Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang. Nu verzoekster niet rechtmatig in Nederland verblijft, zij en haar dochter niet in aanmerking komen voor wettelijke voorzieningen op grond van de Wmo en de WWB moet beoordeeld worden of de diverse verdragsbepalingen waar verzoekster een beroep op heeft gedaan, tot de gevraagde opvang kunnen nopen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voorshands niet in redelijkheid worden volgehouden dat de weigering van de toelating tot de maatschappelijke opvang van verzoekster en haar dochter blijk geeft van een "fair balance" tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van de toegang en de belangen van verzoekster en haar dochter om wel toegelaten te worden. Verzoek toegewezen.

Uitspraak



VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5445

uitspraak ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster], verblijvend te Den Haag, verzoekster, mede namens haar dochter [dochter],

(gemachtigde: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder,

(gemachtigden: R. van Dam en mr. W. Punter).

Procesverloop

Verzoekster heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag van 24 juni 2011 om een buitenwettelijke voorziening. Voorts heeft zij bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 juli 2011 om verzoeksters aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) af te wijzen. Daarnaast heeft zij bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 juli 2011 waarin haar verzoek om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is afgewezen. Tot slot is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar ter zake de aanvraag om een buitenwettelijke voorziening.

In verband met genoemde bezwaar- en beroepprocedures heeft verzoekster verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening verweerder op te dragen hangende de procedures adequate opvang aan haar en haar dochter te vertrekken, eventueel in de vorm van bijstand.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het verzoek is op 12 juli 2011 ter zitting behandeld.

Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Dam en mr. W. Punter.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, dan wel indien tegen een besluit beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor een beslissing in bezwaar en/of beroep.

2. Op grond van de gedingstukken, alsmede het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoekster, geboren op [geboortedatum] 1979, heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Circa 11 jaar geleden is zij naar Nederland gekomen. Zij werd gedwongen in de prostitutie te werken. Op 24 januari 2004 is zij moeder geworden van een dochter, [dochter]. Verzoekster is angstig en lijdt aan een Post Traumatische Stress stoornis. Begin 2011 heeft zij een zelfmoordpoging ondernomen. Zij werd hierna opgenomen bij PsyQ. Na drie weken in de crisisopvang mag verzoekster tijdelijk verblijven in het particuliere opvanghuis [opvanghuis]. Kinderen mogen hier niet verblijven. Inkomen heeft zij niet.

2.2. In verband met de crisisopvang werd dochter [dochter] ondergebracht bij kennissen van verzoekster. Haar school sloeg echter alarm nadat was gebleken dat [dochter] door deze kennissen werd mishandeld. Zij werd daarna door Bureau Jeugdzorg tijdelijk ondergebracht in een instelling. Bureau Jeugdzorg is van mening dat moeder en dochter zo snel mogelijk herenigd moeten worden. In de brief van Bureau Jeugdzorg, gevoegd als bijlage bij het verzoekschrift, wordt vermeld: "Er is geen grond voor voortzetting van de uithuisplaatsing van [dochter]. Het is in ieder geval absoluut in het belang van [dochter] dat zij samen met haar moeder op een adequate opvangplek terecht komt". Op 30 juni 2011 heeft bij Bureau Jeugdzorg een bespreking plaatsgevonden over [dochter]. Er is geadviseerd om [dochter] op korte termijn bij een pleeggezin te plaatsen indien verzoekster geen adequate opvangplek en leefgeld heeft.

Ter zitting heeft Bureau Jeugdzorg, bij monde van mevr. [A] (maatschappelijk werker bij Bureau Jeugdzorg Haaglanden), nogmaals benadrukt dat het in het belang van [dochter] is dat zij zo snel mogelijk weer herenigd wordt met verzoekster.

2.3. Verzoekster verblijft illegaal in Nederland. Op 1 juli 2011 heeft zij een aanvraag ingediend voor opvang bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Op deze aanvraag is nog niet beslist. Door gemachtigde is ter zitting aangegeven dat op zeer korte termijn een aanvraag om een verblijfsvergunning wegens schrijnendheid zal worden ingediend.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu verzoekster illegaal in Nederland

verblijft zij niet in aanmerking komt voor de gevraagde voorziening. Ook verdragsbepalingen gaan, naar verweerder stelt, niet zover dat zij in deze situatie verplichten tot het vestrekken van opvang. Subsidiair wordt opgemerkt dat sprake is van een voorliggende voorziening, in dit geval de door de Minister voor Immigratie en Asiel aangekondigde op vertrek gerichte locaties van het COA.

4. Verzoekster stelt zich, samengevat, op het standpunt dat ingevolge nationale en internationale regelgeving verweerder gehouden is de gevraagde voorziening (het verschaffen van gezamenlijke opvang voor haar en haar dochter) te verstrekken.

Benadrukt is dat de Staat heeft ingegrepen in het familieleven door dochter [dochter] in een opvang te plaatsen. De Staat moet nu alle middelen aanwenden om, in het belang van het kind, moeder en dochter te herenigen.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat nu verzoekster niet rechtmatig in Nederland verblijft, zij en haar dochter niet in aanmerking komen voor wettelijke voorzieningen op grond van de Wmo en de WWB. Beoordeeld zal moeten worden of de diverse verdragsbepalingen waar verzoekster een beroep op heeft gedaan, tot de gevraagde opvang kunnen nopen.

6. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) geldt dat dit artikel het recht op respect voor het priv éleven van een persoon waarborgt. Dit recht omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging daarvan. Deze positieve verplichting kan volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) er toe leiden dat publieke middelen moeten worden besteed ter waarborging van genoemde rechten. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime "margin of appreciation" toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM (ook) belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dochter [dochter] gelet op haar leeftijd

(7 jaar) behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. [dochter] is thans, door ingrijpen van het crisisteam Jeugdzorg, in een instelling geplaatst. Indien de door verzoeker gevraagde opvangplek voor haar en haar dochter niet geboden zal worden, zal dat tot gevolg hebben dat [dochter] op korte termijn zal worden verplaatst naar een pleeggezin, een voorziening die is gericht op langdurig verblijf zonder haar moeder. Blijkens de rapportage van Jeugdzorg en de mondelinge toelichting ter zitting beschikt verzoekster over voldoende pedagogische capaciteiten om op een verantwoorde wijze voor [dochter] te zorgen. Ook is er sprake van hechting tussen [dochter] en verzoekster. Niet in geschil is dat het in het belang van [dochter] is dat zij zo spoedig mogelijk met verzoekster herenigd wordt.

8. Tegenover het belang van [dochter] en verzoekster staat het belang van de Staat om de doelstellingen van de koppelingswetgeving, te weten beperking van het recht op toelating tot een land, te verwezenlijken.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij weging van de belangen, in deze situatie het belang van [dochter] de doorslag moet geven. Onmiskenbaar is het grote belang dat [dochter] heeft om samen te zijn en een gezin te vormen met haar moeder. Verzoekster wordt door Bureau Jeugdzorg als een capabele moeder gezien, die in staat is om goed voor [dochter] te zorgen. Het samen kunnen zijn met gezinsleden is voor ieder kind van belang, maar zeker ook voor [dochter]. [dochter] heeft veel meegemaakt. Zoals uiteengezet door Bureau Jeugdzorg heeft zij angsten en nachtmerries. Zij heeft daarbij de hulp en zorg nodig van haar moeder.

In het kader van de belangenafweging acht de voorzieningenrechter tevens van belang dat er in deze situatie sprake is van samenhangende positieve én negatieve verplichtingen aan de zijde van de Nederlandse Staat. Immers, de Nederlandse Staat heeft ingegrepen in het familie- en gezinsleven van verzoekster en [dochter], door [dochter] te plaatsen in een noodopvang. Indien verzoekster middels een adequate opvangplek niet op hele korte termijn in staat wordt gesteld om opvang voor [dochter] te bieden, zal Jeugdzorg een meer structurele vorm van opvang moeten gaan organiseren in de vorm van opname in een pleeggezin zodat hechting kan plaatsvinden tussen [dochter] en haar pleegouders. In de onderhavige situatie gaat het dus niet uitsluitend om een positieve verplichting aan de kant van de Nederlandse overheid (te weten het bieden van onderdak aan verzoekster en [dochter]), maar ook om een negatieve verplichting, te weten het staken van gescheiden opvang van [dochter].

De voorzieningenrechter onderkent dat verzoekster en [dochter] op dit moment geen legale verblijfsstatus hebben, doch daarbij kan worden aangetekend dat de gemachtigde van verzoekster heeft aangegeven dat op zeer korte termijn een aanvraag om een verblijfsvergunning wegens schrijnendheid zal worden gedaan. Gezien de lange duur van verzoekers verblijf hier te lande, de moeizame omstandigheden rond hun verblijf, en het feit dat [dochter] haar hele leven in Nederland heeft verbleven, een niet op voorhand kansloos verzoek.

10. Onder al deze genoemde omstandigheden, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet in redelijkheid worden volgehouden dat de weigering van de toelating tot de maatschappelijke opvang van verzoekster en [dochter] blijk geeft van een "fair balance" tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van de toegang en de belangen van verzoekster en [dochter] om wel toegelaten te worden.

11. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van verweerder dat, voor zover geoordeeld zal worden dat verzoekster en [dochter] samen onderdak moeten krijgen, opvang in op vertrek gerichte locaties van het COA als voorliggende voorziening moet worden aangemerkt, wordt als volgt overwogen. De voorzieningenrechter acht de kans dat verzoekster en [dochter] in aanmerking komen voor opvang vanuit de COA te onzeker, dat deze regeling als voorliggende voorziening kan worden beschouwd. De door verweerder ter zitting overgelegde brief van 1 juli 2011 van de Minster voor Immigratie en Asiel over terugkeer in het vreemdelingenbeleid, maakt dit niet anders. In deze brief wordt weliswaar aangegeven dat uitgeprocedeerde gezinnen met kinderen ter voorbereiding op hun vertrek een versoberde vorm van onderdak blijven behouden, maar onduidelijk blijft of en op welke termijn verzoekster hierop aanspraak kan maken.

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 20, eerste lid, van de Wmo aan daartoe aangewezen gemeenten een zorgtaak is opgedragen om beleid te realiseren ter zake van vormen van maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wmo . De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de gemeente Den Haag tot die gemeenten behoort. Nu de Wmo niet bepaalt welk orgaan van de gemeente over de toelating tot maatschappelijke opvang in de vorm van daklozenopvang beslist, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bevoegdheid om daarover een beslissing te nemen, in de gemeente Den Haag ingevolge artikel 147, derde lid, in verbinding met artikel 108, tweede lid, van de Gemeentewet bij het college van burgemeester en wethouders berust.

13. Uit het voorgaande vloeit voort dat het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang wordt toegewezen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat verweerder met ingang van (uiterlijk) 28 juli 2011 gehouden is ten behoeve van [dochter] en verzoekster maatschappelijke opvang te realiseren.

14. Verweerder wordt in de door verzoekster gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken (het indienen van een verzoekschrift, het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage:

treft de voorlopige voorziening dat verweerder ten behoeve van verzoekster en [dochter] met ingang van 28 juli 2011 maatschappelijke opvang dient te realiseren.

gelast verweerder aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht van € 41,-, te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 874,-, welke kosten verweerder aan verzoekster dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. Tieleman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature