereenkomst tot een einde is gekomen geen betekenis. Van een wens van appellant en de werkgever om terug te komen op de beëindigingsovereenkomst is niet kenbaar sprake geweest. Als gevolg van de beëindigingsovereenkomst is appellant met ingang van 1 oktober 2009 werkloos geworden. Ondeugdelijke motivering. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het besluit.

Uitspraak



10/6129 WW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2010, 10/1055 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Valk, werkzaam bij FNV Bondgenoten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2011. Voor appellant is verschenen mr. M.J. Blom, kantoorgenoot van mr. Valk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 29 mei 2009 hebben appellant en zijn werkgever een beëindigingsovereenkomst gesloten die - voor zover hier van belang - inhoudt dat de arbeidsovereenkomst tussen appellant en de werkgever met wederzijds goedvinden eindigt op 1 oktober 2009 en dat de werkgever aan appellant een beëindigingsvergoeding betaalt van € 25.000,-.

1.2. Op 30 september 2009 heeft de werkgever de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met appellant te ontbinden wegens een verandering in de omstandigheden. De werkgever heeft aangeboden appellant een vergoeding te betalen van € 25.000,- bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2009. Appellant heeft formeel verweer gevoerd. Bij beschikking van 30 september 2009 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2009 ontbonden en aan appellant de door de werkgever aangeboden vergoeding toegekend.

1.3. Met een op 18 augustus 2009 bij het Uwv ingekomen formulier heeft appellant verzocht hem met ingang van 1 oktober 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen. Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het Uwv bepaald dat appellant tot en met 31 december 2009 geen WW-uitkering krijgt.

1.4. Beslissend op het bezwaar van appellant heeft het Uwv bij besluit van 11 februari 2010 zijn besluit van 12 oktober 2009 gehandhaafd. Daarbij heeft het Uwv het standpunt betrokken dat de arbeidsovereenkomst door ontbinding is geëindigd en dat de op grond van artikel 7:672 van het BW geldende opzegtermijn drie maanden is, zodat appellant tot en met 31 december 2009 niet werkloos is omdat de ontvangen ontbindingsvergoeding gelijk wordt gesteld met het recht op onverminderde loonbetaling tot en met die datum.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 februari 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn betoog dat met de beëindigingsovereenkomst al in een einde van de arbeidsovereenkomst was voorzien, zodat de ontbinding daarvan geen betekenis meer had. Volgens de rechtbank hebben appellant en zijn werkgever kennelijk geen genoegen willen nemen met de beëindigingsovereenkomst en hebben zij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst willen laten plaatsvinden door ontbinding daarvan door de kantonrechter.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Bij de beëindigingsovereenkomst zijn appellant en zijn werkgever niet overeengekomen dat aan de kantonrechter zou worden gevraagd de arbeidsovereenkomst te ontbinden en geen van beiden heeft vernietiging van de beëindigingovereenkomst gevraagd. Volgens appellant is hij op 1 oktober 2009 werkloos geworden, omdat te rekenen vanaf 29 mei 2009 de in geval van een beëindiging met wederzijds goedvinden op vier maanden te bepalen zogenoemde fictieve opzegtermijn dan is verstreken.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Hij acht van betekenis dat appellant zijn medewerking heeft verleend aan het door de werkgever gewenste verloop van de ontbindingsprocedure en al bij zijn WW-aanvraag heeft vermeld dat hij met ingang van 1 oktober 2009 werkloos zou zijn omdat hij dan zou zijn ontslagen en zijn arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ontbonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WW is de werknemer werkloos als hij naast een relevant verlies van arbeidsuren ook het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon heeft verloren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Op grond van artikel 16, derde lid, van de WW worden met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming de geldende termijn zou zijn geëindigd. Een als beëindigingsvergoeding ontvangen bedrag wordt, indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de ontbindingsbeschikking en indien de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de beëindiging schriftelijk is overeengekomen, dan wel, bij gebrek aan een schriftelijke beëindigingsovereenkomst, aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd.

4.2. Ter beantwoording is de vraag of aan de arbeidsovereenkomst tussen appellant en de werkgever een einde is gekomen met wederzijds goedvinden of door ontbinding. Niet in geschil is dat de zogenoemde fictieve opzegtermijn uit artikel 16, derde lid, van de WW op 1 oktober 2009 is verstreken als uitgegaan wordt van de op 29 mei 2009 schriftelijke overeengekomen beëindiging met wederzijds goedvinden. Evenmin is in geschil dat, uitgaande van de ontbindingsbeschikking van 30 september 2009, van werkloosheid van appellant niet eerder sprake kan zijn dan met ingang van 1 januari 2010.

4.3. Appellant en de werkgever hebben de bereikte overeenstemming over de wijze waarop de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2009 zou eindigen vastgelegd in een op 29 mei 2009 door beiden getekende beëindigingsovereenkomst. Niet is gebleken dat voorafgaande aan de indiening van het ontbindingsverzoek en het verweerschrift bij de kantonrechter een partij bij die overeenkomst de andere partij heeft gevraagd op het overeengekomene terug te komen of een rechterlijke procedure heeft ingezet teneinde te bereiken dat hij niet langer aan de overeenkomst zou zijn gebonden. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat het enkele indienen bij de kantonrechter van de voor het verkrijgen van een ontbinding benodigde stukken aan een eerder gesloten overeenkomst de kracht ontneemt. Er is geen regel dat een door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van een arbeidsovereenkomst een eerder door partijen overeengekomen beëindiging met ingang van dezelfde datum terzijde stelt. Dat betekent naar het oordeel van de Raad dat voor het doen eindigen van de arbeidsovereenkomst de eerste door partijen ondernomen activiteit, namelijk het sluiten van een beëindigingsovereenkomst, bepalend is. Dat nadien de kantonrechter, die door appellant en de werkgever niet op de hoogte is gebracht van het bestaan en de inhoud van de beëindigingsovereenkomst, een ontbindingsbeschikking heeft gegeven, heeft niet tot gevolg dat voor de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW van een eindiging van de arbeidsovereenkomst door ontbinding zou kunnen worden uitgegaan.

4.4. Het feit dat uit de door appellant bij zijn WW-aanvraag verstrekte informatie en uit zijn ter zitting aan de orde gestelde brief van 29 september 2009 kan worden afgeleid dat hij eerder dan op 30 september 2009 bekend is geworden met de wens van de werkgever om ‘voor de zekerheid’ een ontbindingsprocedure te doorlopen, heeft voor de wijze waarop de arbeidsovereenkomst tot een einde is gekomen geen betekenis. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 volgt immers dat van een wens van appellant en de werkgever om terug te komen op de beëindigingsovereenkomst niet kenbaar sprake is geweest.

4.5. De conclusie is dat het hoger beroep slaagt. Als gevolg van de beëindigingsovereenkomst is appellant met ingang van 1 oktober 2009 werkloos geworden. Het besluit van 11 februari 2010 mist een deugdelijke motivering en komt - na vernietiging van de aangevallen uitspraak - wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

5. De Raad heeft aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van het recht op WW-uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2009 diverse gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt. Het Uwv zal daarom met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 11 februari 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) T.J. van der Torn.

NW


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature