Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Weigering vrijstelling en bouwvergunning voor realiseren van hondenkennel

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/3084

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

Vennootschap onder firma [eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

tegen

1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Stichtse Vecht

(hierna: het college)

en

2. de raad van de gemeente De Stichtse Vecht (hierna: de raad),

verweerders.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van het college en de raad van 5 oktober 2009, waarbij het bezwaar tegen het besluit van de raad van 30 september 2008 en tegen het besluit van het college van 12 november 2008 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemde besluiten is geweigerd om medewerking te verlenen aan het verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning te verlenen ten behoeve van het realiseren van een hondenkennel op het perceel [adres] te [vestigingsplaats] (het perceel).

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 29 maart 2011, waar eiseres is verschenen bij gemachtigden mr. G.H. van der Waaij, advocaat te Leusden, [A] en [B], wonende te [vestigingsplaats]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.M. Martens, werkzaam bij de gemeente De Stichtse Vecht.

Overwegingen

2.1 Op 3 oktober 2007 heeft eiseres een aanvraag om bouwvergunning ingediend. Het bouwplan heeft betrekking op het realiseren van een hondenpension met buitenverblijven op het perceel.

2.2 Bij besluit van 30 september 2008 heeft de raad vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO geweigerd en bij besluit van 12 november 2008 heeft het college bouwvergunning en vrijstelling van de overschrijding van de maatvoering van niet-agrarische nevenactiviteiten geweigerd. Bij besluit op bezwaar van 5 oktober 2009 heeft zowel het college als de raad de weigering om vrijstelling en bouwvergunning te verlenen gehandhaafd. Het college en de raad hebben daarbij overwogen dat:

1. het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan vanwege overschrijding van het bouwvlak en vanwege het feit dat het niet past binnen het referentiekader zoals dat in de beschrijving in hoofdlijnen staat verwoord;

2. het bouwplan voorts in strijd is met het vigerende bestemmingsplan vanwege de omstandigheid dat het bestemmingsplan buitenverblijven niet toelaat;

3. het hondenpension zal naar verwachting geluidsoverlast veroorzaken;

2.3 Door eiseres is tegen dit besluit van verweerders beroep ingesteld. Naar aanleiding van het door eiseres ingediende beroepschrift heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseres zich enkel richt tegen het besluit van het college tot weigering van de bouwvergunning, nu eiseres in het beroepschrift enkel heeft verwezen naar het besluit van het college en niet naar het besluit van de raad.

2.3.1 De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerders kan worden toegegeven dat eiseres in het beroepschrift heeft aangegeven beroep te willen instellen tegen het besluit van het college. Die omstandigheid kan de rechtbank evenwel niet tot het oordeel brengen dat het door eiseres ingestelde beroep zich enkel richt tegen dat besluit. Uit de inhoud van het beroepschrift blijkt immers overduidelijk dat eiseres niet alleen heeft beoogd beroep in te stellen tegen het besluit van het college tot weigering van de bouwvergunning, doch met name ook tegen de weigering van de raad tot weigering van de gevraagde vrijstelling. De rechtbank acht het door eiseres ingestelde beroep dan ook gericht tegen zowel het besluit van het college als het besluit van de raad.

2.4 Het bouwplan is gelegen binnen het bestemmingsplan Landelijk Gebied. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat de bouwaanvraag slechts kan worden ingewilligd na het verlenen van vrijstelling door de raad van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO . Gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Woningwet (Ww) is de bouwaanvraag terecht aangemerkt als tevens een verzoek om vrijstelling.

2.5 Ingevolge artikel 40 van de Ww, voor zover hier van belang, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan. De laatste volzin van dit artikel geeft de gemeenteraad de bevoegdheid de vrijstellingsbevoegdheid op grond van dit artikel te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Nu in de voormalige gemeente Loenen aan de Vecht geen sprake is van een delegatie als hiervoor bedoeld, is het verlenen van vrijstelling hier een bevoegdheid van de raad. Op grond van deze wettelijke bepalingen moet worden geoordeeld dat uitsluitend het college bevoegd is tot het beslissen op een aanvraag om bouwvergunning en uitsluitend de raad bevoegd is tot het beslissen op een verzoek om vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO .

2.6 De beslissing om al dan niet vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen ten behoeve van bouwplan, is een discretionaire bevoegdheid van de raad; de raad heeft op dit punt een eigen beleidsvrijheid. Een dergelijke beslissing mag de bestuursrechter slechts marginaal toetsen, dat wil zeggen dat de bestuursrechter zich moet beperken tot de vraag of de raad in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit om de vrijstelling te weigeren.

2.7 Bij brief van 8 maart 2011 heeft het college (namens de raad) meegedeeld dat aan de weigering om vrijstelling te verlenen niet langer ten grondslag wordt gelegd dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan vanwege overschrijding van het bouwvlak en vanwege het feit dat het niet past binnen het referentiekader zoals dat in de beschrijving in hoofdlijnen staat verwoord. De raad is desondanks niet bereid van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling gebruik te maken, nu het vermoeden bestaat dat het hondenpensioen geluidsoverlast zal veroorzaken hetgeen niet wenselijk wordt geacht vanwege de kans op overlast voor de woningen die dicht bij de voorziene hondenkennel zijn gelegen. Verweerder heeft in dat verband aangevoerd dat de weigering vrijstelling te verlenen voor de overschrijding van de maatvoering voor niet-agrarische nevenactiviteiten voortkomt uit datzelfde vermoeden, namelijk dat een grotere maatvoering logischerwijs leidt tot meer geluidsoverlast.

2.8 Eiseres heeft als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat het bestemmingsplan niet als toetsingskader kan dienen voor het thans voorliggende besluit tot weigering van vrijstelling en bouwvergunning, nu artikel 20, negende lid, van de planvoorschriften in strijd is met een hogere dwingendrechtelijke regeling en wel in het bijzonder artikel 8, tweede lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999 . Met betrekking tot deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

2.9 Ingevolge artikel 20, negende lid, van de planvoorschriften wordt aan planwijziging ten behoeve van dierenpension bij wijze van niet-agrarische neventak als voorwaarde verbonden dat het bouwen van buitenverblijven in geen geval is toegestaan.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999 , beschikt de inrichting, indien in de inrichting honden worden gehouden, over één of meerdere buitenverblijven of over een speelweide.

2.10 De enkele omstandigheid dat artikel 20, negende lid, van de planvoorschriften het oprichten van buitenverblijven ten behoeve van dierenpensions verbiedt, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat het houden van een dierenpension waarin ook honden worden gehouden, daardoor tot de onmogelijkheden behoort, reeds op de grond dat artikel 8, tweede lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999 het houden van honden in een inrichting ook toestaat indien de inrichting beschikt over een speelweide. Nu de planvoorschriften geen bepaling kent die het hebben van een speelweide verbiedt, blijft het hebben van een dierenpension (met honden) binnen het vigerende bestemmingsplan mogelijk. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt derhalve niet.

2.11 Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de raad de weigering om vrijstelling te verlenen vanwege de geluidoverlast die het dierenpension met zich meebrengt, onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt waartoe het volgende wordt overwogen.

2.12 De te verwachten geluidsoverlast vanwege de oprichting van het dierenpension maakt deel uit van de belangenafweging door de raad bij het verlenen van vrijstelling. In navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) in onder meer de uitspraak van 21 mei 2008 in zaak nr. 200708226/1, LJN: BD2126, is de rechtbank van oordeel dat de vraag of een bouwplan voldoet aan de gestelde geluidsnormen weliswaar dient te worden bezien in een procedure krachtens de Wet milieubeheer, maar dat dat niet wegneemt dat thans aan de orde is de vraag of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de vrijstelling niet kan worden verleend, omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de geluidsnormen.

2.13 Uit de gedingstukken blijkt dat met betrekking tot de oprichting van het dierenpension twee akoestische rapportages zijn opgesteld, te weten door Kupers & Niggebrugge, gedateerd 4 december 2007, en door de door verweerder zelf ingeschakelde Milieudienst Noord-West Utrecht, gedateerd 24 januari 2008. Uit beide rapportages blijkt dat het dierenpension, uitgaande van een ‘worst case-situatie’, zal voldoen aan de gestelde geluidsnormen en dat het geluidsaspect geen reden is om de gevraagde vergunning te weigeren.

Gezien deze niet voor tweeërlei uitleg vatbare conclusies van voornoemde deskundigen, is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van de raad, te weten dat het vermoeden dat het dierenpension - in afwijking van het standpunt van de deskundigen- desondanks geluidsoverlast zal veroorzaken ten opzichte van de autonome situatie als reëel kan worden verondersteld, met geen enkel objectief gegeven wordt onderbouwd. Evenmin heeft de raad gemotiveerd op welke grond (de conclusie van) de bovengenoemde rapportages ondeugdelijk zouden zijn.

2.14 Door de raad is nog aangevoerd dat beleidsmatig is uitgesproken dat van recente bestemmingsplannen, dat wil zeggen jonger dan vier jaar, in beginsel niet wordt afgeweken. Deze omstandigheid kan de rechtbank echter niet tot een ander oordeel brengen, reeds niet vanwege het feit dat het vigerende bestemmingsplan ouder is dan vier jaar. De rechtbank overweegt daarbij voorts nog dat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt op welk beleid men doelt, wanneer dat is vastgesteld en op welke wijze dat bekend is gemaakt.

2.15 De raad heeft daarmee gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb , zodat het besluit van de raad niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd. De raad zal een nieuwe beslissing dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.16 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het besluit van het college, waarbij de weigering om bouwvergunning en vrijstelling van de overschrijding van de maatvoering voor niet-agrarische nevenactiviteiten uitsluitend omdat dit zal leiden tot meer geluidsoverlast, te verlenen, is gehandhaafd, eveneens te worden vernietigd.

2.17 De rechtbank acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,- als kosten voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 5 oktober 2009,

3.3 verstaat dat het college en de raad binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak,

3.4 bepaalt dat het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,- aan haar wordt vergoed,

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 874,-.

Aldus vastgesteld door mr. J.W. Veenendaal en in het openbaar uitgesproken op

23 mei 2011.

De griffier: De rechter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. J.W. Veenendaal

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let wel:

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature