Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Eiser heeft op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verweerder verzocht om verstrekking van verscheidene documenten met betrekking tot zijn persoonlijke rechtspositionele situatie. De rechtbank is van oordeel dat de weigering van verweerder tot verstrekking van bepaalde informatie op onjuiste gronden is geschied

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/5763

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 13 oktober 2010.

inzake

[Eiser], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar, verweerder,

vertegenwoordigd door mr. L.S. van Loon.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 4 november 2008, verzonden 11 november 2008.

2. Procesverloop

Eiser heeft verweerder verzocht om verstrekking van verscheidene documenten met betrekking tot zijn persoonlijke rechtspositionele situatie.

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de gevraagde informatie gedeeltelijk al is verstrekt, gedeeltelijk niet voorhanden is en voor het overige niet wordt verstrekt.

Bij besluit van 24 juli 2008 heeft verweerder een deel van de gevraagde informatie verstrekt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de hiertegen ingediende bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en alsnog documenten geanonimiseerd aan eiser verstrekt.

Voor het overige zijn de besluiten van 21 mei en 24 juli 2008 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder een namens verweerder ingediend verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

Ten aanzien van enkele documenten waarom is verzocht, heeft verweerder de mededeling gedaan als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen.

Bij (ongedateerde) beslissing, verzonden 15 april 2009, heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bij brief van 17 april 2009 heeft eiser toestemming verleend om mede op de grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 20 augustus 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, vergezeld van [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. van Loon en [medewerker gemeente], werkzaam bij de gemeente Zevenaar.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) wordt onder bestuurlijke aangelegenheid verstaan een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 1, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt onder

persoonsgegeven verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wbp is deze wet van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Aan de hand van de door eiser ingediende verzoeken en het beroepschrift stelt de rechtbank vast dat het niet, dan wel geanonimiseerd verstrekken van de volgende documenten in geding is:

1. Vier B&W-besluitadviezen;

2. Verslagen van besprekingen;

3. Een digitale map van het hoofd P&O;

4. Een memo en een e-mail van het hoofd P&O;

Vooraf overweegt de rechtbank dat het verzoek van eiser door verweerder is opgevat als een verzoek op grond van de Wob, voor zover eiser een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid aan verweerder heeft gericht, en op grond van de Wbp voor zover het betreft de al of niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens betreffende eiser die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

In het navolgende zal de rechtbank puntsgewijs bespreken of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor wat betreft het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient, welk belang de Wob vooronderstelt. Het komt ieder in gelijke mate toe. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen.

De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt daarentegen niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob – openbaarheid is regel – zwaar te wegen.

ad 1. Vier B&W-besluitadviezen

Het betreft de B&W-besluitadviezen nr. Z07.1676 van 29 maart 2007, nr. Z07.4424 van 19/20 juni 2007, nr. Z07.6470 van 4 september 2007 en Z08.3690 van 8 mei 2008.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat deze documenten alsnog worden verstrekt. Voor zover gegevens in deze documenten persoonlijke beleidsopvattingen betreffen, zijn deze door verweerder geanonimiseerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob.

Na kennisneming van de vertrouwelijk aan de rechtbank overgelegde documenten overweegt de rechtbank als volgt.

Z07.1676

Verweerder heeft geweigerd de volgende passages aan eiser te verstrekken:

Pagina 1/4 zesde alinea, pagina 3/4 zesde, achtste en negende alinea, pagina 4/4 tweede en achtste alinea.

Ten aanzien van de alinea op pagina 1/4 stelt de rechtbank vast dat deze alinea niet alleen de persoonlijke levenssfeer raakt van een ander dan eiser, maar tevens persoonlijke beleidsopvattingen bevat. Ook de geweigerde alinea’s op van 4/4 bevatten naar het oordeel van de rechtbank persoonlijke beleidsopvattingen. Verweerder heeft derhalve artikel 11, eerste lid, van de Wob ten grondslag kunnen leggen aan de weigering tot openbaarmaking van de tekst op de pagina’s 1/4 en 4/4.

De rechtbank stelt vast dat de genoemde alinea’s op de pagina 3/4 feiten bevatten die niet verweven zijn met persoonlijke beleidsopvattingen. Ten onrechte heeft verweerder openbaarmaking van deze alinea’s heeft geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob.

Z07.4424

Verweerder heeft geweigerd: pagina 1/2 vijfde, zesde, zevende en achtste alinea.

De rechtbank stelt vast dat de genoemde alinea’s geen persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Verweerder heeft deze informatie derhalve ten onrechte geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de informatie neergelegd in de vijfde en zesde alinea de persoonlijke levenssfeer van een ander dan eiser raakt en dat deze alinea’s daarom geweigerd kunnen worden op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Ditzelfde geldt voor de persoonsnaam (niet van eiser) opgenomen in de zevende en achtste alinea.

Z07.6470

Verweerder heeft geweigerd:

pagina 1, tweede (gedeeltelijk), derde en vierde alinea.

De rechtbank stelt vast dat de zinnen die geweigerd zijn uit de tweede alinea persoonlijke beleidsopvattingen bevatten.

De derde en vierde alinea bevatten geen persoonlijke beleidsopvattingen. Verweerder heeft deze informatie derhalve ten onrechte geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de informatie neergelegd in de derde en vierde alinea de persoonlijke levenssfeer van een ander dan eiser raakt en dat deze alinea’s daarom geweigerd kunnen worden op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.

pagina 2/2, tweede (gedeeltelijk) en derde alinea (gedeeltelijk).

De rechtbank stelt vast dat het geweigerde gedeelte van de tweede alinea geen persoonlijke beleidsopvattingen bevat. Verweerder heeft deze informatie derhalve ten onrechte geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de geweigerde informatie neergelegd in deze alinea de persoonlijke levenssfeer van een ander dan eiser raakt en dat deze alinea’s daarom geweigerd kunnen worden op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.

Het geweigerde gedeelte van de derde alinea bevat persoonlijke beleidsopvattingen, zodat verweerder voor deze alinea artikel 11, eerste lid, van de Wob aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

ZO08.3690

Geweigerd zijn pagina 1, vijfde alinea (gedeeltelijk) en zesde alinea (gedeeltelijk) en pagina 2/2, tweede alinea, eerste twee volzinnen.

Nu deze alinea’s naar het oordeel van de rechtbank persoonlijke beleidsopvattingen bevatten, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat verstrekking op basis van artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt geweigerd.

De rechtbank merkt voorts op dat geen van de door verweerder geweigerde passages uit de vier documenten persoonsgegevens van eiser bevat, zodat reeds om die reden de Wbp toepassing mist.

Ad 2 Verslagen van besprekingen

Eiser heeft verzocht om verstrekking van de verslagen en aantekeningen van besprekingen die hebben plaatsgevonden op 9 maart en 27 juli 2006, en op 24 april, 12 september, 2 oktober, 8 november, 13 november en 3 december 2007.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij niet over de gevraagde documenten beschikt.

De rechtbank overweegt dat in een dergelijk geval het in beginsel aan degene is die om de informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust (onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 30 mei 2007, AB 2007, 205, LJN: BA6023.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn standpunt niet heeft onderbouwd.

Met eiser komt het de rechtbank onwaarschijnlijk voor dat van besprekingen met betrekking tot de rechtspositionele situatie van eiser, waaraan in wisselende samenstelling functionarissen als de directeur sector ruimte, de gemeentesecretaris/interim-directeur sector ruimte/plaatsvervangend hoofd afdeling handhaving, hoofd personeelszaken en de bedrijfsarts deelnamen, hetgeen door verweerder niet is bestreden, in het geheel geen verslagen dan wel aantekeningen beschikbaar zijn. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij tijdens de besprekingen, waarbij hij aanwezig was, heeft waargenomen dat [hoofd personeelszaken] (hoofd personeelszaken) aantekeningen maakte. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat zij niet weet of van de besprekingen (klad)aantekeningen zijn gemaakt. Zij acht het niet aannemelijk dat [hoofd personeelszaken] de aantekeningen heeft verwerkt op de computer, omdat zij desgevraagd aan gemachtigde heeft meegedeeld dat er niets is.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzocht of de gevraagde gegevens niet beschikbaar zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat ook gespreksaantekeningen documenten zijn die onder de reikwijdte van de Wob vallen, ook al hebben deze niet de status van officieel gespreksverslag.

Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

Ad 3 Een digitale map van het hoofd P&O

Hoewel verweerder in het bestreden besluit heeft besloten de gevraagde documenten geanonimiseerd te zullen verstrekken, voor zover ze bestaan, heeft verweerder blijkens de bijlage bij het bestreden besluit de documenten uit een digitale map met de naam “[naam map]” van het hoofd P&O niet toegezonden omdat het niet kan worden beschouwd als een verzoek om een concreet document. Het bestreden besluit is in zoverre innerlijk tegenstrijdig.

De rechtbank merkt daarbij nog het volgende op. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Wordbestanden geen officiële informatie bevatten die een bestuurlijke aangelegenheid betreffen.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Onder bestuurlijke aangelegenheid wordt verstaan een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS moet de term “bestuurlijk” in dit verband ruim worden opgevat en heeft deze betrekking op het openbaar bestuur in al zijn facetten.

Anders dan verweerder meent, heeft het verzoek van eiser betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid, te weten zijn rechtspositionele situatie bij de gemeente Zevenaar.

Dat een worddocument in de betreffende bestandsmap niet kan worden aangemerkt als een bestand in de zin van artikel 1, onder c, van de Wbp, laat het vorenstaande onverlet, aangezien de Wob ook van toepassing is op digitale documenten.

Hieruit volgt dat de weigering van de desbetreffende informatie op onjuiste gronden is geschied. Het beroep is in zoverre gegrond.

ad 4 Een memo en een e-mail van het hoofd P&O

Het betreft een memo van 7 maart 2007 en een e-mail van 1 mei 2007 van het hoofd P&O aan de bedrijfsarts. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze documenten niet meer beschikbaar zijn.

Met betrekking tot het memo van 7 maart 2007 heeft eiser een afdruk van zijn digitale medische dossier bij de Arbo Unie overgelegd, waarin bij de datum “03-2007” onder meer staat vermeld: “Memo”. De verwijzing hiernaar wijst er volgens eiser op dat er een memo moet zijn.

Verweerder heeft dienaangaande gesteld dat het woord memo veeleer iets lijkt te zijn dat slaat op de verslaglegging van de bedrijfsarts en niet per definitie ziet op een aan de bedrijfsarts verstrekt memo, te meer daar het woord “memo” eveneens boven de beschrijving van een mail van P&O van 5-2007 staat vermeld.

Ter zake van de e-mail van 1 mei 2007 heeft verweerder niet bestreden dat het logboek van de bedrijfsarts hiernaar verwijst, echter, verweerder stelt niet meer over deze e-mail te beschikken.

De rechtbank komt de uitleg van verweerder niet ongeloofwaardig voor. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende documenten (nog) onder verweerder berusten. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de besluitadviezen genummerd Z07.1676, Z07.4424 en Z07.6470, de aantekeningen van de gesprekken genoemd onder ad 2 en de digitale documenten genoemd onder ad 3;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 13 oktober 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 13 oktober 2010.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature