Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Loonbelasting. De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep wegens non-existentie van belanghebbende wordt verworpen. Belanghebbende heeft bezwaar kunnen maken en beroep kunnen instellen. De omstandigheid dat de vereffening sindsdien wederom is geëindigd ontneemt de Inspecteur niet de mogelijkheid tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep in te stellen.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00444

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 22 juni 2011

in het geding tussen:

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X B.V., gevestigd te [Z], hierna: belanghebbende,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 juni 2010, nummer AWB 09/3437 LB/PVV, betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikking.

Naheffingsaanslag en beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de Inspecteur een naheffingsaanslag in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 ten bedrage van € 221.159 (hierna: de naheffingsaanslag), alsmede bij gelijktijdig genomen beschikking een bedrag van € 17.765 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en gelast dat de Inspecteur binnen zes weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank een nieuwe beslissing op bezwaar zou nemen met inachtneming van die uitspraak.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft gerepliceerd en belanghebbende gedupliceerd.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 mei 2011, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende werd op 18 maart 2002 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor [Z] met als bedrijfsomschrijving: de uitoefening van een transportbedrijf.

3.2. Op 27 juni 2006 werd in voormeld handelsregister geregistreerd dat belanghebbende was ontbonden per 25 juni 2006 omdat zij was gefailleerd en geen bekende baten meer aanwezig waren, zodat het faillissement met ingang van laatstvermelde datum werd opgeheven wegens de toestand van de boedel.

3.3. In 2005 was belanghebbende voorwerp van onderzoek door de FIOD en de Belastingdienst. Het onderzoek resulteerde in een zogenoemde nadeelsberekening en de onderhavige naheffingsaanslag, gedagtekend 15 september 2006.

3.4. Op 17 februari 2007 ontving de Inspecteur een faxbericht van de heer [A], voormalig bestuurder en grootaandeelhouder van belanghebbende, waarin deze bezwaar maakte tegen de nadeelsberekening. De Inspecteur antwoordde bij brief van 4 november 2008 dat hij het faxbericht opvat als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag.

3.5. Op 8 maart 2007 werd de vereffening van belanghebbende heropend teneinde de naheffingsaanslag aan haar te kunnen uitreiken. Tot vereffenaar werd benoemd de heer

[B], werkzaam als ontvanger bij de Belastingdienst. De uitreiking van de naheffingsaanslag vond plaats bij brief van 13 maart 2008. De heer [A] werd bij brief van 14 maart 2008 van de vereffenaar op de hoogte gebracht van deze uitreiking , alsmede van het voornemen van de Ontvanger van de Belastingdienst Rijnmond om hem persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslag. Deze aansprakelijkstelling vond plaats op 9 mei 2008.

3.6. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2010 werd aan de heer [B] ontslag verleend als vereffenaar.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.1. Tussen partijen is in geschil:

- of de Inspecteur ontvankelijk is in zijn hoger beroep,

- of het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk is.

4.1.2. De Inspecteur beantwoordt beide vragen bevestigend en belanghebbende ontkennend.

4.2.1. De Inspecteur stelt zich op de volgende standpunten:

- het hoger beroep is tijdig ingesteld en derhalve ontvankelijk,

- belanghebbende was ontbonden toen de naheffingsaanslag werd opgelegd. Haar vereffening werd alleen heropend om de aanslag aan haar te doen uitreiken, zodat zij in gebreke kon worden gesteld voor de betaling daarvan. Belanghebbende moest, althans naar de toenmalige opvatting, in gebreke zijn om de heer [A] aansprakelijk te kunnen stellen. Zij heeft geen enkel belang bij de verlaging of vernietiging van een aanslag die zij toch niet kan betalen; zij hield immers twee maal op te bestaan bij gebrek aan baten. Belanghebbende betwist de aanslag louter omdat de heer [A] die betwisting in zijn procedure wegens aansprakelijkstelling nalaat.

4.2.2. Belanghebbende stelt zich op de volgende standpunten:

- de uitspraak van de rechtbank is gedateerd 11 juni 2010. Het hoger beroepschrift van de Inspecteur is op 2 augustus binnengekomen bij het Hof. De Inspecteur is niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep,

- op 21 juli 2010 heeft de rechtbank de heer [B] van de Belastingdienst Rijnmond ontslagen als vereffenaar van belanghebbende, die per dezelfde datum is opgehouden te bestaan. Het hoger beroep van de Inspecteur is ook om die reden niet-ontvankelijk.

Conclusies van partijen

5.1. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

5.2. Belanghebbende concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer het volgende overwogen, waarbij voor eiseres en verweerder gelezen dient te worden respectievelijk belanghebbende en de Inspecteur.

“III.4 Verweerder stelt dat eiseres niet bevoegd is bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag omdat zij niet door of namens de vereffenaar optreedt en haar belang niet rechtstreeks bij de vereffening is betrokken. (..)

III.5 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Tegen dit besluit kan op grond van artikel 6:4 Awb bezwaar worden ingesteld. Het enkele feit dat de aanslag op naam van eiseres is gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank reeds voldoende om eiseres aan te merken als belanghebbende. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het bepaalde in artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen waarin voor de fiscale wetgeving het begrip belanghebbende wordt ingeperkt. In dat artikel wordt de gene aan wie de aanslag is opgelegd, expliciet genoemd als belanghebbende. Uit het arrest volgt niet dat eiseres in afwijking van voornoemde bepalingen niet als belanghebbende moet worden aangemerkt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens onbevoegdheid van eiseres.

III.6 De termijn voor het indienen van het bezwaar is eerst gaan lopen vanaf het moment dat de aanslag na de heropening van de vereffening aan de vereffenaar bekend is gemaakt, zodat sprake is van een voortijdig ingediend bezwaarschrift. Nu eiseres redelijkerwijs bij de ontvangst van de naheffingsaanslag in september 2006 kon menen dat de naheffingsaanslag daarmee tot stand was gekomen, dient niet-ontvankelijk verklaring wegen het voortijdig indienen van het bezwaar eveneens achterwege te blijven.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.1. Artikel 6:7 juncto artikel 6:24 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een hoger beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn vangt ingevolgde artikel 6:8 juncto 6:24 van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak van de rechtbank op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Die uitspraak wordt op grond van artikel 8:37, eerste lid, juncto artikel 8:79, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt door toezending van de uitspraak bij aangetekende brief. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid juncto 6:24 van de Awb is een hoger beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

7.1.2. Nu de uitspraak van de rechtbank op 21 juni 2010 bij aangetekende brief is verzonden, is de termijn aangevangen op 22 juni 2010. De termijn voor het instellen van hoger beroep is derhalve geëindigd met 3 augustus 2010. Het hoger beroepschrift is op

29 juli 2010 per faxbericht bij het Hof binnengekomen. Het is daarom binnen de wettelijke termijn ingediend en het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.

7.2.1. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vereffening louter werd heropend om de naheffingsaanslag aan belanghebbende te kunnen uitreiken, zodat zij in gebreke kon worden gesteld. Die gang van zaken werd toentertijd voor noodzakelijk gehouden. Belanghebbende heeft geen enkel belang bij de verlaging of vernietiging van een aanslag die zij toch niet kan betalen.

7.2.2. Aan de Inspecteur kan worden toegegeven dat hij de naheffingsaanslag had kunnen opleggen aan belanghebbende zonder daartoe de vereffening te heropenen (vgl. HR 19 september 2003 na conclusie A-G Van Ballegooijen, LJN AK8288, rolnr. 38372, BNB

2003/370. Belanghebbende had dan geen bezwaar kunnen maken en beroep kunnen instellen. De voor de aanslag aansprakelijk gestelde had zijn rechtsbescherming kunnen en moeten verwezenlijken door middel van bezwaar en beroep tegen die aansprakelijkstelling. In zoverre is de uitspraak van de rechtbank onjuist, waar die overweegt dat het enkele feit dat de aanslag op naam van belanghebbende is gesteld reeds voldoende is om haar aan te merken als belanghebbende.

De Inspecteur heeft voormelde weg echter niet bewandeld, maar heeft de vereffening doen heropenen teneinde de aanslag aan belanghebbende te doen uitreiken, zodat zij in gebreke kon worden gesteld voor de betaling daarvan.

Nu de naheffingsaanslag aan belanghebbende is uitgereikt, is de door de Hoge Raad gesanctioneerde kortsluiting van rechtsbescherming voor de Inspecteur geen begaanbare weg meer. Belanghebbende staat de mogelijkheid van bezwaar en dientengevolge van beroep open.

7.2.3. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt de verwerping besloten van de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep wegens non -existentie van belanghebbende. Belanghebbende heeft bezwaar kunnen maken en beroep kunnen instellen. De omstandigheid dat de vereffening sindsdien wederom is geëindigd ontneemt de Inspecteur niet de mogelijkheid tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep in te stellen.

7.3. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep ongegrond is en beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1092,50 (1 punt voor het indienen van het verweerschrift, 0,5 punt voor dupliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437). Het Hof bepaalt de wegingsfactor op 1. Voor een andere of hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1092,50.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 22 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature