Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Proceskosten. De Inspecteur moet ingevolge artikel 8:75 a Awb in samenhang met artikel 8:75 Awb worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00677 t/m 09/00681

Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer d.d. 27 april 2011

op de verzoeken van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) om de voorzitter van het managementteam van de belastingdienst Rijnmond (hierna: de Inspecteur) op de voet van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Wet) te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de na te noemen hoger beroepen heeft gemaakt.

Procesverloop in verband met het verzoek

1.1. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank

’s-Gravenhage van 30 juli 2009, nr. AWB 08/7825, 08/7827, 08/7828, 08/7829 IBPVV en AWB 08/7831 OB, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting.

1.2. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 en de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005.

1.3. Belanghebbende en de Inspecteur hebben een compromis bereikt en belanghebbende heeft de hoger beroepen bij brief van 23 juli 2010 ingetrokken, en tegelijk de in de aanhef genoemde verzoeken gedaan.

1.4. Een afschrift van deze brief van 23 juli 2010 is aan de Inspecteur gezonden.

De Inspecteur heeft zich schriftelijk over de verzoeken uitgelaten. Een afschrift hiervan is aan belanghebbende gezonden.

1.5. De verzoeken zijn mondeling behandeld ter zitting van het Hof van 16 maart 2011, gehouden te ‘s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende drijft sinds het jaar 1997 een eenmanszaak, waarvan de belangrijkste werkzaamheid behang- en meubelstoffering is.

2.2. De Inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld naar aanleiding van de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting van belanghebbende voor de jaren 2002 tot en met 2005.

2.3. Naar aanleiding van het controlerapport van voornoemd onderzoek heeft de Inspecteur diverse correcties toegepast. In beroep en hoger beroep waren nog in geschil de correcties met betrekking tot de bijtelling voor het privé gebruik van auto(‘s) en de omzetbijtelling.

2.4. Na de uitspraak van de rechtbank heeft de Inspecteur een bespreking gehad met belanghebbende over de correcties. Hij schrijft in zijn brief van 19 juli 2010 gericht aan het administratiekantoor van belanghebbende (“[A]”) – voor zover hier van belang – het volgende:

" Geachte heer [B],

Nadat de rechtbank uitspraak had gedaan op de beroepen van de heer [X] tegen de uitspraken op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2002 tot en met 2005 en de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de periode 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 hebben wij op uw verzoek een bespreking gehad bij mij op kantoor.

Wij hebben in het bijzonder gesproken over de correcties wegens privé gebruik van de auto’s. (….)

Ook kwam ter sprake dat de kosten voor een tweede auto niet volledig in de bedrijfskosten waren opgenomen. (…)

Op eigen initiatief heb ik vervolgens bij u op kantoor de geboekte autokosten bezien. Dat “onderzoek’ was zeker niet uitputtend. Wel heb ik geconstateerd dat zeker niet alle kosten van de tweede auto (deels Peugot, deels de Mercedes) als bedrijfskosten zijn geboekt. (….)

De behandelaar van de bezwaarschriften heeft de correcties die zijn aangebracht tijdens de controle vergeleken met de correcties die naar mijn mening naar aanleiding van de bezwaren zouden moeten worden aangebracht. Zie hiervoor bijalge 2, “bestreden correcties” en “correcties na bezwaar”. De correctie na bezwaar wegens privé-gebruik van de auto’s heeft hij gebaseerd op zijn berekening in bijlage 1.

Ik heb mijn voorstel verwerkt in handgeschreven aantekeningen bij de “correcties na bezwaar”. U moet deze handgeschreven bedragen vergelijken met het onderdeel “bestreden correcties”. U kunt dan constateren dat alleen voor 2004 de correcties die naar mijn mening moeten worden aangebracht lager zijn dan de correcties die tijdens de controle zijn gemaakt. Het inkomen over 2005 is na bezwaar verminderd omdat de bezwaarbehandelaar de correcties berekende op € 12.486 terwijl door de controleambtenaar correcties ten bedrage van € 16.117 zijn aangebracht. In mijn voorstel zouden de correcties € 14.475 bedragen zodat het inkomen te laag zou zijn vastgesteld. Ik berust in dat verschil. Over 2004 zal ik, na afloop van deze procedures, zonodig een ambtshalve vermindering verlenen. (….)

2.5. In een reactie op de brief van de Inspecteur heeft de heer [B] van het [A] in zijn brief van 20 juli 2010 - voor zover hier van belang - vermeld:

Hierbij delen wij u mede dat er gisteravond een gesprek heeft plaatsgehad met de heer [X] i.v.m. de beroepsprocedures.

Daarbij heeft hij na langdurige gesprekken gezegd, dat hij akkoord kan gaan met de gewijzigde bijtellingen voor het privé gebruik van auto, behalve voor wat betreft de bijtelling voor de goederen beweging.

Hij wil akkoord gaan en zal dan de beroepsprocedure stop zetten als de bijtelling voor de goederen beweging wordt gehalveerd.

Wat dan ook betekend dat de omzetbelasting aanslag moet worden gecorrigeerd omdat daardoor ook te veel OB betaald zou zijn.

(…)

Na correctie zou er de volgende bijtelling plaats moeten vinden, 2002 = € 14.752 minus € 2.838 wordt dan € 11.734. (teveel btw € 539) 2003 = € 11.010 minus € 1.806 wordt dan € 9.204 (teveel btw € 343) 2004 = € 13.652 minus

€ 2.412 wordt dan € 11.240 (teveel btw € 458) 2005 = € 14.475 minus € 2.731 wordt dan € 11.744 (teveel btw 519) minus € 2.652 aan vergeten lijfrente aftrek en arbeidsongeschiktheidsverzekering na ook het meenemen van deze correctie wordt de bijtelling € 9.092.

2.6. De Inspecteur heeft bij faxbericht van 21 juli 2010 het voorstel van 20 juli 2010 van belanghebbende aanvaard. Belanghebbende heeft de hoger beroepen hierna ingetrokken en aan het Hof verzocht om een beslissing te geven op zijn verzoek om vergoeding van de redelijke kosten van rechtsbijstand.

2.7. In zijn brief van 6 december 2010 geeft de gemachtigde van belanghebbende ten aanzien van beroepsmatig aan betrokkene verleende fiscaal juridische diensten, te kennen dat deze: “thans worden begroot op een bedrag van € 1.963,50 (zijnde € 110x 15 uren x 119%”

Strekking verzoek en standpunt Inspecteur

3.1. Het verzoek strekt tot het toekennen van het volledige bedrag aan gemaakte proceskosten.

3.2. Belanghebbende stelt zich – zakelijk weergegeven - op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) die een volledige proceskostenvergoeding rechtvaardigen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij aangevoerd dat:

- het boekenonderzoek van de belastingdienst naar de auto’s die als bedrijfsauto’s behoorden te worden aangemerkt niet volledig was. Hierdoor misten de opgelegde aanslagen een deugdelijke grondslag en zijn ze willekeurig vastgesteld;

- de Inspecteur tijdens de bezwaarfase, waarbij geen hoorzitting is geweest, onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn stellingen en hierdoor in strijd heeft gehandeld met de aan het verloop van een goede procesgang te stellen formele vereisten;

- de Inspecteur door hem alsnog gedeeltelijk in gelijk te stellen impliciet heeft erkend dat de navorderingsaanslagen onzorgvuldig zijn voorbereid en dus in strijd zijn met artikel 3:2 van de Wet.

3.3. De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek om proceskostenvergoeding in het geheel moet worden afgewezen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij aangevoerd:

- de correctie betreffende de auto’s heeft hij op verzoek van belanghebbende nogmaals beoordeeld en aangepast nadat de rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van belanghebbende ongegrond was;

- de halvering van de omzetcorrectie die belanghebbende als eis heeft gesteld voor intrekking van het hoger beroep, door een welwillende houding jegens belanghebbende is geaccepteerd.

De Inspecteur stelt zich subsidiair op het standpunt dat belanghebbende volgens de regels van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) ten hoogste in aanmerking kan komen voor een proceskostenvergoeding van € 656. Hierbij gaat hij uit van 1 punt voor indiening van het beroepschrift, een geschil van gemiddeld gewicht (factor 1) en een factor 1,5 voor vijf samenhangende zaken.

Beoordeling van het verzoek

4.1. Ingevolge artikel 8:75a van de Wet in samenhang met artikel 27 j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan ingeval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hoger beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak, met toepassing van artikel 8:75 van de Wet in de kosten worden veroordeeld.

4.2. Voor de toepassing van artikel 8:75 van de Wet geldt volgens vaste jurisprudentie dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen op de voet van genoemd artikel. Van de ze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelswijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelswijze van de belanghebbende, is derhalve niet voldoende.

4.3.1. Belanghebbende en de Inspecteur hebben een compromis bereikt met de strekking dat de correcties van de autokosten voor het jaar 2004 worden verminderd terwijl de omzetcorrecties over de jaren 2002 tot en met 2005 worden gehalveerd. De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2002 tot en met 2005 en de naheffingsaanslag omzetbelasting over dezelfde periode zijn in overeenstemming met het compromis verminderd. Gelet op het vorenstaande is het Hof voorshands van oordeel dat de Inspecteur in de proceskosten moet worden veroordeeld.

4.3.2. Het Hof begrijpt de stelling van de Inspecteur aldus dat geen sprake is van geheel of gedeeltelijke tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a van de Wet aangezien hij zuiver uit coulance overwegingen heeft gehandeld door na de uitspraak van de rechtbank waarbij zijn correcties zijn gehandhaafd, alsnog een compromis te sluiten met belanghebbende.

4.3.3. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met belanghebbende een compromis heeft gesloten in de zin die daaraan toekomt, namelijk dat partijen geheel onverplicht iets van hun standpunt prijsgeven om een einde te maken aan een onzekerheid van bijvoorbeeld – zoals dat thans het geval is - de uitkomst van een hoger beroepsprocedure. De omstandigheid dat de rechtbank in de beroepsfase de standpunten van de Inspecteur grotendeels heeft gevolgd, betekende immers niet dat deze uitspraak in hoger beroep door het Hof ook zou worden bevestigd.

4.3.4. Mocht de Inspecteur met zijn stelling bedoelen dat de noodzaak tot het instellen van hoger beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelswijze van belanghebbende dan verwerpt het Hof tevens de aldus opgevatte stelling. Zij zou slechts juist zijn indien de uitspraak van de rechtbank nog onverkort zou gelden en de Inspecteur uit louter vrijgevigheid zijn standpunten deels heeft prijsgegeven. Zoals in het hiervoor overwogene reeds besloten ligt acht het Hof dit niet aannemelijk.

4.4. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat de Inspecteur ingevolge artikel 8:75a van de Wet in samenhang met artikel 8:75 van de Wet moet worden veroordeeld in de proceskosten.

4.5.1. Voor de toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is slechts grond indien sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit die dit rechtvaardigen. Hiervan is sprake bij bijvoorbeeld ernstig onzorgvuldig handelen van de Inspecteur, of een fout van hem die tot nodeloze kosten leidt.

4.5.2. De feiten en omstandigheden die belanghebbende heeft aangevoerd leiden niet tot het oordeel dat het handelen van de Inspecteur dusdanig was dat toekenning van een vergoeding die afwijkt van de forfaitaire bedragen gerechtvaardigd is. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de correcties betreffende de auto’s ook na het tweede onderzoek van de Inspecteur – met uitzondering van de correcties voor het jaar 2004 – volledig zijn gehandhaafd. Belanghebbende heeft voorts geen feiten en omstandigheden gesteld en/of aannemelijk gemaakt die het Hof leiden tot het oordeel dat de aanslagen een deugdelijk grondslag missen en willekeurig zijn vastgesteld. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat in de bezwaarfase wel een hoorzitting is geweest. Tijdens de mondelinge behandeling van 16 maart 2011 heeft de Inspecteur tevens onbetwist, althans onvoldoende betwist, gesteld dat in de bezwaarfase overleg is geweest tussen partijen. Ten slotte heeft de Inspecteur met het sluiten van het compromis niet erkend dat de aanslagen onzorgvuldig zijn voorbereid doch hebben, zoals hiervoor al werd overwogen, beide partijen hiermee concessies gedaan aan hun standpunten om het geschil te beslechten en het procesrisico van een hoger beroepsprocedure te vermijden.

4.6. Voor wat betreft de hoogte van de forfaitaire proceskostenvergoeding overweegt het Hof als volgt. Het Hof merkt, gelet op de inhoud van de dossiers, de zaken met nummers 09/00677 t/m 09/00681 aan als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht . Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 1.288 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof. De proceskostenvergoeding voor het Hof wordt becijferd op € 966 (1 punt voor het indienen van de hoger beroepschriften en 1 punt voor antwoord op incidenteel hoger beroep, met een waarde per punt van € 322, een wegingsfactor van 1 en een factor van 1,5 voor samenhangende zaken). De proceskostenvergoeding voor de rechtbank wordt becijferd op het verschil tussen € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322, een wegingsfactor van 1 en een factor van 1,5 voor samenhangende zaken) en het door de rechtbank reeds toegekende bedrag van € 644, zijnde € 322.

4.7. Voor vergoeding van de door belanghebbende in bezwaar gemaakte kosten ziet het Hof geen reden omdat belanghebbende hierom in de bezwaarfase niet heeft verzocht. Ook de kosten die gemaakt zijn voor het verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking van het beroep door het bestuursorgaan vallen buiten het bereik van artikel 8:75 van de Wet.

4.8. Voor zover het verzoek mede strekt tot vergoeding van griffierechten, is het niet voor inwilliging vatbaar omdat griffierechten geen proceskosten zijn in de zin van artikel 75 van de Wet. Dit neemt evenwel niet weg dat nu het hoger beroep is ingetrokken omdat de Inspecteur gedeeltelijk aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoetgekomen, de Staat van rechtswege gehouden is de ter zake van de ingestelde beroepen en hoger beroepen betaalde griffierechten van respectievelijk € 39, € 145 en € 110, € 223 aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.288 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 27 april 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature