Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Promis vonnis - Verdachte heeft gedurende een lange periode, en soms wel meer keren per week, enorme geldbedragen op haar rekening ontvangen en heeft die contant voor iemand anders opgenomen. Verdachte heeft de persoon voor wie zij dit deed wel gevraagd naar de herkomst van het geld, maar heeft met nagenoeg de eerste de beste antwoorden genoegen genomen en heeft nimmer doorgevraagd. Verdachte heeft wel een kennis benaderd en om raad gevraagd.

Voor de rechtbank staat vast dat het onder deze omstandigheden niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat de aanmerkelijke kans bestond dat de gelden van misdrijf afkomstig waren.

Door toch haar medewerking te verlenen, middels het blijvend beschikbaar stellen van haar bankrekening en het opnemen van de gelden, heeft zij die kans ook aanvaard. Gegeven de lange periode en de vele transacties die via haar rekening zijn verlopen dient tevens geoordeeld te worden dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Acht maanden gevangenisstraf

Uitspraak



RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/995010-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [...] 1979,

wonende te [plaats], [adres].

Raadsman is mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 juli 2011, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte van het plegen van witwassen van geld een gewoonte heeft gemaakt, dan wel dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de schuldvariant van witwassen van geld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een geldbedrag van in totaal € 268.000,00 heeft witgewassen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte, door haar bankrekeningen ter beschikking te stellen aan [medeverdachte], willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de op haar bankrekeningen gestorte en opgenomen geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Er zijn volgens de raadsman geen bewijsmiddelen voorhanden op grond waarvan is komen vast te staan dat verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat de gelden een criminele herkomst hadden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 11 juni 2007 en 14 juni 2007 werd door verdachte een geldbedrag van respectievelijk €1.000,00 en €18.000,00 contant opgenomen van haar SNS bankrekening, met rekeningnummer [SNSnummer]. Voorafgaande aan deze contante opnamen werd voornoemde bankrekening gevoed door twee girale overboekingen vanuit Duitsland. De overboekingen bedroegen respectievelijk €9.600,00 en €9.604,69. De SNS Bank meldde dat verdachte bij de contante opname van de €18.000,00 vergezeld was van een man en dat verdachte tegenover de bankmedewerker verklaarde dat deze man haar baas was. Volgens de door de SNS Bank gedane Melding Ongebruikelijke Transactie kwam het vaker voor dat verdachte geld ontving uit het buitenland, waarna zij dat geld contant opnam in gezelschap van deze man.

Voorts werd op 17 augustus 2007 door verdachte een geldbedrag van €34.000,00 opgenomen van haar Postbankrekening, met rekeningnummer [gironummer]. Voorafgaande aan deze contante opname werden op de Postbankrekening twee girale bijschrijvingen vanuit Duitsland gedaan van respectievelijk €19.204,00 en €19.000,00. De Postbank meldde via een Melding Ongebruikelijke Transactie dat verdachte bij de Postbankmedewerker verklaarde dat zij werkte voor een assurantiekantoor en zij provisie ontving voor de bijschrijvingen uit het buitenland op deze girorekening.

De transacties werden door zowel de SNS Bank als de Postbank, met het vermoeden van witwassen, gemeld aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. Naar aanleiding hiervan werden door de officier van justitie op 1 september 2008 twee vorderingen afgegeven ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, teneinde bankgegevens te verkrijgen van zowel de SNS Bank (rekeningnummer [SNSnummer]) als de Postbank (rekeningnummer [gironummer]).

Uit de middels deze vorderingen verkregen gegevens kwam naar voren dat in de periode januari 2006 tot en met 3 september 2008 verspreid over diverse transacties in totaal, vanuit Duitsland, een bedrag van €103.605,81 werd overgemaakt op de SNS Bankrekening van verdachte. In dezelfde periode werd door verdachte verspreid over diverse transacties een bedrag van in totaal €102.940,00 contant opgenomen. In de periode van januari 2006 tot en met 3 september 2008 werd verspreid over diverse transacties in totaal, vanuit Duitsland, een bedrag van €166.197,52 overgemaakt op de Postbankrekening van verdachte. In dezelfde periode werd door verdachte verspreid over diverse transacties een bedrag van in totaal €166.194,02 contant opgenomen.

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat zij in januari 2007 in de zonnebankstudio te [plaats] [medeverdachte] leerde kennen. [medeverdachte] vertelde haar op een gegeven moment dat hij problemen had met zijn bank. Hij vroeg haar of hij gebruik mocht maken van haar bankrekening, door de provisies die hij kreeg van zijn Duitse klanten, op haar bankrekening te laten storten. Voor het gebruik maken van haar bankrekening zou zij een bedrag van €1.500,00 krijgen. Zij ging hiermee akkoord en machtigde [medeverdachte] voor zowel haar Postbankrekening als haar SNS bankrekening. Het geld dat werd gestort op voornoemde rekeningen nam zij telkens samen met [medeverdachte] contant op. Het opgenomen geld werd vervolgens direct door de baliemedewerker van de desbetreffende bank aan [medeverdachte] overhandigd.

Voorts heeft zij verklaard dat toen de bedragen op haar rekening binnenkwamen zij haar bedenkingen kreeg en dat zij heeft getwijfeld of ze geen fout had gemaakt. In juni 2007 heeft zij daarom haar kennis, die werkzaam is bij FBTO, om raad gevraagd. Voorts heeft zij navraag gedaan bij [medeverdachte]. [medeverdachte] deelde haar echter mede dat zij zich geen zorgen hoefde te maken en dat alles in orde was, te meer nu zij een contract hadden opgesteld. Kort na de laatste overboekingen is [medeverdachte] met de noorderzon vertrokken.

Ter zitting heeft verdachte daaraan nog toegevoegd dat [medeverdachte] ontwijkende, weinig specifieke antwoorden gaf op haar vragen en dat zij niet heeft doorgevraagd.

Verdachte heeft aldus gedurende een lange periode, en soms wel meer keren per week, enorme geldbedragen op haar rekening ontvangen en heeft die contant voor iemand anders opgenomen. Verdachte heeft de persoon voor wie zij dit deed, [medeverdachte], wel gevraagd naar de herkomst van het geld, maar heeft met nagenoeg de eerste de beste antwoorden genoegen genomen en heeft nimmer doorgevraagd. Verdachte heeft wel een kennis benaderd en om raad gevraagd.

Voor de rechtbank staat vast dat het onder deze omstandigheden niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat de aanmerkelijke kans bestond dat de gelden van misdrijf afkomstig waren. De aard en omvang van de transacties, het niet willen weten waar het geld daadwerkelijk vandaan kwam, maar het genoegen nemen met een vage verklaring, en het, kennelijk vanuit een gevoel van onbehagen over hetgeen gebeurde, vragen van een kennis om raad, brengen de rechtbank tot dat oordeel.

Door toch haar medewerking te verlenen, middels het blijvend beschikbaar stellen van haar bankrekening en het opnemen van de gelden, heeft zij die kans ook aanvaard. Aldus heeft zij het zogeheten voorwaardelijke opzet gehad en heeft zij zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk witwassen van in totaal (ongeveer) €268.000,00. Gegeven de lange periode en de vele transacties die via haar rekening zijn verlopen dient tevens geoordeeld te worden dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Voornoemde bevindingen vormen dus voor de rechtbank het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte – kort gezegd – zich in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2007, tezamen en in vereniging met een ander, schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk witwassen van een bedrag van in totaal ongeveer €268.000,00 en dat zij daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2007 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) een voorwerp te weten:

ten aanzien van SNS bankrekening [SNSnummer]

geldbedragen van in totaal ongeveer euro 102.000,- voorhanden heeft gehad en (contant) heeft overgedragen

en

ten aanzien van Postbank- of ING-bankrekening [gironummer]

geldbedragen van in totaal ongeveer euro 166.000,- voorhanden heeft gehad en (contant) heeft overgedragen,

terwijl verdachte wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig waren uit misdrijf te weten oplichting en/of valsheid in geschrift, in elk geval enig misdrijf en zij, verdachte en haar mededader een gewoonte heeft gemaakt van witwassen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het strafbare feit op een gewoonte maken van het medeplegen van witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat, voor zover er tot enige vorm van bewezenverklaring wordt overgegaan, er geen aanleiding is om verdachte te straffen. Hij heeft daarbij verwezen naar de omstandigheden van het geval.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan witwassen. Zij heeft daarvan zelfs een gewoonte gemaakt. Het witwassen bestond hieruit dat verdachte grote geldbedragen op haar bankrekening liet storten, waarna deze bedragen contant werden overgedragen aan haar mededader, [medeverdachte]. [medeverdachte] vormde daarbij het brein achter een omvangrijk oplichtingstraject en in dat traject vervulde verdachte een kleine maar essentiële rol. Via verdachte kon [medeverdachte] immers de beschikking krijgen over de gelden die hij anderen had afgetroggeld, maar omdat [medeverdachte] niet de houder was van de rekening waarop de gelden gestort werden, kon het lijken of [medeverdachte] geen bemoeienis had met die gelden.

Het papieren spoor van [medeverdachte]s oplichtingspraktijken liep eigenlijk bij verdachte dood. Verdachte heeft er daardoor mede aan bijgedragen dat de gedupeerden van [medeverdachte] zich met lege handen achtergelaten zien. Dit rekent de rechtbank verdachte ernstig aan en hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank nog in overweging genomen dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en heeft de rechtbank ook in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het verstreken tijdsverloop van onderhavige strafzaak. Het feit is immers door verdachte ruim vier jaar geleden begaan.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers, voorzitter, mr. J.S. Holthuis en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.T. Latour, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 juli 2011.

Buiten staat

mr. J.S. Holthuis is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature