Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

VSA mocht het oordeel van de Commissie van Beroep, inhoudende dat het beroep van appellante tegen het besluit van VSA om haar te ontslaan, gegrond was, naast zich neerleggen.

Het ontslag is wel kennelijk onredelijk.

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.042.310

(zaaknummer rechtbank 583251)

arrest van de vijfde civiele kamer van 19 juli 2011

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. P.A.C. de Vries,

tegen:

de stichting

Stichting Vrije School Amersfoort,

gevestigd te Amersfoort,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.G. Vlaskamp.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 29 april 2009 dat de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort) tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerde (hierna ook te noemen: VSA) als gedaagde heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 21 juli 2009 VSA aangezegd van dat vonnis van 29 april 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van VSA voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, waar mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest:

Vordering I

1. zal verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [appellante] en VSA voortduurt en dat de ontslagaanzegging nietig is;

2. VSA zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting tot uitbetaling van:

a. achterstallig loontegoed vanaf 1 januari 2008;

b. achterstallige vakantie-uitkering;

c. de wettelijke verhoging;

d. de buitengerechtelijke kosten over de hiervoor omschreven vorderingen 2a tot en met 2c, te beperken tot 10%;

e. de wettelijke rente over sub 2a, 2b, 2c en 2d omschreven vorderingen, gerekend vanaf de dag der vervaldata tot de dag der algehele voldoening;

f. de kosten van de procedure, waaronder het salaris van gemachtigde, rechtstreeks te betalen aan de advocaat van [appellante];

Vordering II

1. zal verklaren voor recht dat de opzegging door VSA van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is;

2. VSA zal veroordelen tot betaling van:

Primair:

a. achterstallig loontegoed vanaf 1 januari 2008;

b. achterstallige vakantie-uitkering;

c. de wettelijke verhoging;

d. de buitengerechtelijke kosten over de hiervoor omschreven vorderingen 2a tot en met 2c, te beperken tot 10%;

e. de wettelijke rente over sub 2a, 2b, 2c en 2d omschreven vorderingen, gerekend vanaf de dag der verval data tot de dag der algehele voldoening;

f. de kosten van de procedure, waaronder het salaris van gemachtigde, rechtstreeks te betalen aan de gemachtigde van [appellante];

Subsidiair;

a. vergoeding van de schade die [appellante] heeft geleden en nog zal lijden (zowel materieel als immaterieel) op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, dan wel een ander bedrag door de kantonrechter te bepalen;

b. betaling van de wettelijke vertragingsrente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) over het bedrag genoemd onder a;

c. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad 10% van de onder a en b genoemde bedragen;

d. de kosten van het geding, het salaris van de gemachtigde van [appellante] daaronder begrepen.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft VSA de grieven bestreden en heeft zij een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellante] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar grieven ongegrond zal verklaren, althans haar haar vorderingen zal ontzeggen en het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 18 maart 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. F.E.R.M. Lathouwers, advocaat te Utrecht, en VSA door mr. F.G. Vlaskamp, eveneens advocaat te Utrecht. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Partijen is vervolgens een termijn gegeven het geschil in der minne te regelen. Zij hebben evenwel arrest gevraagd.

2.6 Ten slotte heeft het hof arrest bepaald op het reeds ter gelegenheid van de pleidooien door [appellante] overgelegde procesdossier, aangevuld met de pleitnotities van beide partijen.

3. De grieven

[appellante] heeft de volgende grieven aangevoerd. In plaats van “De Rechtbank Utrecht” leest het hof steeds: “de kantonrechter”.

Grief 1

De kantonrechter gaat niet in op een tweetal gemotiveerde stellingen van [appellante].

Grief 2

Ten onrechte oordeelt de kantonrechter dat het wettelijke stelsel inzake beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitputtend is geregeld. De kantonrechter is van mening dat met dat gesloten ontslagstelsel onverenigbaar is dat naast deze ontslagbepalingen een ontslag van rechtswege nietig zou zijn wegens strijd met de wet of de openbare orde.

Grief 3

Het vonnis van de kantonrechter is niet, althans niet adequaat gemotiveerd.

Grief 4

De kantonrechter baseert zijn conclusie dat [appellante] niet bekwaam of ongeschikt zou zijn op onbewezen stellingen.

Grief 5

De conclusie van de kantonrechter dat [appellante] geen aanspraak kan maken op een (schade)vergoeding is onbegrijpelijk.

4. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan vast de door de kantonrechter in rechtsoverweging 1.1 tot en met 1.9 vastgestelde feiten.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat VSA niet gebonden is aan de uitspraak van de Commissie van Beroep (hierna: de Commissie), zodat geen sprake is van een nietig ontslag wegens schending van de wet of anderszins. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag van [appellante] niet kennelijk onredelijk is.

5.2 Tegen het hiervoor samengevatte oordeel komt [appellante] op met haar grieven. Deze grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling voor aan het hof en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.3 In de kern gaat het in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of VSA het oordeel van de Commissie, inhoudende dat het beroep van [appellante] tegen het besluit van VSA om haar te ontslaan gegrond was, naast zich neer mocht leggen.

5.4 [appellante] stelt zich primair op het standpunt dat de ontslagaanzegging door VSA nietig is, nu deze aanzegging werd gedaan in strijd met de wettelijke verplichting van VSA om zich te binden aan het oordeel van de Commissie. Subsidiair stelt [appellante] dat de opzegging door VSA van haar arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is, als bedoeld in artikel 7:681 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Is VSA gebonden aan de uitspraak van de Commissie?

5.5 [appellante] voert aan dat artikel 60 lid 3 van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo) alsmede artikel 12 van de CAO-PO en artikel 18 lid 7 van het Reglement van instelling van de Commissie (hierna: het Reglement) met zich brengen, dat VSA gebonden is aan de uitspraak van de Commissie. De Commissie heeft het beroep van [appellante] tegen het haar aangezegde ontslag gegrond verklaard. Artikel 60 lid 3 Wpo bepaalt onder meer:

“1.Het bevoegd gezag is aangesloten bij een commissie van beroep. Het personeel kan bij die commissie beroep instellen tegen een beslissing van het bevoegd gezag inhoudende:

(…)

e. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt;

(…)

3. Het bevoegd gezag onderwerpt zich aan de uitspraak van de commissie.”

5.6 [appellante] stelt dat VSA niet heeft gehandeld conform het bepaalde in artikel 60 lid 3 Wpo en dat daarom de ontslagaanzegging nietig is op grond van artikel 3:40 BW. Het handelen van VSA is volgens [appellante] in strijd met voornoemde bepaling en is bovendien onrechtmatig jegens haar, zo stelt zij.

5.7 VSA stelt daar tegenover dat zij niet gebonden is aan de uitspraak van de Commissie, gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Een uitspraak van de Commissie kan niet worden aangemerkt als bindend advies, tenzij zulks ondubbelzinnig is overeengekomen. Dit laatste is tussen partijen niet het geval. Artikel 60 lid 3 Wpo is een begrotingsvoorwaarde en kan niet gelden als een ondubbelzinnige overeenkomst tussen partijen. Dat geldt ook voor artikel 12.1 van de CAO-PO. VSA mocht de uitspraak naast zich neerleggen. Artikel 60 lid 3 van de Wpo is geen dwingende wetsbepaling. Van nietigheid van de ontslagaanzegging op grond van artikel 3:40 BW is dus geen sprake. Bovendien bestaat een gesloten stelsel van beëindigingsmogelijkheden van de arbeidsovereenkomst. Daarmee laat zich niet rijmen dat daarnaast een ontslag van rechtswege nietig is of vernietigbaar kan zijn wegens strijd met de wet. Nu noch de Wpo noch de CAO-PO de sanctie van nietigheid van de opzegging kennen, betreft het wetsbepalingen die conform artikel 3:40 lid 3 BW niet de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten, aldus nog steeds VSA.

5.8 Het hof overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 mei 1996 (LJN: ZC2085) geoordeeld:

“Dit leidt tot de slotsom dat de in arbeidszaken bevoegde burgerlijke rechter, indien een ontslagen leerkracht in het bijzonder onderwijs zich tot hem wendt nadat de commissie van beroep hem in het ongelijk heeft gesteld, het geschil in volle omvang en niet slechts marginaal dient te beoordelen. Dit is slechts anders indien tussen de onderwijsinstelling en de leerkracht is overeengekomen dat de beslissing van de commissie van beroep tussen partijen zal gelden als een bindend advies. Van het bestaan van zulk een overeenkomst zal dan echter ondubbelzinnig moeten blijken.”

Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 9 november 2001 (LJN: AB2752) geoordeeld dat indien tussen een leraar en een school geen verplichting is overeengekomen een eventueel arbeidsgeschil bij wege van bindend advies te laten beslissen door de commissie van beroep, er geen reden is op grond waarvan een leraar gehouden is het geschil eerst aan de commissie van beroep voor te leggen, alvorens zich tot de burgerlijke rechter te wenden.

5.9 In beide voornoemde gevallen ging het over de vraag of de leerkracht gebonden was aan de uitspraak van de commissie van beroep, althans of hij gehouden was het geschil aan die commissie voor te leggen alvorens de burgerlijk rechter te adiëren. Het antwoord op deze vragen luidt ontkennend. Om de leerkracht te kunnen binden aan het oordeel van de commissie van beroep dienen de leerkracht en de school dit ondubbelzinnig te zijn overeengekomen.

5.10 In casu ligt de vraag voor, of ook VSA het oordeel van de Commissie naast zich neer mag leggen, bij gebreke van een ondubbelzinnige overeenkomst tussen partijen. Daarbij is van belang dat voor VSA, anders dan voor leerkrachten, een wettelijke verplichting - artikel 60 lid 3 van de Wpo - geldt zich te onderwerpen aan het oordeel van de Commissie.

5.11 Het hof is van oordeel dat VSA op grond van artikel 60 lid 3 Wpo niet gehouden is de uitspraak van de Commissie te aanvaarden. Uit genoemd artikel vloeit niet voort dat een ontslag als gevolg van een nadien gegeven, voor de werknemer gunstig oordeel van de Commissie nietig of vernietigbaar is. Het wettelijk stelsel inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kent een uitputtend systeem van opzeggings- en beëindigings-mogelijkheden. Een ontslag is alleen nietig of vernietigbaar in de in de wet geregelde gevallen en, zoals de kantonrechter heeft overwogen, de Commissie heeft geen wettelijke bevoegdheid om een ontslagbesluit te vernietigen. Een dergelijke bevoegdheid kan niet uit artikel 60 lid 3 Wpo noch uit enige andere wettelijke bepaling worden afgeleid.

5.12 Van een nietig of vernietigbaar ontslag wegens strijd met een dwingende wetsbepaling als bedoeld in artikel 3:40 lid 1 BW is, kortom, naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake. Artikel 60 lid 3 Wpo heeft niet de strekking de geldigheid van een daarmee strijdige rechtshandeling aan te tasten.

Derdenbeding, onrechtmatige daad of strijd met rechtsbeginselen?

5.13 [appellante] heeft voorts betoogd dat de bepaling in het Reglement, waarbij VSA zich verplicht zich te onderwerpen aan de uitspraak van de Commissie, een derdenbeding betreft als bedoeld in artikel 6:253 BW . Door zich niet te onderwerpen aan de uitspraak van de Commissie handelt VSA onrechtmatig jegens [appellante]. Voorts heeft VSA gehandeld in strijd met de rechtsbeginselen ‘fair play’ en ‘equality of arms’ door vrijwillig en zonder voorbehoud mee te werken aan de procedure bij de Commissie, aldus nog steeds [appellante].

5.14 Met VSA is het hof van oordeel dat het Reglement niet kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst of andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandeling tussen de Commissie en VSA. Dit impliceert dat uit het Reglement geen zelfstandig vorderingsrecht van [appellante] jegens VSA voortvloeit en [appellante] daarop ook niet op andere wijze een beroep jegens VSA kan doen. Het hof volgt [appellante] dus niet in haar standpunt dat sprake is van een derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253 BW .

5.15 VSA is naar het oordeel van het hof bovendien niet gehouden tot schadevergoeding aan [appellante] op grond van het feit dat zij het oordeel van de Commissie naast zich neer heeft gelegd. Met VSA is het hof van oordeel dat de norm van artikel 60 lid 3 Wpo niet strekt tot bescherming tegen schade zoals [appellante] die in dezen stelt te hebben geleden, zodat schending van artikel 60 lid 3 Wpo ingevolge artikel 6:163 BW geen grondslag kan vormen voor een verplichting tot schadevergoeding door VSA aan [appellante].

5.16 Evenmin is naar het oordeel van het hof sprake van schending van rechtsbeginselen door VSA. Het feit dat VSA aanvankelijk haar medewerking heeft verleend aan de procedure bij de Commissie, terwijl zij vervolgens de uitspraak van de Commissie niet heeft gevolgd, levert op zichzelf geen schending van rechtsbeginselen op. Dat sprake is van bijkomende bijzondere omstandigheden, die dit anders zouden kunnen doen zijn, is onvoldoende gesteld of gebleken.

Kennelijk onredelijk ontslag?

5.17 [appellante] stelt zich subsidiair op het standpunt dat het haar verleende ontslag kennelijk onredelijk is. Zij voert daartoe aan dat de kantonrechter er ten onrechte van uit is gegaan, dat [appellante] niet bekwaam of ongeschikt was voor haar werk. [appellante] wijst bovendien op de gevolgen, die het ontslag voor haar heeft gehad.

5.18 VSA stelt daartegenover dat er, na een coachingstraject, onvoldoende verbetering was opgetreden in gesignaleerde en erkende verbeterpunten bij [appellante]. Er bestond binnen de school geen draagvlak meer voor [appellante], zodat zij niet langer als leerkracht kon aanblijven. Gelet op het feit dat VSA heeft getracht tot een beëindigingsregeling te komen, en voorts gedurende 11 maanden het salaris heeft doorbetaald aan [appellante], waarna zij in aanmerking kwam voor een WW uitkering tot haar pensioen, zijn de gevolgen van het ontslag voor [appellante] niet zodanig ernstig, dat VSA de arbeidsrelatie niet mocht opzeggen, aldus VSA.

5.19 Het hof begrijpt de stellingen van [appellante] aldus, dat zij zich beroept op zowel artikel 7:681 lid 2 sub a (valse of voorgewende reden) als sub b (gevolgencriterium) BW.

Valse of voorgewende reden

5.20 Voorop staat dat bij de beoordeling van de vraag of een reden vals of voorgewend is als uitgangspunt heeft te gelden dat een reden vals is wanneer deze niet bestaat, terwijl een reden voorgewend is wanneer deze wel bestaat, doch niet de ware reden vormt voor het ontslag.

5.21 Het hof stelt vast dat [appellante] zich erop beroept dat VSA bij het ontslag gebruik heeft gemaakt van een valse reden, nu zij stelt dat zij niet onbekwaam was of ongeschikt voor haar functie, althans, dat dit niet is komen vast te staan.

5.22 VSA stelt daartegenover dat de door haar opgegeven reden van ontslag wel degelijk aanwezig was. Zij wijst daarbij op de communicatieproblemen van [appellante] met de ouders van haar leerlingen en op de melding van de huisarts dat het met enkele leerlingen in de klas van [appellante] door haar toedoen niet goed ging. Ook stelt VSA dat uit de gespreksverslagen van de heer [A.] met [appellante] blijkt dat [appellante] niet bereid was een voorgesteld ontwikkelingstraject te volgen.

5.23 Het hof stelt voorop dat de kennelijke onredelijkheid in beginsel moet worden gesteld, en bij betwisting bewezen, door [appellante] (HR 23 juni 2006, LJN: AX6579).

VSA dient vervolgens bij haar betwisting van de stellingen van [appellante] voldoende feitelijke aanknopingspunten te verschaffen ter onderbouwing van de ontslaggrond. Laat zij dat na, dan mag de rechter daaruit concluderen dat de werkgever onvoldoende heeft weersproken dat het ontslag kennelijk onredelijk was, zodat tegenbewijs door de werkgever niet meer aan de orde komt (HR 7 september 2001, LJN: ZC3643).

5.24 Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] voldoende feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van haar vordering op grond van artikel 7:681 lid 2 sub a BW. Daarbij zijn ook van belang de bevindingen van de Commissie, zoals vastgelegd in de uitspraak van 29 januari 2008 (productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg), die [appellante] mede aan haar subsidiaire vordering ten grondslag heeft gelegd. De Commissie heeft geoordeeld dat VSA in redelijkheid niet tot de conclusie had kunnen komen dat [appellante] onbekwaam of ongeschikt was voor haar functie. Daartoe heeft de Commissie onder meer overwogen dat niet is komen vast te staan dat 15 leerlingen de klas van [appellante] hebben verlaten als gevolg van haar wijze van lesgeven. Slechts van vijf leerlingen is dit komen vast te staan. Evenmin staat vast dat [appellante] een aangeboden begeleidingstraject heeft geweigerd, noch dat het niveau van haar leerlingen, zoals gebleken uit de Cito-toets onder de maat was. Evenmin heeft VSA voldoende aangetoond dat [appellante] niet goed functioneerde binnen het team van leerkrachten.

5.25 VSA heeft haar bij de Commissie gevoerde verweer herhaald in de procedure in eerste aanleg. In hoger beroep heeft zij betoogd dat tien kinderen naar een andere school zijn gegaan vanwege het gedrag van [appellante] Van zeven van die kinderen heeft VSA dit onderbouwd door middel van een verklaring van de ouders. Daarnaast heeft VSA haar betoog, dat [appellante] in de klas vaak boos en gespannen was en dat de kinderen hiervan nadeel ondervonden, herhaald.

5.26 [appellante] heeft ter weerlegging van het verweer van VSA onder meer een uitgebreide toelichting gegeven op de samenstelling van haar klas. Zo bestond deze voor 2/3 deel uit veelal drukke, grote jongens en bovendien had een onevenredig groot deel van de kinderen één of meer problemen die van invloed was/waren op de rust en orde in de klas. [appellante] erkent dat zij soms krachtig heeft opgetreden in de klas, maar zij stelt dat dit steeds noodzakelijk was om de orde te herstellen en dat de kinderen vervolgens baat hadden bij de aldus ontstane rust. [appellante] wijst er voorts op, dat haar wijze van lesgeven zowel extern (door de heer [B.]) als intern (door de heer [C.]) is beoordeeld. In beide gevallen is niet geconcludeerd dat zij ongeschikt was voor haar functie. Voorts heeft [appellante] een nadere toelichting gegeven op de communicatie en dynamiek met enkele zeer kritische ouders van leerlingen in haar klas.

5.27 VSA heeft de door [appellante] gestelde samenstelling van haar klas niet bestreden en evenmin heeft zij betwist dat [appellante] werd geconfronteerd met een aantal zeer kritische ouders. Ook in het algemeen heeft VSA erkend dat er omstandigheden waren die niet aan [appellante] kunnen worden verweten, en die hebben bijgedragen aan de problematiek met de ouders van enkele kinderen in de klas van [appellante]. Weliswaar heeft VSA verwezen naar een gespreksverslag van 19 december 2006, waarin volgens haar aan [appellante] te kennen is gegeven dat de kritiek van de ouders bij de observatie van de les door de heer [B.] werd herkend, maar het hof is van oordeel dat dit uit bedoeld gespreksverslag niet zonder meer volgt. Uit dit verslag blijken immers ook de volgende uitlatingen van [B.]:

“ik heb het zelf niet herkend in het lesbezoek. Zag je als een goeie juf, geen spanning in de klas. Wat ik wel zelf herken is een soort druk ‘er moet zoveel’. Je noemt het zelf ook, je moet zoveel doen.

(…)

Je herkent dat je te weinig voor jezelf zorgt – daardoor ben je in de klas niet goed genoeg in staat een ademsfeer te creëren. Ik geloof absoluut niet dat je kinderen beschadigd – maar er moet wel wat gebeuren.”

5.28 Ook in hoger beroep is niet komen vast te staan dat [appellante] de door VSA aangeboden begeleiding heeft geweigerd. Uit de door VSA overgelegde gespreksverslagen blijkt dit in ieder geval niet onverkort. De verwijten met betrekking tot het te lage niveau van de kinderen in de klas, alsmede het slechte functioneren van [appellante] binnen het lerarenteam heeft VSA in hoger beroep niet gehandhaafd, althans, zij heeft deze verwijten onvoldoende concreet onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

5.29 Op grond van het voorgaande komt het hof reeds op de in artikel 7:681 lid 2 onder a BW genoemde grond tot het oordeel dat het door VSA aan [appellante] verleende ontslag kennelijk onredelijk is geweest. In het licht van het oordeel van de Commissie en gelet op de gemotiveerde weerlegging door [appellante] van de argumenten die VSA heeft aangevoerd ten betoge dat [appellante] niet geschikt zou zijn voor haar functie, is afdoende gebleken dat de voor het ontslag aangevoerde grond niet heeft bestaan, waarmee de kennelijke onredelijkheid van het ontslag een gegeven is.

5.30 Het hof ziet aanleiding een comparitie te gelasten, waarbij partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de hoogte van de aan [appellante] toe te kennen schadevergoeding. Voorafgaand aan de comparitie dient [appellante] aan VSA en aan het hof een gespecificeerd overzicht te doen toekomen van de schadeposten die zij in dit verband vergoed wil zien, zulks met het oog op een zo nauwkeurig en concreet mogelijke begroting van de schade door het hof. De comparitie kan mede worden gebruikt om te bezien of partijen in onderling overleg tot een regeling kunnen komen. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen, [appellante] in persoon en VSA vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. G.P.M. van den Dungen, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 5.30 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden september, oktober en november 2011 zullen opgeven op de roldatum 16 augustus 2011, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellante] de stukken als bedoeld in rechtsoverweging 5.30 in het geding dient te brengen en ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van die stukken hebben ontvangen;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, H. Wammes en G.P.M. van den Dungen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature