Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

11. Gelet op de artikelen 1 en 2 van de Verordening is voor het in rekening brengen van leges voor diensten die door of vanwege de gemeente worden verleend vereist dat een aanvraag wordt ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen schriftelijke aanvraag voor een sloopvergunning heeft ingediend en eiser bij de aanvraag om bouwvergunning niet de in paragraaf 1.2.5. onder d, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning bedoelde bescheiden (een afschrift van een sloopvergunning dan wel een bewijs van aanvraag van een sloopvergunning) heeft overgelegd.

12. De vraag of een sloopvergunning noodzakelijk was kan in deze procedure niet aan de orde komen. Omdat eiser tegen de verleende sloopvergunning geen bezwaar heeft gemaakt, heeft de sloopvergunning formele rechtskracht verkregen en moet het er in deze procedure voor worden gehouden dat de aanvraag bouwvergunning terecht tevens als aanvraag sloopvergunning is aangemerkt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiser in strijd met het vijfde lid van artikel 2.1.4., van de Bouwverordening door of namens burgemeester en wethouders daarvan niet in kennis is gesteld. Anders dan verweerder heeft gesteld kan de brief van 11 augustus 2009 of het besluit van 9 september 2009 waarbij de sloopvergunning is verleend niet als een kennisgeving als bedoeld in artikel 2.1.4, vijfde lid, van de Bouwverordening gelden. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte leges sloopvergunning geheven,

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 10/253 LEGGW

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

gemachtigde mr. A.C. Ribbeling,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Op 27 juli 2009 heeft het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het stadsdeel) van eiser een aanvraag bouwvergunning ontvangen voor het veranderen van de vierde verdieping van de woning [adres].

Bij brief van 11 augustus 2009 heeft het stadsdeel eiser meegedeeld dat hij zijn aanvraag voor een sloopvergunning heeft ontvangen.

Bij besluit van 9 september 2009 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel de gevraagde “lichte bouwvergunning” aan eiser verleend en tevens een sloopvergunning verleend voor het uitvoeren van sloopwerkzaamheden ten behoeve van de verleende bouwvergunning.

Met dagtekening 14 september 2009 heeft verweerder van eiser een aanslag leges van € 778 opgelegd voor het in behandeling nemen van een aanvraag sloopvergunning.

Bij uitspraak op bezwaar van 2 december 2009 heeft verweerder het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 15 januari 2010 beroep ingesteld.

Op 8 april 2011 heeft de rechtbank de zaak te ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. L. Bouzahra.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd. Bij brief van 12 juli 2011 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat zij op 21 juli 2011 uitspraak zal doen.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder terecht en op goede gronden een aanslag leges van € 778 aan eiser heeft opgelegd. Hierbij is specifiek in geschil of verweerder de aanvraag voor een bouwvergunning tevens heeft kunnen beschouwen als een aanvraag voor een sloopvergunning

2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de aanslag ten onrechte heeft opgelegd omdat voor de bouwwerkzaamheden geen sloopvergunning noodzakelijk was en hij geen sloopvergunning heeft aangevraagd. Voor zover verweerder terecht leges heeft geheven is eiser van mening dat de heffing van leges voor een sloopvergunning naar een vast bedrag van € 778 in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, omdat het tarief in het voorafgaande jaar 2007 € 260,50 en in het opvolgende jaar 2009 € 277 bedroeg.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er gelet op het bij de bouwaanvraag behorende bouwplan en de bouwtekening ook een sloopvergunning was vereist en de bouwaanvraag om die reden tevens is aangemerkt als een aanvraag voor een sloopvergunning. De omstandigheid dat eiser niet is meegedeeld dat de aanvraag bouwvergunning tevens is aangemerkt als aanvraag sloopvergunning staat aan legesheffing niet in de weg. Uit een aan eiser verzonden ontvangstbevestiging van de aanvraag sloopvergunning had eiser kunnen opmaken dat er tevens een sloopvergunningsprocedure liep en had eiser contact kunnen opnemen met het stadsdeel. Dit heeft eiser niet gedaan. Eiser heeft evenmin bezwaar gemaakt tegen de verleende sloopvergunning.

4. Ingevolge artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

5. In artikel 1 van de Legesverordening 2009 stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening) is bepaald dat onder de naam leges rechten worden geheven voor diensten die door of vanwege de gemeente worden verleend en die worden vermeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

6. Artikel 2 van de Verordening luidt als volgt:

De leges worden geheven van de aanvrager van de dienst dan wel van degene ten behoeve van wie de dienst wordt verleend.

Het moment van in behandeling nemen van een aanvraag vangt aan op het moment dat de aanvraag door het stadsdeel is ontvangen tenzij in deze verordening of de daarbij behorende tarieventabel anders is bepaald.

In onderdeel 3.4 (sloop) van de tarieventabel behorende bij de Verordening is bepaald dat het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een sloopvergunning als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Bouwverordening Amsterdam 2003 € 778 bedraagt.

7. In artikel 2.1.4., tweede lid, van de Bouwverordening Amsterdam 2003 (hierna: de Bouwverordening) is bepaald, voor zover van belang, dat indien het bouwen waarvoor vergunning wordt gevraagd, niet kan plaatsvinden zonder sloopwerkzaamheden waarvoor op grond van artikel 8.1. 1. een sloopvergunning is vereist en de aanvrager bij de aanvraag om bouwvergunning niet de in paragraaf 1.2.5. onder d van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten bedoelde bescheiden heeft overgelegd, de aanvraag om bouwvergunning tevens kan worden beschouwd als aanvraag voor de benodigde sloopvergunning in artikel 8.1. 2.

8. In paragraaf 1.2.5. onder d, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: het Besluit) zijn als bescheiden genoemd: Een afschrift van de sloopvergunning dan wel een bewijs van aanvraag van een sloopvergunning.

9. In het vijfde lid van artikel 2.1.4. van de Bouwverordening is bepaald, voor zover van belang, dat indien een aanvraag om bouwvergunning tevens wordt beschouwd als een aanvraag om vergunning als bedoeld in het tweede lid, de aanvrager daarvan door of namens burgemeester en wethouders in kennis wordt gesteld binnen zes weken na indiening van de aanvraag om bouwvergunning.

10. Ingevolge artikel 4:1 van de Awb wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

11. Gelet op de artikelen 1 en 2 van de Verordening is voor het in rekening brengen van leges voor diensten die door of vanwege de gemeente worden verleend vereist dat een aanvraag wordt ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen schriftelijke aanvraag voor een sloopvergunning heeft ingediend en eiser bij de aanvraag om bouwvergunning niet de in paragraaf 1.2.5. onder d, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning bedoelde bescheiden (een afschrift van een sloopvergunning dan wel een bewijs van aanvraag van een sloopvergunning) heeft overgelegd.

12. De vraag of een sloopvergunning noodzakelijk was kan in deze procedure niet aan de orde komen. Omdat eiser tegen de verleende sloopvergunning geen bezwaar heeft gemaakt, heeft de sloopvergunning formele rechtskracht verkregen en moet het er in deze procedure voor worden gehouden dat de aanvraag bouwvergunning terecht tevens als aanvraag sloopvergunning is aangemerkt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiser in strijd met het vijfde lid van artikel 2.1.4., van de Bouwverordening door of namens burgemeester en wethouders daarvan niet in kennis is gesteld. Anders dan verweerder heeft gesteld kan de brief van 11 augustus 2009 of het besluit van 9 september 2009 waarbij de sloopvergunning is verleend niet als een kennisgeving als bedoeld in artikel 2.1.4, vijfde lid, van de Bouwverordening gelden. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de in geding zijnde leges ten onrechte aan eiser in rekening heeft gebracht nu eiser geen schriftelijke aanvraag voor een sloopvergunning heeft gedaan en verweerder eiser niet binnen zes weken na indiening van de aanvraag om bouwvergunning ervan in kennis heeft gesteld dat hij de aanvraag om bouwvergunning tevens beschouwt als aanvraag om sloopvergunning.

13. De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874 (1 punt beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437, wegingsfactor 1) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de legesaanslag sloopvergunning;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 41 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874 en bepaalt dat de betaling dient te worden gedaan aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Swildens, voorzitter, mr. drs. C.M. van Wechem, en mr. drs. A.E. Keulemans, leden, in tegenwoordigheid van R. van der Vecht, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2011 te Alkmaar.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature