Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van vier windmolens langs het kanaal te Neer. Crisis en herstelwet (Chw) van toepassing nu het gaat om een project van “duurzame energie” en het bouwplan behelst het oprichten en gebruiken van vier windmolens met ieder een capaciteit van 2,3 MW, totaal 9,2 MW, die via één kabel op één leveringspunt 9,2 MW leveren aan het hoofdspanningsnet, zodat sprake is van één organisatorisch en technisch geheel (als bedoeld in artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998). Indien en voor zover vast zou komen staan dat niet alle vier de bedrijfswoningen als zodanig kunnen worden aangemerkt en er wel een milieuvergunning nodig zou zijn, komt de rechtbank onder verwijzing naar de relativiteitseis van artikel 1.9 van de Chw tot de conclusie dat de noodzaak voor de bescherming van de betreffende woning(en) en hun inwoners door afgifte van een milieuvergunning niet een regel betreft die strekt tot bescherming van de belangen van eisers.

Wijziging van vijf windmolens naar twee keer twee windmolens en de verandering van het type is een wijziging van ondergeschikte aard, Ook nog steeds sprake van lijnopstelling (langs het kanaal). Ruimtelijke inpasbaarheid voldoende deugdelijk uitgewerkt en gemotiveerd. Geen afbreuk aan openheid van het landschap. Geluid en slagschaduw kunnen, door regulatie en/of stilstand, binnen de wettelijke normen blijven.

Uitspraak



RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 2011 / 71, 2011 / 72, 2011 / 73, 2011 / 74, 2011 / 75, 2011 / 78, 2011 / 79, 2011 / 80, 2011 / 81, 2011 / 84, 2011 / 85, 2011 / 86 en 2011 / 89

Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank in de zaak tussen

[eiser], wonende te Eghel, eiser,

en

[eisers]

allen wonende te Eghel, eisers,

gemachtigde dr . ir. T.W.J. Scheenen,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leudal, verweerder.

Als derde–partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], vergunninghoudster, gemachtigde mr. ING. A.P.J. Timmermans.

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van vier windmolens aan de Boerderijweg ongenummerd te Neer.

Bij besluit van 7 december 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het besluit in die zin gecorrigeerd dat de plaatsing van een windmolen op het perceel kadastraal bekend als gemeente Neer sectie G nummer 11 wordt gewijzigd in sectie G nummer 28.

Eisers hebben elk afzonderlijk tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 19 mei 2011. Eiser [eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.F.J. Delahaije als zijn raadsvrouwe. Van de overige eisers zijn [eisers] in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, die tevens het woord heeft gevoerd namens de overige eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.A.N. Gerards. Vergunninghoudster is verschenen bij haar vennoot H. [gemeenteraadslid], bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghoudster.

Overwegingen

1. Vergunninghoudster heeft bij brief van 27 oktober 2004 aan het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Roggel en Neer (per 1 januari 2007 opgegaan in de gemeente Leudal) verzocht om (medewerking ten aanzien van een) vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor de bouw van zes windmolens langs het afwateringskanaal te Neer. De gevolgde inspraakprocedure heeft geresulteerd in aanpassing van het plan. Het ontwerpbesluit van 21 augustus 2006 voor vijf windmolens in lijnopstelling langs het kanaal, met de ruimtelijke onderbouwing gedateerd 6 juli 2006, heeft ter inzage gelegen van 24 augustus tot en met 4 oktober 2006. Onder meer eisers hebben zienswijzen ingediend. Door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg (verder GS) is op 20 maart 2007 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Op 19 december 2007 heeft vergunninghoudster de aanvraag voor een bouwvergunning ingediend.

2. Vergunninghoudster heeft het bouwplan na indiening vna de bouwaanvraag gewijzigd, welke wijziging hieruit bestaat dat de middelste windmolen in de lijnopstelling van vijf is komen te vervallen en dat de (overige) windmolens zijn vervangen door een ander type dan bij de oorspronkelijke aanvraag. Vergunninghoudster heeft ten aanzien van het gewijzigde bouwplan aanvullend gerapporteerd over de landelijke inpassing, het geluid, slagschaduweffecten en de economische haalbaarheid. GS hebben bij brief van 20 oktober 2009 laten weten dat de wijziging valt binnen het bereik van de op 20 maart 2007 afgegeven verklaring van geen bezwaar.

De gemeenteraad van de gemeente Leudal heeft op 19 mei 2009 op grond van artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een voorbereidingsbesluit genomen.

Bij primair besluit van 24 november 2009 heeft verweerder vrijstelling van het geldende bestemmingsplan op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning voor vier windmolens langs het afwateringskanaal verleend. Onder meer eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 november 2009. De gemeenteraad van verweerders gemeente heeft op 22 juni 2010 een nieuw voorbereidingsbesluit genomen. De commissie bezwaarschriften van verweerders gemeente heeft op 6 september 2010 geadviseerd de bezwaren van eisers gegrond te verklaren.

3. Bij het thans bestreden besluit van 7 december 2010 heeft verweerder de bezwaren van eisers in afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften, en onder wijziging van het in het primaire besluit genoemde perceelsnummer G 11 in G 28, ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de afwijking van het advies van de commissie gemotiveerd door uiteen te zetten dat de door de commissie geconstateerde privaatrechtelijke belemmering is komen te vervallen, dat de wijziging van het bouwplan van vijf naar vier windmolens een wijziging van ondergeschikte betekenis is en geen nieuwe aanvraag rechtvaardigt, dat de bewoners van de dienst-/bedrijfswoningen op de percelen waar de windmolens worden geplaatst volledig meedoen in de exploitatie van het park zodat de woningen tot de inrichting(en) behoren, en dat ook bij de opstelling in twee clusters van telkens twee windmolens sprake blijft van een lijnopstelling.

Verweerder verwijst naar de voor het bouwplan uitgebrachte ruimtelijke onderbouwing die aantoont dat wordt voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit en waarin wordt ingegaan op de natuurwaarden en de in het kader van de vrijstellingsprocedure vereiste belangenafweging. Voorts heeft verweerder zich in reactie op hetgeen in bezwaar is aangevoerd, op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit is gebaseerd op nieuwe rapporten over geluid- en slagschaduweffecten en dat het gebruik van de (vier) windmolens binnen de daarvoor geldende normen blijft dan wel dat er maatregelen zijn voorzien in geval van overschrijding (te weten: stilstand).

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de windmolens geen afbreuk doen aan (het zicht op) de openheid van het gebied en dat het bouwplan niet is geprojecteerd in of nabij waardevol regionaal landschap of aangewezen weidevogelgebied, zodat er geen sprake is van onaanvaardbare ingrepen in bestaande landschappelijke kwaliteit. Instandhouding van (vogel)soorten van de rode lijst is volgens verweerder niet in geding. Er is ook geen windturbine geprojecteerd op een dassenburcht.

Bij de publicatie van het besluit van 9 december 2009 is abusievelijk sprake geweest van vijf windmolens, maar dit doet aan de inhoud van de vrijstelling en de bouwvergunning voor vier windmolens niet af en voor zover in dat besluit een verkeerd perceelsnummer is vermeld (G11 in plaats van G28) is dit bij het bestreden besluit hersteld. Een eerdere verkeerde visualisatie was al hersteld naar aanleiding van de inspraak en door eisers is in bezwaar niet gemotiveerd dat er na die aanpassing nog steeds sprake zou zijn van onjuiste visualisatie. Verweerder is verder van mening dat er geen aanwijzingen zijn dat toerisme zal verminderen als gevolg van realisatie van het windmolenpark. De camping [camping] ligt op 1000 meter afstand buiten de geluidscontour (die tot 400 meter loopt) en buiten de slagschaduw contour (van 984 m). Bovendien is de camping geen geluidgevoelige bestemming, en zelfs als dat wel zo was dan wordt voldaan aan de geldende normen.

Andere locaties voor een windmolenpark zijn in de aanloopprocedure ook onderzocht, maar dat doet er niet aan af dat verweerder had te beslissen op dit concrete bouwplan op deze locatie waarvoor de aanvragen zijn ingediend.

Voor zover er planschade wordt geleden als gevolg van dit plan hoort dat thuis in een andere procedure en wat ook zij van de uitkomst daarvan, volgens de initiatiefnemers is het huidige plan economisch uitvoerbaar. De verwijdering van de windmolens in de toekomst, na afschrijving, is in de akte tot vestiging van het opstalrecht vastgelegd en de kosten daarvoor worden gereserveerd, zodat ook dit aspect geen afbreuk doet aan de economische haalbaarheid van het plan.

Volgens verweerder is de omgeving steeds voldoende geïnformeerd en is er rekening gehouden met ingebrachte belangen en argumenten. Eén van de initiatiefnemers was weliswaar gemeenteraadslid ([gemeenteraadslid]), maar hij heeft niet deelgenomen aan de besluitvorming, zodat er volgens verweerder geen sprake is geweest van belangenverstrengeling.

Verweerder neemt de verantwoordelijkheid voor het opwekken van duurzame energie. Dat hiervoor ook alternatieven bestaan doet geen afbreuk aan de wenselijkheid van dit windmolenpark, aldus verweerder.

4. In beroep is in alle zaken gewezen op het ontbreken van het maatschappelijk draagvlak voor het windmolenpark op deze locatie. Verder is betoogd dat de wijziging van het bouwplan van vijf naar vier windmolens in een opstelling van twee keer twee, had moeten resulteren in een nieuwe aanvraag. Door dit niet te doen is er sprake van onzorgvuldigheid en vooringenomenheid. Bovendien is de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende (in)gericht op de vergunde situatie en is de vrijstelling afgegeven voor de visueel minder aantrekkelijke situatie. De nieuwe situatie is niet beoordeeld door de welstandscommissie en voldoet niet aan de richtlijnen beeldkwaliteit, aldus eisers. Op de aangepaste visualisatie van het plan is geen referentie zichtbaar en de twee clusters liggen niet op één lijn. Eisers betogen dat er strijd is met de ruimtelijke inpasbaarheid omdat er geen sprake is van grootschalige lijnen in het landschap (het kanaaltje kan niet als zodanig gelden) en omdat de vergunde situatie niet in overeenstemming is met de eis van verweerder zelf dat sprake zou moeten zijn van een lijnopstelling. Daarnaast wijzen eisers erop dat er in hun visie sprake is van strijd met de beleidsvisie voor het buitengebied Leudal waarin het kanaal als een bijzonder landschapselement wordt beschouwd, terwijl de windmolens de openheid wegnemen.

Eisers betogen voorts dat de milieuvergunning ontbreekt die nodig is als er vanuit gegaan dient te worden dat de woningen binnen viermaal de ashoogte niet als dienst- of bedrijfswoningen kunnen worden aangemerkt. De windmolens zullen geluidsoverlast veroorzaken nu op de grens van het wettelijke toelaatbare wordt geopereerd, blijkend uit het feit dat de molens ’s nachts stilgezet moeten worden om aan de wettelijke normen te voldoen. Eisers wijzen op de in Frankrijk en Duitsland geldende afstandseisen van windmolens tot bebouwing, zijnde 1500 meter.

Verweerder is onzorgvuldig geweest bij de (inhoud van de) publicatie en heeft onvoldoende gecommuniceerd met de gemeente Peel en Maas. Onbegrijpelijk is het voor eisers dat door de gemeente Helden (per 1 januari 2010 opgegaan in de nieuwe gemeente Peel en Maas) dit project gelokaliseerd op de Eghelse Heide in december 2005 op grond van een ingrijpende aantasting van het landschap, is afgewezen, terwijl door een aangrenzende gemeente op vrijwel dezelfde locatie wordt ingestemd met realisatie van het windmolenpark en het maatschappelijk belang bij vier windmolens ook nog is afgenomen ten opzichte van het plan voor de Eghelse Heide. Volgens eisers zijn er betere locaties voor een windmolenpark dan de thans in geding zijnde.

Verder hebben eisers betoogd dat de economische haalbaarheid van het plan met een mager rendement slecht is onderbouwd en gewaarborgd, de opbrengst te hoog is geschat en niet alle verliezen zijn genomen. Het rendement is te mager om er ook nog planschade mee te betalen.

Terwijl verweerders gemeente meerinkomsten aan WOZ zal hebben vanwege de windmolens, derft de gemeente Peel en Maas WOZ-inkomsten als gevolg van waardedaling van de woningen binnen die gemeente.

Tot slot wijzen eisers op belangenverstrengeling nu de initiatiefnemer, één van de vennoten van vergunninghoudster, ook gemeenteraadslid was.

5. Door eiser [eiser], eigenaar en exploitant van camping [camping], is daarenboven nog aangevoerd dat hij voor bedreiging van zijn inkomen en het voortbestaan van de camping vreest door de negatieve uitstraling van het windpark, de slagschaduw, geluidsoverlast en horizonvervuiling. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de gebruikers van de camping komen voor de rust. Eiser [eiser] is overgeschakeld van een agrarisch bedrijf naar een camping juist in verband met de druk op de inkomsten als agrariër en nu dreigt het ongesubsidieerde inkomen van eiser onder druk te komen van een zwaar gesubsidieerde inkomstenbron voor andere agrariërs. Eiser [eiser] voorziet een waardedaling van zijn huis en bedrijf en verwacht daarvoor compensatie.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Vergunninghoudster heeft aangevoerd dat de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is op de onderhavige gedingen. De rechtbank overweegt allereerst met betrekking tot de op 31 mei 2010 in werking getreden Chw het volgende. De inhoudelijke bepalingen van de Chw hebben volgens de hoofdregel van overgangsrecht onmiddellijke werking voor de onder de reikwijdte van deze wet vallende besluiten. In de eerste plaats ziet de rechtbank zich geplaatst voor beantwoording van de vraag of in deze gedingen sprake is van een besluit dat onder de reikwijdte van de Chw valt. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is Afdeling 2 onder meer van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten. In bijlage I bij de Chw zijn vier categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten opgenomen, waarvan de eerste is: “duurzame energie”. Daaronder is opgenomen (onder 1.1): aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 . In artikel 9e van de Elektriciteitswet gaat het om een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net. Het bouwplan van vergunninghoudster behelst het oprichten en gebruiken van vier windmolens met ieder een capaciteit van 2,3 MW, totaal 9,2 MW. Ter zitting is van de zijde van vergunninghoudster onweersproken gesteld dat de vier windmolens via één kabel op één leveringspunt 9,2 MW leveren aan het hoofdspanningsnet. De rechtbank concludeert daaruit dat sprake is van één organisatorisch en technisch geheel.

Uit het voorgaande volgt dat het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning een project betreffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw , gelezen in samenhang met bijlage I behorende bij de Chw (onder 1.1) en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 .

Ter zitting is door de gemachtigde van eisers een beroep gedaan op een door de gemeente Peel en Maas ingenomen standpunt, inhoudende dat artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 niet van toepassing is omdat niet zou zijn voldaan aan de in dat artikel beschreven voorwaarden /omstandigheden. De rechtbank volgt die redenering niet. De bedoelde voorwaarden gelden voor het ontstaan van de bevoegdheden van Provinciale Staten, onderscheidenlijk Gedeputeerde Staten, op grond van de Elektriciteitswet 1998, terwijl de verwijzing in de Chw zich naar het oordeel van de rechtbank beperkt tot de verwijzing naar “een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net”.

7. Het primaire besluit dateert van 24 november 2009 (voor de inwerkingtreding van de Chw) en het bestreden besluit is bekendgemaakt op 7 december 2010 (na de inwerkingtreding van de Chw). De hoofdregel van overgangsrecht houdt in dat nieuwe regelgeving niet slechts van toepassing is op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding reeds bestaat, zoals bestaande rechtsposities en -verhoudingen. Indien de regelgever hiervan beoogt af te wijken dient hij dat uitdrukkelijk te bepalen, behoudens in specifieke rechtsgebieden en in bijzondere gevallen, die in dit geval evenwel niet aan de orde zijn. Deze hoofdregel, mede in acht genomen artikel 5.10, eerste lid, van de Chw , leidt ertoe dat op het besluit op bezwaar, bekend gemaakt na de inwerkingtreding van de Chw, deze wet van toepassing is voor de thans aan de orde zijnde beroepen. Dat het bestreden besluit geen melding heeft gemaakt van toepasselijkheid van de Chw en niet voorzien was van een rechtsmiddelenclausule overeenkomstig artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet , doet aan de toepasselijkheid van de Chw niet af.

8. Toepasselijkheid van de Chw brengt mee dat er op grond van artikel 1.6a van de Chw na sluiting van de beroepstermijn geen nieuwe gronden meer mogen worden aangedragen en dat de rechtbank uiterlijk zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak moet doen (uiterlijk 18 juli 2011). Het betekent ook dat op grond van artikel 1.5 van de Chw het bestreden besluit, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Verder is in artikel 1.9 van de Chw bepaald dat de administratieve rechter een besluit niet vernietigt op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

9. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de WRO ingetrokken. Ingevolge artikel 9.1.10, eerste en derde lid, van de Invoeringswet Wro , zoals aangevuld bij artikel 3.6 van de Chw , waaraan ingevolge artikel 5.10, eerste lid, van die wet terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 toekomt, is zowel op het verzoek om vrijstelling als op de aanvraag om bouwvergunning het recht van toepassing zoals dat gold ten tijde van het indienen van het verzoek om vrijstelling. Ingevolge artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wro blijft de Woningwet zoals die gold v óór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

10. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de wijziging van het bouwplan als een nieuwe aanvraag, met verschuiving van de aanvraagdatum, had moeten worden opgevat omdat er volgens eisers sprake is van een wijziging van niet ondergeschikte aard. De rechtbank is van oordeel dat de wijziging van vijf windmolens naar twee keer twee windmolens op nagenoeg dezelfde locatie en de verandering in het type van de windmolens, niet een wijziging is die leidt tot een ander bouwwerk. De wijziging is van ondergeschikte betekenis nu de aard van de installatie onveranderd is en er geen sprake is van wezenlijk nieuwe effecten.

11. Bij besluiten van 19 mei 2009 en 22 juni 2010 heeft de gemeenteraad verklaard dat een bestemmingsplan wordt voorbereid. Voor de in het bouwplan betrokken percelen golden ten tijde van het primaire besluit van 24 november 2009 en ten tijde van het bestreden besluit van 7 december 2010 onderscheiden voorbereidingsbesluiten. Ook al zijn die besluiten tot stand gekomen onder het regime van de nieuwe Wro, dat betekent niet dat de omstandigheid dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet in tien jaren is herzien, gelet op artikel 19, vierde lid, aanhef en onder b, van de WRO , in de weg staat aan het verlenen van vrijstelling met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de (oude) WRO.

12. Vast staat dat het bouwplan voor een windmolenpark in strijd is met de, ingevolge het vigerende bestemmingsplan Buitengebied gemeente Roggel en Neer, op de betreffende percelen rustende bestemmingen “het ontginningslandschap Kanaaldijk” en “agrarisch gebied”. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van GS de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Deze bevoegdheid heeft de raad van de gemeente Leudal gedelegeerd aan verweerder.

13. GS hebben een verklaring van geen bezwaar afgegeven op 20 maart 2007 en vervolgens bij brief van 20 oktober 2009 laten weten dat de wijziging van het bouwplan van vijf naar vier windmolens en windmolens van een ander type, valt binnen het bereik van de afgegeven verklaring van geen bezwaar. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de voorwaarde omtrent de verklaring van geen bezwaar uit artikel 19, eerste lid, van de WRO .

14. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Een goede ruimtelijke onderbouwing gaat in elk geval in op de aard en de omvang van de voorgenomen activiteit, de mate van ingrijpendheid, de actualiteit van het gemeentelijk ruimtelijk beleid, de relevantie voor het ruimtelijk beleid van de andere overheden en de aard van de eventueel tegen de voorgenomen activiteit ingebrachte bedenkingen.

15. Aan de hand van de aangedragen beroepsgronden overweegt de rechtbank met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing als volgt.

16. Voor zover eisers hebben betoogd dat het windmolenpark elders geprojecteerd had kunnen dan wel moeten worden is de rechtbank conform vaste jurisprudentie van oordeel dat verweerder had te beslissen op het concreet voorgelegde plan. Afwijking van deze hoofdregel is aangewezen indien eisers aantonen dat een alternatieve projectie of invulling in algemene zin minder belastend is dan het in geding zijnde plan. Daarvan is geen sprake. De stellingen dat er alternatieve locaties mogelijk zijn dan wel dat alternatieve locaties voor eisers minder nadelen opleveren, is daarvoor onvoldoende.

Verweerder heeft zich ten aanzien van de eerdere planontwikkeling uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat sprake dient te zijn van een lijnopstelling en is van mening dat ook het vergunde plan van twee maal twee windmolens nog steeds aan dat uitgangspunt voldoet. De rechtbank onderschrijft dat standpunt nu door de plaatsing van de vier windmolens langs het afwateringskanaal gesproken kan worden van een lijnopstelling, namelijk langs de lijn van het kanaal. De opstelling van twee clusters van twee windmolens doet naar het oordeel van de rechtbank niet in betekenende mate afbreuk aan die lijnopstelling.

17. De ruimtelijke inpasbaarheid van het windmolenpark is naar het oordeel van de rechtbank in de ruimtelijke onderbouwing voldoende deugdelijk uitgewerkt en aanvullend draagkrachtig gemotiveerd door verweerder. In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de landelijke, provinciale, regionale en gemeentelijke kaders en is geconcludeerd dat het project voldoet aan de te stellen voorwaarden en in lijn is met het vigerend gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder bij de invulling van de geldende kaders daaraan een onjuiste interpretatie heeft gegeven. Voor zover door eisers is betoogd dat de provinciale basisvisie (Croonen Adviseurs 2002) in de weg staat aan de realisatie van het project omdat er aangesloten moet worden bij grootschalige lijnen in het landschap terwijl het afwateringskanaal dat niet is, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat op grond van die basisvisie weliswaar kan worden gesteld dat het de voorkeur verdient om aan te sluiten bij grootschalige lijnen maar dat op grond van de in dat stuk verwoorde tweede voorkeur ook aansluiting gezocht kan worden bij artificiële lijnen of vlakken. Als voorbeeld daarvan wordt uitdrukkelijk een kanaal genoemd.

Voor zover eisers de realisatie van het windmolenpark strijdig achten met de beleidsvisie voor het buitengebied Leudal waarin het kanaal als een bijzonder landschapselement wordt beschouwd, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat plaatsing van twee keer twee windmolens geen afbreuk doet aan het karakter van het kanaal in het landschap en dat met de windmolens de openheid van het landschap niet is weggenomen, terwijl gezegd kan worden dat het kanaal als bijzonder landschapselement is geaccentueerd. In verweerders visie is het kanaal met verticale elementen gemarkeerd in het landschap en beter waarneembaar zodat het ruimtelijk meer betekenis krijgt. De schaal van het landschap verdraagt volgens verweerder de opstelling van (twee keer twee) windmolens. De rechtbank kan deze visie van verweerder niet als onjuist of onredelijk aanmerken en de beroepsgrond van eisers slaagt dan ook niet.

18. Verder heeft verweerder een eigen beoordeling gemaakt van de ruimtelijke inpasbaarheid en het feit dat de buurgemeente Helden eerder voor een vergelijkbaar project op haar grondgebied tot afwijzing is gekomen, hoefde voor verweerders besluitvorming niet leidend te zijn. Dat een andere gemeente een vergelijkbaar project heeft afgekeurd, toont ook niet aan dat in zoverre de ruimtelijke onderbouwing voor dit project ondeugdelijk of niet draagkrachtig is of dat de in geding zijnde locatie niet geschikt is.

19. In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is op 25 augustus 2009 een rapportage uitgebracht met betrekking tot de geluidsbelasting van de windmolens in de vergunde situatie. De rechtbank stelt vast dat de rapportage met betrekking tot geluid niet is bestreden. In dit rapport is geconcludeerd dat er bij de nabijgelegen woningen van derden (op meer dan 400 meter afstand) geen overschrijding optreedt van de grenswaarden uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (verder: Activiteitenbesluit) van 50 en 45 dB(A) tijdens de dag- en avondperiode. Ook in de nachtperiode kan worden voldaan aan de grenswaarde van 40 dB(A), hetzij door de windmolen gedurende een bepaalde tijd stil te zetten, hetzij door de windmolen terug te schakelen op een andere noisemode. Voorts is niet aannemelijk dat niet wordt voldaan of niet kan worden voldaan aan de sinds 1 januari 2011 geldende normen. Eisers bestrijden ook niet dat in de vergunde situatie wordt voldaan aan de geldende normen, maar hebben gemotiveerd aangevoerd dat de in bedrijf zijnde windmolens, hoewel wordt voldaan aan de geldende geluidsnormen, hoorbaar en daarmee belastend zijn. Voor zover daarmee is betoogd dat de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit niet gehanteerd hadden mogen worden voor het onderhavige project, ziet de rechtbank die beroepssgrond niet slagen. Evenmin ziet de rechtbank grond voor de conclusie dat het geldende wettelijke kader bij het bestreden besluit niet juist is toegepast. Dat voorts in andere landen andere afstandcriteria gelden, leidt niet tot de conclusie dat onderhavige besluitvorming niet gebaseerd mag zijn op de hier te lande geldende regelingen. Ook ten aanzien van camping [camping] is de rechtbank niet gebleken dat van de geluidsbelasting door de windmolens een onjuiste inschatting is gemaakt.

20. De conclusie uit het voorgaande met betrekking tot geluid is dat in het kader van de ruimtelijke onderbouwing voldoende aannemelijk is gemaakt dat bij het in gebruik nemen van de windmolens zal worden voldaan aan de wettelijke normen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat per dag of per concrete situatie de geluidsbelasting is te regelen en af te stemmen op de wettelijke normen.

21. In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is een rapportage uitgebracht met betrekking tot de slagschaduwbelasting op de omgeving van de windmolens in de vergunde situatie. De rechtbank stelt vast dat de rapportage met betrekking tot slagschaduwhinder niet is bestreden met een tegenrapport van een deskundige. Op grond van het rapport ingebracht door verweerder stelt de rechtbank vast dat de hinder beperkt is in tijd en reguleerbaar door stilstand. Niet gesteld of gebleken is dat de vaststelling van de slagschaduwbelasting in de ruimtelijke onderbouwing niet correct of onvolledig is geweest.

22. Wat betreft de in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen economische haalbaarheid van het plan, is de rechtbank van oordeel dat niet op voorhand vast is komen staan dat de te maken kosten met inachtneming van subsidie en opbrengsten, niet zijn terug te verdienen dan wel dat onvoldoende kan worden gereserveerd voor afbraak en verwijdering aan het einde van de levensduur van de windmolens. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de kritische kanttekeningen van de zijde van eisers, wat daarvan ook zij, zodanig afbreuk doen aan de financiële verantwoording van het project dat verweerder daarin reden had moeten vinden om af te zien van het verlenen van vrijstelling. Evenmin is op voorhand aannemelijk dat eventuele door vergunninghoudster te betalen bedragen aan planschadevergoeding de economische haalbaarheid van het project onder druk zetten.

23. De rechtbank is van oordeel dat bezien in het licht van het voorgaande de ruimtelijke onderbouwing als toereikend kan worden aangemerkt. Nu ook aan de overige voorwaarden is voldaan, concludeert de rechtbank dat verweerder bevoegd was om vrijstelling te verlenen.

24. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt op een wijze die een terughoudende toets kan doorstaan. Dienaangaande stelt de rechtbank vast dat niet gezegd kan worden dat verweerder de relevante af te wegen ruimtelijke belangen alsmede die van de omwonenden, van eisers, van de camping, van vergunninghoudster, van verweerders gemeente, van het maatschappelijk belang bij duurzame energie, niet goed of onvolledig in kaart heeft gebracht. Dat er getalsmatig veel verzet is tegen dit windmolenpark op deze locatie, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder vrijstelling had moeten weigeren omdat het maatschappelijk draagvlak ontbreekt. Voor zover eisers hebben betoogd dat de geluidsbelasting, ook bij het voldoen aan de normen, er toe had moeten leiden dat verweerder in het kader van de belangenafweging doorslaggevend belang had moeten toekennen aan de (verstoring van de) natuurlijke omgeving en aan de wensen van eisers, is de rechtbank van oordeel dat het resultaat van de belangenafweging waartoe verweerder is gekomen de terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan. Daarbij weegt de rechtbank dat de verstoring van de natuurlijke omgeving en van de leefomgeving van eisers, hoewel invoelbaar, voor relativering in aanmerking komt nu niet gebleken is dat de gestelde en na te leven regels en normen zodanig twijfelachtig en discutabel zijn dat verweerder niet tot verlening van vrijstelling had mogen overgaan.

Eisers hebben voorts gewezen op waardedaling van hun woningen (en van het bedrijf van eiser [eiser]) en op oneigenlijk gemis aan WOZ-inkomsten door de gemeente Peel en Maas. De rechtbank is van oordeel dat eventuele waardedaling voor planschadevergoeding in aanmerking kan komen en daarmee geen gewicht in de schaal legt bij de belangenafweging om al dan niet vrijstelling te verlenen. Indien en voor zover er al sprake zou zijn van minder WOZ-inkomsten door de buurgemeente, en indien en voor zover er daarbij sprake is van schending van een (on)geschreven rechtsregel, gaat de rechtbank, gelet op artikel 1.9 van de Chw , niet over tot vernietiging van de vrijstelling, nu het opkomen voor die inkomsten geen belang is van eisers.

Voor zover eisers hebben betoogd dat realisatie van het windmolenpark het dierenwelzijn schaadt, wijst de rechtbank erop dat deze grond pas ter zitting is aangevoerd zodat, gelet op artikel 1:6a van de Chw , deze grond niet meer opgeworpen en derhalve geen bespreking behoeft.

25. De rechtbank is van oordeel dat eisers de stelling dat de besluitvorming niet steeds en niet op alle punten zorgvuldig is verlopen niet zonder grond hebben opgeworpen. Dat geldt ook voor de stelling dat verweerders communicatie met alle betrokken partijen onvoldoende is geweest en de publicatie te wensen over heeft gelaten. Onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Chw oordeelt de rechtbank dienaangaande dat indien en voor zover daarin rechtens relevante gebreken zijn te constateren, deze gebreken kunnen worden gepasseerd nu aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Eisers hebben immers hun visie op het project kunnen geven en de relevante rechtsmiddelen kunnen benutten en niet gesteld of gebleken is dat als gevolg van die gebreken andere belanghebbenden daarvan zijn afgehouden.

Voor zover eisers hebben gewezen op ontoelaatbare belangenverstrengeling nu één van de initiatiefnemers van vergunninghoudster ook raadslid was van de gemeente Roggel en Neer, stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit een besluit is van het college van burgemeester en wethouders en niet van de gemeenteraad van Roggel en Neer. Voor zover er bemoeienis is geweest van die gemeenteraad ten tijde van de beslissing om medewerking te gaan verlenen aan het initiatief, heeft het betrokken raadslid zich bij stemming afzijdig gehouden. Van een belangenverstrengeling die de besluitvorming heeft beïnvloed is de rechtbank niet gebleken.

26. Eiser [eiser] heeft uitdrukkelijk de belangen met betrekking tot zijn camping [camping] naar voren gebracht en zijn vrees geuit voor verlies van klandizie door het in gebruik nemen van het windmolenpark. Hoe begrijpelijk (het uiten van) die vrees ook moge zijn, dit neemt niet weg dat die vrees niet is gesubstantieerd. Het is immers maar de vraag of en hoeveel van de rustzoekers na ingebruikname van het windmolenpark de camping om die reden niet meer zullen bezoeken. Voor wat betreft de geluidsbelasting en de slagschaduwhinder blijkt uit de daartoe opgestelde rapportages niet dat de reguleerbare hinder op de camping substantieel is of van een zodanige impact dat daardoor gasten weg zullen blijven, zodat verweerder om die reden tot een ander resultaat had behoren te komen bij de belangenafweging.

27. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid vrijstelling te verlenen voor het windmolenpark de rechterlijke toets doorstaat. Het beroep tegen het verlenen van de vrijstelling slaagt dan ook niet.

28. De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor beantwoording van de vraag of verweerder terecht bouwvergunning heeft verleend voor het windmolenpark in de opstelling van twee keer twee windmolens langs het afwateringskanaal. Een bouwvergunning kan alleen en moet worden geweigerd indien zich een van de in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet genoemde weigeringsgronden voordoet. De rechtbank stelt vast dat eisers in hun beroepschriften geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd die gelden als een beroep op één van de imperatief limitatief beschreven weigeringsgronden van artikel 44 van de Woningwet . Niet gesteld of gebleken is dat de bouwvergunning voor het windmolenpark is verleend in strijd met het bouwbesluit, de bouwverordening, met algemene regels van Rijk of provincie of een exploitatieplan, terwijl een vergunning ingevolge de gemeentelijke monumentenverordening niet aan de orde is. De strijd met het bestemmingsplan Buitengebied gemeente Roggel en Neer is met de verleende vrijstelling opgeheven. Pas kort voor de zitting is aangevoerd dat er sprake zou zijn van strijd met redelijke eisen van welstand, althans dat een positief advies van de welstandscommissie over het gewijzigde bouwplan ontbreekt. Met verwijzing naar artikel 1:6a van de Chw laat de rechtbank deze grond buiten bespreking.

29. Uit het voorgaande volgt dat verweerder geen gronden had om de aanvraag om bouwvergunning te weigeren.

30. Tot slot ziet de rechtbank zich geplaatst voor beantwoording van de vraag of verweerder de aanvraag om bouwvergunning had moeten aanhouden op grond van artikel 52 van de Woningwet . Eisers betogen dat de milieuvergunning ontbreekt die nodig is als de woningen die binnen viermaal de ashoogte van de windmolens zijn gelegen niet als bedrijfswoningen kunnen worden aangemerkt. Vooropgesteld zij dat het in geding zijnde windmolenpark niet milieuvergunningplichtig is op grond van bijlage I bij het Activiteitenbesluit (categorie 20) als er geen gevoelige objecten zijn gelegen binnen vier maal de ashoogte van de windmolens. In het kader van het voorliggende project is uitgegaan van vier bedrijfswoningen, één bedrijfswoning per windmolen. Daartoe zijn privaatrechtelijke overeenkomsten gesloten met de bewoners van die woningen. Ter zitting is verklaard dat per windmolen een beheerder nodig is die de dagelijkse gang van zaken volgt en onmiddellijk onregelmatigheden verhelpt dan wel meldt. In de woningen zijn computers aanwezig en de beheerders krijgen een gerichte opleiding voor het verhelpen van storingen en zijn er afspraken gemaakt over onderlinge vervanging. Andere mogelijk gevoelige objecten zijn niet gelegen binnen de afstand van vier maal de ashoogte van de windmolens.

31. Voor zover eisers in beroep de vraag opwerpen of de vier als bedrijfswoningen aangemerkte woningen op goede gronden als zodanig zijn aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt. Indien en voor zover vast zou komen staan dat niet alle vier de bedrijfswoningen als zodanig kunnen worden aangemerkt en er wel een milieuvergunning nodig zou zijn, komt de rechtbank onder verwijzing naar de relativiteitseis van artikel 1.9 van de Chw tot de conclusie dat de noodzaak voor de bescherming van de betreffende woning(en) en hun inwoners door afgifte van een milieuvergunning niet een regel betreft die strekt tot bescherming van de belangen van eisers. Op die grond zou de rechtbank dan ook een eventuele vernietiging van het bestreden besluit achterwege laten. Dit maakt dat de rechtbank het in de onderhavige procedures niet doelmatig acht om gelet op artikel 1.9 van de Chw de vraag te beantwoorden of er al sprake is van (vier) dienstwoningen en een eventueel daaruit voortvloeiende aanhoudingsplicht op grond van artikel 52 van de Woningwet . Ook die beroepsgrond slaagt niet.

32. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de beroepen van eisers ongegrond verklaren. Aanleiding voor een veroordeling van één der partijen in de kosten van het geding van één der andere partijen is er niet.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. T.M. Schelfhout (voorzitter), K.M.P. Jacobs en L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier-Dassen, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2011.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 8 juli 2011

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature