Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 27 april 2010 heeft de burgemeester van de gemeente Helmond (hierna: verweerder) aan V. een overlastvergunning verleend ten behoeve van het exploiteren van een coffeeshop te Helmond. In tegenstelling tot het standpunt van eisers, is de rechtbank van oordeel dat verweerder alle bij het besluit betrokken belangen - ten tijde van de vergunningverlening - heeft onderkend en meegewogen. De rechtbank heeft tevens kennis genomen van de Bibob-stukken en is van oordeel dat verweerder op grond van de feiten en omstandigheden zoals die op het moment van het onderzoek bekend waren, geen aanleiding behoefde te zien nader onderzoek te verrichten naar andere personen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op het moment van vergunningverlening tot de conclusie kon komen dat de aanwezigheid van een coffeeshop niet leidt tot een ontoelaatbare verstoring van het woon- en leefklimaat, zodat de overlastvergunning ten behoeve van de coffeeshop aan de Noord Koninginnewal 46 in redelijkheid kon worden verleend.

Bestreden besluit houdt in rechte stand. Beroepen van eisers ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 10/1782 en AWB 10/1833

Uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2011

inzake

[eisers sub 1],

te [woonplaats],

eisers sub 1,

gemachtigde mr. J.W. de Rijk,

[eiser sub 2],

te [woonplaats],

eiser sub 2

gemachtigde mr. H.U. van der Zee,

tegen

de burgemeester van de gemeente Helmond,

verweerder,

gemachtigde mr. B.J.G.P. Roozendaal.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder], te [woonplaats], vergunninghouder, gemachtigde mr. M.M. van den Boomen.

Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2010 heeft verweerder op grond van artikel 2 van de Overlastverordening Horeca- en Aanverwante Bedrijven 2006 aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) een overlastvergunning verleend ten behoeve van het exploiteren van coffeeshop [coffeeshop], aan de [adres X] te Helmond.

Tegen dit besluit hebben eisers sub 1 en eiser sub 2 beroep ingesteld.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 25 januari 2011, waar partijen bij gemachtigden zijn verschenen. Voorts was aanwezig de vergunninghouder. Het onderzoek ter zitting is vervolgens met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst in verband met het ontbreken van het financieel ondernemersplan van vergunninghouder en de stukken die betrekking hebben op het ten behoeve van de vergunningverlening verrichtte Bibob-onderzoek. Verweerder heeft vervolgens deze stukken overgelegd en ten aanzien van laatstgenoemde stukken verzocht toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb .

Bij beslissing van 4 maart 2011 heeft de (enkelvoudige kamer van de) rechtbank geoordeeld dat beperking van de kennisneming van de zogenoemde Bibob-stukken gerechtvaardigd is.

Eisers sub 1 en eiser sub 2, alsmede vergunninghouder hebben de rechtbank toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb . Tevens hebben partijen de rechtbank toestemming gegeven dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aan de orde is of het besluit van 27 april 2010 in rechte stand kan houden.

2. Coffeeshop [coffeeshop] is gelegen aan de [adres X] te Helmond. De vergunde openingstijden zijn van maandag tot en met vrijdag van 16.00 uur tot 23.00 uur en op zaterdag en zondag van 14.00 uur tot 23.00 uur. De exploitatie van de coffeeshop is op 2 juli 2010 van start gegaan.

3. Eisers sub 1 zijn eigenaren van een commerciële bedrijfsruimte met bovenwoning, die wordt verhuurd aan eiser sub 2, gelegen op het adres [adres Y] te Helmond.

Eiser sub 2 exploiteert op dit adres [horecabedrijf].

<u>Standpunten van partijen</u>

4. <i>Verweerder</i> stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de vergunning ten tijde van belang terecht is verleend. De exploitatie van de coffeeshop is niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en op het moment van vergunningverlening was er geen aanleiding te veronderstellen dat sprake zou zijn van meer overlast dan te verwachten is van reguliere horeca-inrichtingen. Ook veiligheidsproblemen werden toen niet verwacht. In de vergunning zijn voorschriften opgenomen die beogen bij te dragen aan de veiligheid en de voorkoming en beteugeling van overlast. Tevens heeft verweerder een handhavingsarrangement opgesteld om extra aandacht te besteden aan de veiligheid. Verweerder stelt voorts dat de vergunning voldoet aan de Beleidsregel maximumstelsel coffeeshops Helmond 2008. Er is ruim voldoende parkeergelegenheid in de omgeving van de coffeeshop en de coffeeshop is gelegen op voldoende afstand van instellingen en voorzieningen voor jeugdigen. Voor de motivering van zijn besluit heeft verweerder verder verwezen naar de reactie op de zienswijzen.

5. <i>Eisers sub 1</i> stellen zich, onder verwijzing naar hetgeen zij in hun zienswijze hebben aangevoerd, allereerst op het standpunt dat verweerder hen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om bezwaar in te dienen tegen het besluit. Tevens heeft verweerder het besluit niet voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en is het op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen. Verweerder heeft bijvoorbeeld geen onderzoek laten uitvoeren naar het aantal bewoners in de directe omgeving van de coffeeshop waaronder onder andere twee verzorgingstehuizen voor ouderen, verdere omgevingsfactoren en de impact van een eventuele vestiging van een coffeeshop op het leef- en vestigingsklimaat in het betreffende bestemmingsplangebied. Zij hebben daartoe een aantal recente krantenartikelen overgelegd. Verweerder is bovendien bij de besluitvorming buiten de wettelijke toegestane kaders getreden door middels de Overlastverordening Horeca – en aanverwante bedrijven 2006 een wettelijk vergunningenstelsel in het leven te roepen op grond waarvan een vergunning voor de exploitatie van een coffeeshop kan worden verleend die in strijd is met de Opiumwet. Verder zijn in het besluit niet opgenomen de strafrechtelijke gedoogcriteria (AHOJG plus) ten aanzien van coffeeshops, hetgeen tevens tot gevolg heeft dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarnaast zijn ten onrechte de bescheiden met betrekking tot de Bibob-toets en het financieel ondernemingsplan niet ter inzage gelegd.

6. <i>Eiser sub 2</i> stelt zich, onder verwijzing naar hetgeen hij in zijn zienswijze heeft aangevoerd, op het standpunt dat verweerder ten onrechte het handhavingsarrangement niet ter inzage heeft gelegd. Verder is gesteld dat door de komst van de coffeeshop vele, vaste gasten zijn cafetaria niet meer zullen bezoeken en dat hij genoodzaakt zal zijn door een wijziging van het publiek zijn beleidsvoering aan te passen. Een coffeeshop is aldaar niet op zijn plaats. Verweerder is hierop onvoldoende ingegaan. Verwezen wordt naar een cafetaria aan de [adres], die ook gevolgen heeft ondervonden door overlast van jongeren. Verweerder heeft niet of nauwelijks zijn belangen afgewogen en daarmee in strijd gehandeld met artikel 3:4 van de Awb . Verder wordt erop gewezen dat verweerder de sluitingstijd op 22.30 uur had moeten bepalen om zodoende te voorkomen dat vermenging plaatsvindt met het uitgaanspubliek. Ten slotte is aangevoerd dat het vigerende bestemmingsplan niet toelaat dat een coffeeshop wordt gevestigd aan de [adres X].

<u>Wettelijk kader</u>

7. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.

8. Bij besluit van 6 juni 2006 heeft de raad van verweerders gemeente de Overlastverordening horeca- en aanverwante bedrijven 2006 (hierna: de Overlastverordening) vastgesteld.

9. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overlastverordening is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf of growshop te exploiteren.

10. Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder a, van de Overlastverordening weigert de burgemeester de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf, het afhaalcentrum of de growshop in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.

11. Ingevolge artikel 6, tweede lid, onder b, van de Overlastverordening kan de burgemeester de vergunning weigeren indien naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de aanwezigheid van inrichting leidt tot een ontoelaatbare verstoring van het woon- en leefklimaat.

12. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Overlastverordening houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het tweede lid onder b genoemde weigeringsgrond rekening met:

a. het karakter van de straat en van de wijk waarin het horecabedrijf, het afhaalcentrum of de growshop is gelegen of zal komen te liggen;

b. de aard van het horecabedrijf, het afhaalcentrum of de growshop;

c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf, het afhaalcentrum of de growshop.

13. Het ter zake door verweerder gevoerde beleid is op 28 oktober 2008 vastgesteld door de burgemeester in de Beleidsregel Maximumstelsel Coffeeshops Helmond 2008 (hierna: de Beleidsregel). In de Beleidsregel zijn criteria geformuleerd op grond waarvan de geschiktheid van een locatie voor een coffeeshop moet worden beoordeeld. In de Beleidsregel is onder meer het pand [adres X] aangemerkt als een geschikte locatie voor de vestiging van een coffeeshop.

<u>Formele gronden.</u>

14. Eisers sub 1 en eiser sub 2 hebben in hun beroepschrift aangegeven dat hetgeen ze in hun zienswijzen hebben aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verweerder heeft in het thans bestreden besluit op deze zienswijzen gemotiveerd gereageerd. Eisers sub 1 en eiser sub 2 hebben alleen ten aanzien van de onder het kopje ”standpunten van partijen” weergegeven gronden, redenen aangevoerd waarom de motivering/weerlegging van verweerder onjuist zou zijn. Het beroep voor zover het betrekking heeft op andere dan die genoemde gronden, is reeds hierom ongegrond.

15. Ter zitting heeft eiser sub 2 zijn stelling, dat het bestreden besluit in strijd is genomen met het vigerend bestemmingsplan, niet langer gehandhaafd, zodat deze stelling geen verdere bespreking behoeft.

16. Het bestreden besluit van 27 april 2010 is genomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Awb), zodat ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder d, van de Awb rechtstreeks beroep kan worden ingesteld. Het betoog van eisers sub 1 dat zij door verweerder in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om bezwaar te maken, faalt om die reden.

17. Het financieel ondernemingsplan en de aan de Bibob-toets ten grondslag liggende stukken zijn inmiddels in het geding gebracht, zodat hetgeen eisers sub1 hieromtrent heeft aangevoerd geen verdere bespreking behoeft.

18. De rechtbank deelt niet het standpunt van eiser sub 2 dat verweerder het handhavingsarrangement ten onrechte niet ter inzage heeft gelegd, reeds omdat er, zoals verweerder onweersproken heeft aangevoerd, bij het ontwerpbesluit nog geen handhavingsarrangement was. Verweerder heeft voorts gemotiveerd en onweersproken uiteengezet dat dit handhavingsarrangement nu juist invulling geeft aan de belangen van eisers.

<u>Materiële gronden en belangenafweging.</u>

19. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen omdat daarin enkel is verwezen naar de strafrechtelijke gedoogcriteria (AHOJG plus) ten aanzien van coffeeshops.

Verweerders reactie dat deze grond niet in de zienswijze naar voren is gebracht en thans niet meer in beroep naar voren kan worden gebracht, verwerpt de rechtbank omdat de grond een nadere uitwerking vormt van het door eisers al eerder aangevoerde standpunt dat het besluit onzorgvuldig is genomen. Inhoudelijk oordelend vermag de rechtbank niet in te zien waarom verweerder niet kon volstaan met een verwijzing naar de, gepubliceerde en daarmee kenbare, strafrechtelijke gedoogcriteria, die voor vergunninghouder hoe dan ook gelden en bovendien grotendeels zijn opgenomen in de vergunningsvoorwaarden bij het bestreden besluit.

20. De rechtbank deelt niet het standpunt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat de Overlastverordening in strijd is met de Opiumwet. Weliswaar is de verkoop van softdrugs ingevolge de Opiumwet verboden, maar dit staat er niet aan in de weg dat op grond van de Overlastverordening onder bepaalde voorwaarden een exploitatievergunning aan een horecabedrijf kan worden verleend waarbij de verkoop van softdrugs wordt gedoogd.

21. Gelet op artikel 6, tweede lid, onder b, van de Overlastverordening kan de burgemeester de vergunning weigeren indien de aanwezigheid van de inrichting leidt tot een ontoelaatbare verstoring van het woon- en leefklimaat. Het betreft hier derhalve een bevoegdheid van verweerder die door de rechtbank terughoudend dient te worden getoetst.

22. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet alle bij het besluit betrokken belangen heeft onderkend en meegewogen. De stelling van eisers sub 1 dat verweerder geen locatieonderzoek heeft verricht, is feitelijk onjuist. Uit de eindrapportage “Locatieonderzoek coffeeshop” van 10 september 2008 waarin het pand aan de [adres X] als geschikte locatie is aangewezen blijkt dat wel degelijk onderzoek is verricht. Voorts biedt het dossier geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder niet bekend was met het aantal bewoners in de directe omgeving van de coffeeshop, de verdere omgevingsfactoren en de impact van een eventuele vestiging van een coffeeshop. Bij afweging van de te onderscheiden belangen heeft verweerder bij het toelaten van een tweede coffeeshop op de [adres X] evenwel meer waarde gehecht aan het algemene belang dat gelegen is in het beperken van illegale verkooppunten en de daarmee gepaard gaande drugsgerelateerde overlast dan aan de belangen van eisers. De rechtbank acht hierbij van belang dat verweerder in de Beleidsregel dit pand op basis van zowel wettelijke criteria als criteria die beogen de nadelen van een coffeeshop te ondervangen alsmede op grond van locatieonderzoek, heeft aangewezen als een geschikte locatie voor het vestigen van een coffeeshop. Dat, zoals eiser sub 1 heeft aangevoerd door de komst van de coffeeshop vele vaste gasten zijn cafetaria niet meer zullen bezoeken en hij genoodzaakt is daarop de bedrijfsvoering aan te passen, is niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Dat de sluitingstijd van de coffeeshop op 22.30 uur had moeten worden bepaald ter voorkoming van vermenging van het uitgaanspubliek met bezoekers van de coffeeshop, acht de rechtbank door eiser subsidiair 1 niet aannemelijk gemaakt.

23. Ter zitting hebben eisers sub 1 nog aangevoerd dat het Bibob-onderzoek niet volledig en onzorgvuldig is uitgevoerd door dit onderzoek enkel te beperken tot de vergunninghouder. De rechtbank heeft kennis genomen van de Bibob-stukken en is van oordeel dat verweerder op grond van de feiten en omstandigheden zoals die op het moment van het onderzoek bekend waren, geen aanleiding behoefde te zien nader onderzoek te verrichten naar andere personen.

24. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op het moment van vergunningverlening tot de conclusie kon komen dat de aanwezigheid van een coffeeshop niet leidt tot een ontoelaatbare verstoring van het woon- en leefklimaat, zodat de overlastvergunning ten behoeve van de coffeeshop aan de [adres X] in redelijkheid kon worden verleend.

25. De door eisers sub 1 overgelegde krantenartikelen waaruit de ze de conclusie hebben getrokken dat de coffeeshop tot een ontoelaatbare verstoring van het woon- en leefklimaat heeft geleid, kunnen bij de beoordeling geen rol spelen nu deze van latere datum zijn dan het bestreden besluit van 27 april 2010. Het toetsingskader van de rechtbank is immers beperkt tot de beantwoording van de vraag of verweerder op 27 april 2010 in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen nemen. Deze vraag heeft de rechtbank hiervoor bevestigend beantwoord.

26. Het bestreden besluit houdt in rechte stand.

27. De beroepen zijn ongegrond.

28. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.L.P. van Cruchten als voorzitter en mr. drs. M.M.L. Wijnen en mr. A. Venekamp als leden in tegenwoordigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature