Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Tussenuitspraak. Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos. Ontslag op staande voet wegens gedrag tegenover vrouwelijke collega. Van wat het Uwv heeft beschouwd als dringende reden staat niet meer vast dan dat appellant, terwijl hij eerder voor ongewenst gedrag tegenover vrouwelijke collega’s was gewaarschuwd, in de avond van 12 juli 2008 een vrouwelijke collega telefonisch heeft lastig gevallen. Die gedraging op zichzelf beschouwd is geen dringende reden. Onvoldoende motivering. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek in het besluit te herstellen.

Uitspraak



10/2502 WW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2010, 09/1525 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J. Borghuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2011. Voor appellant is mr. Borghuis verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als beveiliger in dienst van CSU Security Services B.V. (werkgeefster). Hij is op 1 september 2008 op staande voet ontslagen. De werkgeefster heeft meegedeeld dat de reden voor dit ontslag is het feit dat appellant, nadat hij eerder was gewaarschuwd, zich opnieuw heeft misdragen, ditmaal door een vrouwelijke collega op ongepaste wijze fysiek te benaderen.

1.2. Appellant heeft tegen het ontslag geprotesteerd. De werkgeefster heeft bij de kantonrechter een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend. Bij beschikking van 27 oktober 2008 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst, voor zover zou komen vast te staan dat die nog bestaat, ontbonden met ingang van 1 november 2008 wegens veranderingen in de omstandigheden. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende gebleken dat bij de werkgeefster op goede gronden het vertrouwen is komen te ontbreken dat appellant bij een opdrachtgever een voor die opdrachtgever aanvaardbare houding zal aannemen. Aan appellant is geen vergoeding toegekend.

1.3. De werkgeefster is nadien bereid gebleken het ontslag in te trekken. Appellant is met de werkgeefster overeengekomen dat hij geen aanspraak heeft op loon en andere emolumenten na 1 september 2008.

1.4. Bij besluit van 1 december 2008 heeft het Uwv afwijzend beslist op het verzoek van appellant om hem een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen. Beslissend op het bezwaar van appellant heeft het Uwv bij besluit van 3 maart 2009 zijn besluit gehandhaafd dat aan appellant een WW-uitkering wordt geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos wordt geacht. Op 6 april 2009 heeft het Uwv het besluit van 3 maart 2009 van een nadere motivering voorzien. Volgens het Uwv leverde het gedrag van appellant tegenover de vrouwelijke collega een dringende reden op als bedoeld in artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 3 maart 2009 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden ten grondslag ligt, zodat appellant verwijtbaar werkloos is. Volgens de rechtbank mocht het Uwv uitgaan van het door de kantonrechter vastgestelde feit dat appellant een vrouwelijke collega ongewenst fysiek heeft benaderd, nu appellant niet heeft aangetoond dat sprake is geweest van een onjuiste vaststelling van de feiten door de kantonrechter.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep - samengevat - naar voren gebracht dat in de ontbindingsprocedure de aard en de ernst van de appellant verweten gedraging niet zijn komen vast te staan. Volgens hem was hetgeen tussen hem en de vrouwelijke collega is voorgevallen niet ernstig genoeg voor een ontslag op staande voet, temeer niet omdat de laatste waarschuwing na een klacht over de houding van appellant tegenover vrouwelijk personeel meer dan drie jaar geleden werd gegeven. Hij is verder van mening dat betekenis toekomt aan het feit dat de werkgeefster bereid is gebleken de arbeidsovereenkomst tot 1 november 2008 te laten voortduren.

3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Als de werknemer de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2. Voor het aannemen van verwijtbare werkloosheid is niet nodig dat de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk is geëindigd door een ontslag op staande voet of een ontbinding wegens een dringende reden. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 18 februari 2009, LJN BH2387. Ook als een werkgever het ontslag op staande voet niet heeft gehandhaafd en de arbeidsovereenkomst op zijn verzoek door de kantonrechter is ontbonden wegens een verandering in de omstandigheden, kan aan de ontstane werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag liggen.

4.3. Ter beantwoording is dan ook, gelet op de nadere motivering die het Uwv aan het besluit van 3 maart 2009 heeft gegeven, de vraag of in het geval van appellant in de wijze waarop hij zich tegenover een vrouwelijke collega heeft gedragen, daarbij betrekkend dat hij eerder in verband met misdragingen was gewaarschuwd, een arbeidsrechtelijke dringende reden is gelegen.

4.4. Het Uwv heeft bij zijn besluitvorming tot uitgangspunt genomen dat er, zoals de werkgeefster heeft gesteld in haar brief van 2 september 2008 waarmee zij aan appellant het ontslag op staande voet heeft bevestigd, twee incidenten zijn geweest op 12 juli 2008 en 5 augustus 2008 waarbij appellant zou hebben geprobeerd zijn collega (mevrouw B) op het werk te zoenen, haar ongewenste affectieve voorstellen heeft gedaan en haar thuis telefonisch heeft lastig gevallen.

4.5. Appellant heeft ontkend dat hij op 12 juli 2008 getracht heeft mevrouw B te zoenen toen zij samen in de lift stonden. Hij heeft, blijkens zijn in de procedure bij de kantonrechter gevoerde verweer, wel toegegeven dat hij mevrouw B in de avond van 12 juli 2008 thuis heeft gebeld omdat hij wat met haar wilde afspreken, maar ook gesteld dat het bij dit ene telefonische contact is gebleven omdat hem duidelijk was geworden dat mevrouw B van zijn toenadering niet was gediend. Op 5 augustus 2008 heeft appellant volgens zijn zeggen mevrouw B tijdens werktijd alleen benaderd om haar te vragen waarom zij over hem had geklaagd.

4.6. De Raad volgt appellant in zijn betoog dat van een vaststelling door de kantonrechter van de in 4.4 genoemde gedragingen geen sprake is geweest. Als vaststaand feit heeft de kantonrechter blijkens zijn beschikking alleen aangenomen dat de werkgeefster, zoals volgt uit haar brief van 2 september 2008, appellant heeft verweten dat hij mevrouw B op een ongepaste wijze heeft benaderd. Aan een oordeel over de vraag of de verweten gedragingen in de maanden juli en augustus 2008 ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden is de kantonrechter niet toegekomen, omdat hij in het samenstel van waarschuwingen en klachten van opdrachtgevers al voldoende aanknopingspunten zag om het door de werkgeefster gestelde verlies van vertrouwen aannemelijk te achten.

4.7. De rechtbank is ten onrechte ervan uitgegaan dat de ongewenste fysieke benadering van mevrouw B door appellant een door de kantonrechter vastgesteld feit is waarvan appellant de onjuistheid niet heeft aangetoond. Alleen al om die reden kan de aangevallen uitspraak geen stand houden. De Raad ziet aanleiding zelf te beoordelen of hetgeen bekend is geworden met betrekking tot de incidenten op 12 juli 2008 en 5 augustus 2008 is te beschouwen als een arbeidsrechtelijke dringende reden.

4.8. In een arrest van 16 juni 2006, LJN AW6109, heeft de Hoge Raad als zijn oordeel uitsproken dat sprake kan zijn van een geldig ontslag op staande voet als van de aangevoerde dringende reden slechts een gedeelte komt vast te staan. Daarbij geldt als voorwaarde dat a) het vaststaande gedeelte op zichzelf beschouwd een dringende reden is, b) de werkgever heeft gesteld en ook aannemelijk is dat hij de werknemer ook uitsluitend om die reden op staande voet zou hebben ontslagen en c) dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van de ontslagaanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest.

4.9. De Raad stelt vast dat de lezingen van mevrouw B en appellant over hetgeen op 12 juli 2008 in de lift is voorgevallen tegenover elkaar staan. In de lift zijn geen andere personen aanwezig geweest, zodat niet met verklaringen van getuigen zou hebben kunnen komen vast te staan dat appellant inderdaad heeft geprobeerd mevrouw B te zoenen en haar affectieve voorstellen heeft gedaan. Wel staat vast dat appellant mevrouw B in de avond van 12 juli 2008 thuis heeft gebeld en haar een voorstel heeft gedaan waarvan zij heeft gezegd daarvan niet gediend te zijn. Niet is komen vast te staan dat het gesprek van appellant met mevrouw B op het werk op 5 augustus 2008 een ongepaste inhoud heeft gehad. Volgens mevrouw B heeft appellant toen geprobeerd opnieuw een afspraak met haar te maken, terwijl appellant heeft gesteld van haar te hebben willen weten waarom zij over hem had geklaagd. Wat betreft de gebeurtenissen op 12 juli 2008 en 5 augustus 2008 kan dus alleen de telefonische benadering door appellant van mevrouw B in de avond van 12 juli 2008 als vaststaand worden aangenomen. Als vaststaand kan verder worden aangenomen dat de werkgeefster appellant bij gelegenheid van overplaatsingen naar andere beveiligingsobjecten, laatstelijk in 2005, had gewaarschuwd dat zij seksueel intimiderend gedrag tegenover vrouwelijk personeel niet tolereerde.

4.10. Uit hetgeen is overwogen in 4.9 volgt dat van wat het Uwv heeft beschouwd als dringende reden niet meer vaststaat dan dat appellant, terwijl hij eerder voor ongewenst gedrag tegenover vrouwelijke collega’s was gewaarschuwd, in de avond van 12 juli 2008 een vrouwelijke collega telefonisch heeft lastig gevallen. Die gedraging op zichzelf beschouwd is naar het oordeel van de Raad geen dringende reden. De waarschuwingen die appellant van de werkgeefster had gekregen hielden geen verbod in om een vrouwelijke collega in de avond thuis te bellen. Niet is gebleken dat appellant zich in het telefoongesprek ongepast heeft geuit. Bij haar melding van de gebeurtenissen op 12 juli 2008 en 5 augustus 2008 door middel van een door haar verzonden e-mailbericht van 28 augustus 2008 heeft mevrouw B - kennelijk refererend aan een die dag met een leidinggevende gevoerd gesprek over de toenaderingen door appellant - laten weten: ?Maar ik heb dit je niet gezegd omdat ik er last van heb, maar omdat ik bang ben dat hij het bij meerdere meiden probeerd. Ook omdat ik dat via via gehoord heb.'. Enige onderbouwing van de in haar brief van 2 september 2008 neergelegde opvatting van de werkgeefster dat mevrouw B door (onder andere) het telefoongesprek op 12 juli 2008 overstuur is geraakt, is daarin niet gelegen.

4.11. De Raad komt tot de conclusie dat aan de werkloosheid van appellant geen arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt. Dat betekent dat, na vernietiging van de aangevallen uitspraak, ook het besluit van 3 maart 2009 voor vernietiging in aanmerking komt, omdat het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een deugdelijke motivering mist.

5. De Raad heeft aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van het recht op WW-uitkering van appellant diverse gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt. Het Uwv zal daarom met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 3 maart 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) T.J. van der Torn.

EK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature