Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Toekenning bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening. Aangezien borgstelling in dit geval niet mogelijk was, diende de verlening van de bijzondere bijstand volgens het beleid van het College in de vorm van een geldlening te geschieden. Evenals de rechtbank en het College ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de omstandigheden waarin zij verkeert niet zodanige bijzondere omstandigheden dat het College daarin aanleiding had moeten vinden om de bijstand in afwijking van het beleid om niet te verlenen.

Uitspraak



09/3637 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 mei 2009, 08/841 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 14 juni 2011. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 5 juni 2008 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een babyuitzet voor een tweeling. Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het College appellante bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van € 923,54.

1.2. Bij besluit van 15 augustus 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2008 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij, onder verwijzing naar artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB), onder meer overwogen dat het gegeven dat appellante geen aflossingscapaciteit heeft als gevolg van niet-noodzakelijke schulden geen bijzondere omstandigheid oplevert. Naar het oordeel van het College had appellante eigenlijk geen recht op bijzondere bijstand, maar omdat appellante door het maken van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen te verkeren, is het toekenningsbesluit gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat zij wel recht had op bijzondere bijstand en dat deze niet in de vorm van een geldlening verstrekt had dienen te worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het College heeft aanvankelijk in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding gezien om bijzondere bijstand te verlenen. In zijn besluit van 15 augustus 2008 heeft het College weliswaar overwogen dat appellante achteraf bezien eigenlijk geen recht had op bijzondere bijstand, maar de toekenningsbeslissing uitdrukkelijk in stand gelaten. De Raad ziet niet in dat in hoger beroep nog van belang is dat wordt vastgesteld - zoals appellante wenst - dat zij in dit geval recht heeft op bijzondere bijstand. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het nadere standpunt van het College in de bezwaarfase niet met zich bracht dat de vorm van de toegekende bijstand vervolgens door appellante niet meer ter discussie kon worden gesteld.

4.2. Het College heeft de bijstand verleend in de vorm van een geldlening. Appellante beoogt met het hoger beroep te bewerkstelligen dat de bijstand om niet wordt verleend.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil - en ook de Raad gaat daarvan uit - dat het College in dit geval ingevolge artikel 51, eerste lid, van de WWB bevoegd is tot verlening van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening.

4.4. Het College voert het beleid dat bijzondere bijstand voor de aanschaf van een babyuitzet wordt verleend in de vorm van een borgstelling voor een bij een kredietverlenende instelling af te sluiten lening. Indien dat niet mogelijk is, wordt de bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt. In het geval waarin sprake is van bijzondere omstandigheden is het mogelijk om de bijstand om niet te verstrekken.

4.5. Aangezien borgstelling als bedoeld onder 4.4 in dit geval niet mogelijk was, diende de verlening van de bijzondere bijstand volgens het beleid van het College in de vorm van een geldlening te geschieden. Evenals de rechtbank en het College ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de omstandigheden waarin zij verkeert niet zodanige bijzondere omstandigheden dat het College daarin aanleiding had moeten vinden om de bijstand in afwijking van het beleid om niet te verlenen. Dat appellante, naar zij stelt, wegens schulden niet heeft kunnen reserveren, is - zo heeft de Raad in zijn uitspraak van 24 augustus 2010, LJN BN6077 al uitgesproken - voor de vorm waarin de bijstand wordt verleend niet relevant. Dat is uitsluitend van belang voor de beantwoording van de vraag of al dan niet bijzondere bijstand moet worden toegekend. Hetzelfde geldt voor het standpunt van appellante dat hier sprake is van meerkosten omdat het gaat om een tweeling. De Raad merkt nog op dat het College bij de vaststelling van de maandelijkse aflossing van de geldlening rekening kan houden met aflossingsbedragen van andere aantoonbare schulden. In dit verband heeft het College in het verweerschrift meegedeeld dat appellante een volledige bijstandsuitkering ontvangt en dat zij voldoende financiële ruimte heeft om op de leenbijstand af te lossen, hetgeen door appellante niet is tegengesproken.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature