Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellante] afgewezen.

Uitspraak



201100338/1/H2.

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Zeist,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2010 in zaak nr. 10/1388 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellante] afgewezen.

Bij besluit van 8 februari 2010 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 december 2010, verzonden op 3 december 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2011, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met de bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

De raad voert ten aanzien van de toepassing van de Wrb het beleid neergelegd in het Handboek Toevoegen 2007 (hierna: het Handboek).

Volgens aantekening 31 bij artikel 12 van de Wrb in het Handboek vloeit deze uitsluitingsgrond voort uit de doelstelling van de wet. De wet strekt er immers toe een voorziening te bieden voor bijstand van juridische aard. In een aantal gevallen zal weliswaar sprake zijn van een probleem waarvoor de rechtzoekende hulp nodig heeft, doch in het kader van deze wet zal beoordeeld moeten worden of de noodzaak bestaat om juridische bijstand te verlenen. Het niet spreken van de Nederlandse taal, het niet beschikken over juridische kennis of de gezondheid van de rechtzoekende maakt niet dat er een noodzaak tot juridische bijstand bestaat.

Is juridische bijstand niet geïndiceerd dan dient de aanvraag te worden afgewezen waarbij de rechtzoekende zo nodig gewezen kan worden gewezen op andere meer geëigende vormen van hulpverlening zoals maatschappelijk werk, slachtofferhulp of het bureau sociaal raadslieden.

2.2. [appellante] heeft op 15 mei 2009 een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ingediend in verband met een aansprakelijkstelling voor materiële en immateriële schade die haar vierjarige zoon heeft opgelopen door een hondenbeet. De aanvraag betreft een belang van minder dan € 10.000,00. Bij brief van 23 juni 2009 heeft de advocaat de raad desgevraagd toegelicht dat [appellante] de Nederlandse taal niet goed machtig is en niet in staat is om de eigenaar van de hond zelf aansprakelijk te stellen en de daaropvolgende contacten met de verzekeraar en/of een gerechtelijke procedure te voeren. Verder is in deze brief erop gewezen dat [appellante] zich herhaalde malen tot de politie heeft gewend en aangifte heeft gedaan van de gebeurtenis, maar dat de politie haar heeft medegedeeld geen verdere actie te ondernemen.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 20 juli 2011, in zaak nr. 201011838/1/H2) volgt uit artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb in samenhang gelezen met aantekening 31 bij artikel 12 van de Wrb van het Handboek dat het niet spreken van de Nederlandse taal of het niet beschikken over juridische kennis van de rechtzoekende er niet toe leidt dat een noodzaak tot juridische bijstand bestaat. Anders dan [appellante] heeft betoogd, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] in dit geval in staat moet worden geacht om, eventueel met hulp van een andere persoon of instantie, zelf contact op te nemen met de verzekeraar en de wederpartij. Dat, zoals [appellante] heeft gesteld, de toevoeging niet is aangevraagd voor het leggen van contact maar voor de totale juridische bijstand bij het verhalen van de schade, doet daaraan niet af. Indien in een later stadium blijkt dat bijstand door een letselschadeadvocaat noodzakelijk is, kan daarvoor op dat moment een toevoeging worden aangevraagd.

Hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd leidt evenmin tot een ander oordeel. Uit het door [appellante] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2003, NJ 2005, 50, over de uitleg van de artikelen 6:96 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek volgt niet dat een rechtzoekende die stelt aanspraak te hebben op vergoeding van letselschade een toevoeging voor rechtsbijstand dient te worden toegekend. De rechtbank is dan ook terecht tot de slotsom gekomen dat de raad de aanvraag om een toevoeging terecht heeft afgewezen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011

18-630.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature