Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Ongewijzigde hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering. Uitspraak 1: Zorgvuldig en volledig medisch onderzoek. Uwv heeft de medische beperkingen van de (ex-)werkneemster juist vastgesteld. Het Uwv heeft voldoende inzichtelijk gemaakt en voldoende gemotiveerd waarom de (ex-)werkneemster ongeschikt is voor het eigen (maatgevende) werk en dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passend kunnen worden geacht. Uitspraak 2: Eigen risodrager. Bepalingen van dwingend recht. Geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak



09/3378 en 09/3379 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 15 mei 2009, 07/8501 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/5332 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.C. de Jager, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting op 13 mei 2011, waar voor appellante is verschenen mr. De Jager, voornoemd. Het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is eigen risicodrager voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Mevrouw [naam ex-werkneemster] (hierna: (ex-)werkneemster) was bij appellante in dienst als manager toen zij op 12 januari 2004 wegens ziekte voor haar werkzaamheden is uitgevallen. Bij besluit van 23 januari 2006 heeft het Uwv de (ex-)werkneemster per 9 januari 2006 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een professionele herbeoordeling heeft de verzekeringsarts de (ex-)werkneemster op 21 april 2006 onderzocht en dossierstudie verricht. De verzekeringsarts heeft enkele beperkingen aangenomen ten aanzien van de mentale en fysieke belastbaarheid en heeft zijn bevindingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft er een arbeidskundig onderzoek plaats gevonden. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 24 mei 2006 geconcludeerd dat de (ex-)werkneemster ongeschikt is voor het eigen (maatgevende) werk, maar zij nog wel in staat is om de geduide functies te vervullen, hetgeen leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.

1.3. In lijn met de uitkomsten van deze onderzoeken heeft het Uwv bij besluit van 19 december 2006 aan de (ex-)werkneemster medegedeeld dat zij minder arbeidsongeschikt is dan voorheen, met ingang van 24 mei 2006

€ 2.025,40 bruto per maand kan verdienen, maar dat de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering hierdoor niet wijzigt. Het Uwv heeft aan appellante een afschrift van dit besluit verstrekt.

1.4. Bij besluit van 2 november 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 december 2006 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het Uwv aan appellante bericht dat zij een bedrag van € 576,07 aan het Uwv dient te betalen in verband met de door het Uwv aan de (ex-)werkneemster betaalde WGA-uitkering over de periode 1 februari 2008 tot 1 maart 2008. Dit betreft een zogeheten ‘verhaalsbesluit’.

1.6. Bij besluit van 1 juli 2008 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het verhaalsbesluit van 19 februari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en er evenmin aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de rapportages. De door de verzekeringsartsen getrokken conclusies zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk en er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de functionele mogelijkheden en beperkingen van de (ex-)werkneemster onjuist zijn vastgesteld. Bovendien heeft appellante geen medische gegevens overgelegd die kunnen aantonen dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat de (ex-)werkneemster als zelfstandige werkzaam zou zijn nog niet wil zeggen dat haar arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA onjuist is vastgesteld. Daarbij merkt de rechtbank op dat de inkomsten uit zelfstandige arbeid verrekend worden met de uitkering op het moment dat de inkomsten voldoende vaststaan en dat dit buiten de omvang van het geding valt.

2.2. Wat bestreden besluit 2 betreft heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv ingevolge artikel 83, derde lid, van de Wet WIA verplicht is om de aan de (ex-)werkneemster betaalde uitkering op appellante te verhalen, hetgeen een bepaling van dwingend recht is. In de door appellante aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden waarin strikte toepassing van de dwingendrechtelijke bepaling zo zeer in strijd is te achten met de algemene rechtsbeginselen, dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. De omstandigheid dat nog geprocedeerd wordt over het recht op uitkering is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. Evenmin is het feit dat (ex-)werkneemster in januari 2008 zelf heeft medegedeeld te willen afzien van de uitkering zo’n omstandigheid.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd te volharden in hetgeen zij bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Wat bestreden besluit 1 betreft heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsarts zijn oordeel ten onrechte heeft gebaseerd op de mededelingen van de (ex-)werkneemster en daarbij geen acht heeft geslagen op de door appellante aangedragen informatie met betrekking tot de door de (ex-)werkneemster verrichte zelfstandige werkzaamheden. Gelet op het feit dat zij deze activiteiten kan verrichten had de (bezwaar)verzekeringsarts minder beperkingen voor haar dienen aan te nemen ten aanzien van de mentale en fysieke belastbaarheid. Wat bestreden besluit 2 betreft heeft appellante gesteld dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor strikte toepassing van de dwingendrechtelijke bepaling zo zeer in strijd is te achten met de algemene rechtsbeginselen, dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn voor het Uwv.

4. De Raad zal hierna achtereenvolgens een oordeel geven over de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Aangevallen uitspraak 1

4.1. De Raad stelt vast dat bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de (ex-)werkneemster bij einde wachttijd reeds een professionele herbeoordeling werd gepland omdat er binnen drie maanden een wijziging in de medische situatie werd verwacht. In verband met die professionele herbeoordeling is de (ex-)werkneemster lichamelijk en psychisch onderzocht door een verzekeringsarts, die beschikte over de medische gegevens uit het WIA-dossier. Op basis van dit onderzoek achtte de verzekeringsarts de (ex-)werkneemster fysiek hersteld, maar op mentaal vlak achtte hij haar nog herstellende. Omdat er, anders dan bij einde wachttijd, sprake was van duurzaam benutbare mogelijkheden heeft de verzekeringsarts een FML opgesteld waarbij enkele - marginale - beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de door appellante ingebrachte bezwaren met de daarbij bijgevoegde gegevens, het dossier bestudeerd en de (ex-)werkneemster op de hoorzitting gezien. Op basis hiervan heeft de bezwaarverzekeringsarts de conclusies van de verzekeringsarts bevestigd. Ten overvloede heeft de bezwaarverzekeringsarts daarbij nog opgemerkt dat er discussie is of, sinds wanneer en in welke mate de (ex-)werkneemster zelfstandige arbeid verricht, dat dit geen medisch aspect is maar een arbeidskundig aspect en de (ex-)werkneemster bovendien medisch gezien in staat wordt geacht om werkzaamheden te verrichten.

4.2. Gelet op de wijze waarop het medisch onderzoek heeft plaats gevonden en door de (bezwaar)verzekeringsarts verslag is gedaan is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het medische onderzoek zorgvuldig en volledig is te achten. Voorts acht de Raad de uit dat onderzoek getrokken conclusies navolgbaar. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel aan het overtuigende en gemotiveerde oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van de (ex-)werkneemster per 24 mei 2006 juist heeft vastgesteld. Appellante heeft noch in beroep noch in hoger beroep medische stukken ingebracht die twijfel oproepen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen.

4.3. De Raad is daarnaast, evenals de rechtbank, van oordeel dat door het Uwv voldoende inzichtelijk is gemaakt en voldoende is gemotiveerd waarom de (ex-)werkneemster ongeschikt is voor het eigen (maatgevende) werk en de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passend kunnen worden geacht. De Raad onderschrijft de ter zake door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag liggende overwegingen en maakt deze tot de zijne.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak 1 derhalve dient te worden bevestigd.

4.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Aangevallen uitspraak 2

4.6. Vast staat dat appellante eigen risicodrager is voor de Wet WIA. Hieruit volgt dat appellante als eigen risicodrager de aan de (ex-)werkneemster toegekende uitkering moest betalen en voorts dat, indien zij dat niet doet, hetgeen hier het geval is, het Uwv op grond van artikel 83, derde lid, van de Wet WIA (voorheen artikel 75a, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , hierna WAO ) verplicht is de uitkering te betalen aan de (ex-)werkneemster en te verhalen op appellante. Daarbij gaat het om bepalingen van dwingend recht, waarvan in beginsel niet kan worden afgeweken.

4.7. Zoals de Raad onder het bereik van artikel 75a, vierde lid, van de WAO vaker heeft overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 10 oktober 2006, LJN AZ0127) zijn er echter bijzondere omstandigheden denkbaar waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. De Raad acht deze jurisprudentie, gelet op de gelijke strekking van artikel 83, derde lid, van de Wet WIA, hier evenzeer van toepassing

4.8. Hetgeen door appellante is aangevoerd is echter geen reden om aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de (ex-)werkneemster weliswaar schriftelijk een verzoek heeft gedaan tot beëindiging van de uitkering per 10 januari 2008, maar dat de Wet WIA niet in een dergelijke situatie voorziet. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het Uwv, zoals door diens gemachtigde ter zitting is betoogd, in een dergelijk geval uit zorgvuldigheidsoverwegingen contact opneemt met de verzekerde om zich ervan te vergwissen dat de verzekerde daadwerkelijk stopzetting van de uitbetaling van de uitkering wenst en daarbij op de mogelijke consequenties wijst. Dit is ook in het onderhavige geval geschied. Dat dit er uiteindelijk in heeft geresulteerd dat de

(ex-)werkneemster aan het Uwv heeft bevestigd dat de uitbetaling van haar uitkering per 1 april 2008 kon worden stopgezet maakt niet dat er om die reden sprake is van een bijzonder geval. Daarbij acht de Raad nog van belang dat uit de aan appellante gerichte brief van 9 juni 2008 blijkt dat het Uwv nog telefonisch contact met de (ex-)werkneemster heeft gehad en haar heeft verzocht of zij de betaling van haar uitkering niet (alsnog) per 9 januari 2008 wilde laten beëindigen, zodat niet gezegd kan worden dat het Uwv bij het stopzetten van de uitkering in het geheel geen oog heeft gehad voor de (financiële) belangen van appellante.

4.9. Uit hetgeen onder 4.6 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak 2 derhalve dient te worden bevestigd.

4.10. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature