Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 22 juli 2009 heeft het college aan Stichting de Huismeesters vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 36 appartementen en één activiteitenruimte op het perceel Hoornsediep 72 te Groningen (hierna: het perceel).

Uitspraak



201004516/1/H1.

Datum uitspraak: 13 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A], wonend te Groningen, en [appellant sub 1B], wonend te Appelscha, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Groningen, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 2]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 maart 2010 in zaken nrs. 09/837, 09/841, 09/849, 09/850, 09/853 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2],

De Christengemeenschap van de gemeente Groningen,

[wederpartij A],

[wederpartij B],

[wederpartij C],

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2009 heeft het college aan Stichting de Huismeesters vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 36 appartementen en één activiteitenruimte op het perceel Hoornsediep 72 te Groningen (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 25 maart 2010, verzonden op 29 maart 2010, heeft de rechtbank de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 22 juli 2009 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2010, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 1 juni 2010. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 16 juni 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 17 december 2010 heeft het college opnieuw aan Stichting de Huismeesters vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 36 appartementen en één activiteitenruimte op het perceel.

Tegen dit besluit hebben [wederpartij A] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2011, [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. P. van Wijngaarden, advocaat te Groningen, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A. van der Leest, [wederpartij A], en het college, vertegenwoordigd door R.W. Nomden en S.T. van der Vlugt, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Stichting De Huismeesters.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een appartementengebouw met een noordelijke vleugel die uit drie bouwlagen bestaat en een westelijke vleugel die uit vier en zes bouwlagen bestaat. Het bouwplan is in strijd met de ingevolge het bestemmingsplan "Rabenhaupt" op het perceel rustende bestemming "Bijzondere bebouwing". Voorts is het bouwplan in strijd met het ingevolge dit bestemmingsplan voor het perceel geldende maximaal toegestane bebouwingspercentage van 25%. Het college heeft teneinde bouwvergunning eerste fase te kunnen verlenen vrijstelling verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

2.2. De rechtbank heeft het besluit van 22 juli 2009 vernietigd, omdat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan volgens haar onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe heeft zij overwogen dat in de aan de vrijstelling ten grondslag liggende stukken "Ruimtelijk advies voor het oprichten van 35 appartementen 200704034 Hoornsediep 72" van 27 augustus 2008 en het ongedateerde stuk "Ruimtelijke onderbouwing hoek Rivierenbuurt/Hoornsediep" ter onderbouwing van de stelling dat het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betrokken gebied, is aangegeven dat het project is ontwikkeld in het kader van de nota "De Intense Stad", hetgeen inhoudt dat er dicht en hoog wordt gebouwd en zo mogelijk in verschillende functies. De rechtbank heeft geconcludeerd dat, nu in het ruimtelijk advies noch de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven waarom juist dit perceel zich leent voor de toepassing van de beleidskeuzes die in de nota "De Intense Stad" zijn opgenomen, de ruimtelijke onderbouwing op dit punt onvoldoende gemotiveerd is.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat het standpunt van het college dat met de realisering van het bouwplan het bouwblok waarin het is voorzien wordt gesloten, zoals het geval is met de omliggende bouwblokken, onvoldoende is gemotiveerd, nu de geslotenheid van het bouwblok aan de westzijde wordt onderbroken door de villa en aan de oostzijde door het kerkgebouw die allebei uit slechts één bouwlaag bestaan, het bouwblok bijna gesloten is en slechts de noord-westhoek nog open is.

De rechtbank heeft ook overwogen dat het college aandacht had dienen te besteden aan de relatie tussen de vrijstelling en het nieuwe bij besluit van 27 mei 2009 door de raad vastgestelde bestemmingsplan "Oud-Zuid", nu het betrokken perceel geheel door dit nieuwe bestemmingsplan wordt omsloten.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte met betrekking tot de verleende bouwvergunning eerste fase de uniforme openbare voorbereidingsprocedure heeft gevolgd. De rechtbank was, gelet hierop, niet bevoegd om te beslissen op de bij haar ingestelde beroepen en had deze ter behandeling als bezwaarschriften aan het college dienen door te zenden.

2.3.1. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen behoeft geen uitdrukkelijk en afzonderlijk besluit te worden genomen om afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is geregeld, toe te kunnen passen. Voorts is het voor uitsluiting van mogelijkheid om bezwaar te maken voldoende dat het bestreden besluit feitelijk met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid. Nu vast staat dat het besluit van 22 juli 2009 tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning eerste fase met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid, stond tegen dit besluit rechtstreeks beroep open bij de rechtbank.

Het betoog faalt.

2.4. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten is vereist dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing van het betrokken project is van overeenkomstige toepassing.

Onder goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing niet overeenkomt met het bouwplan, nu de ruimtelijke onderbouwing uitgaat van drie en zes bouwlagen, terwijl het bouwplan ook in vier bouwlagen voorziet.

2.5.1. De rechtbank heeft het besluit van 22 juli 2009 vernietigd, omdat dit besluit niet van een voldoende ruimtelijke onderbouwing is voorzien, en heeft bij dit oordeel, zoals hiervoor is overwogen onder 2.2., de hoogte van het bouwplan in de zin van het aantal bouwlagen in aanmerking genomen. Het betoog van [appellant sub 1] dat de ruimtelijke onderbouwing wat het aantal bouwlagen betreft niet overeenkomt met het bouwplan kan dan ook niet leiden tot een verdergaande vernietiging van het besluit van 22 juli 2009.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet gehouden was om rekening te houden met de watertoets als bedoeld in artikel 19a van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro).

2.6.1. Ingevolge artikel 19a van het Bro 1985 gaat de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het besluit voor de waterhuishouding.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu het college geen toepassing heeft gegeven artikel 19, eerste lid, van de WRO, artikel 19a van het Bro 1985 evenmin van toepassing is en het college in de ruimtelijke onderbouwing niet in behoefde te gaan op de waterhuishouding.

Het betoog faalt.

2.7. De beslissing om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat aan de vrijstelling geen zorgvuldige belangenafweging ten grondslag ligt. Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de negatieve gevolgen die de realisering van het bouwplan voor zijn woongenot en de waarde van zijn woning heeft en dat aan die negatieve gevolgen onvoldoende gewicht is toegekend. De realisering van het bouwplan zal leiden tot een afname van het zonlicht in zijn tuin, het verdwijnen van het licht in en uitzicht uit de studeerkamer door een 12 meter hoge muur op 1,37 meter afstand van het raam in die kamer en een toename van de geluidsoverlast door het weerkaatsen van geluid van het verkeer afkomstig van de zuidelijke ringweg op de zuidgevel van het voorziene gebouw. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten onrechte overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter.

2.8.1. Niet is gebleken dat de realisering van het bouwplan tot een zodanige afname van zonlicht in de tuin van [appellant sub 1] zal leiden dat het college in redelijkheid geen vrijstelling kon verlenen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat deze gevolgen zeer minimaal zijn en zich hooguit in de avonduren zullen voordoen. Het college heeft zich op dit standpunt kunnen stellen. De enkele stelling van [appellant sub 1] dat hij als gevolg van de realisering van het bouwplan geen zonlicht meer zal hebben in de achtertuin, biedt onvoldoende grond voor die conclusie. Hoewel de realisering van het bouwplan een afname van het licht in en het uitzicht uit de studeerkamer tot gevolg zal hebben door de situering van het bouwplan op 1,37 meter van de zijgevel van de woning van [appellant sub 1] heeft het college zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van een zodanige afname dat deze aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het perceel binnen een stedelijke omgeving is gelegen, dat voorts geen aanspraak kan worden gemaakt op blijvend vrij uitzicht en dat de realisering van het bouwplan geen gevolgen heeft voor het licht en uitzicht aan de voor- en achterzijde van de woning van [appellant sub 1]. Ook zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de realisering van het bouwplan een zodanige toename van de geluidsoverlast door het weerkaatsen van geluid van het verkeer in de omgeving zal leiden dat het college om die reden geen vrijstelling kon verlenen. De enkele omstandigheid dat als gevolg van het verkeerslawaai afkomstig van de omliggende wegen hogere geluidsgrenswaarden moeten worden vastgesteld voor het bouwplan, zoals [appellant sub 1] aanvoert, biedt daarvoor onvoldoende grond.

[appellant sub 1] heeft zijn betoog dat het bouwplan zal leiden tot een waardedaling van zijn woning niet onderbouwd. Er is daarom geen grond voor de verwachting dat die waardedaling zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het bouwplan zijn gemoeid. Dit laat onverlet dat [appellant sub 1] op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening de mogelijkheid heeft om binnen de in die bepaling genoemde termijn en onder de daar gestelde voorwaarden, vergoeding van schade, die het gevolg is van een besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO , te verzoeken.

2.8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 november 2010 in zaak nr. 201001780/1/H1) is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

Ingevolge artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is het niet geoorloofd, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

Het bouwplan voorziet in een galerij aan de achterzijde van het gebouw. Vast staat dat één van de kopse kanten van de galerij aan de westvleugel op een afstand van minder dan 2 meter van de gevel van de woning van [appellant sub 1] is voorzien. Daargelaten het antwoord op de vraag of de voorziene galerij als een balkon of een soortgelijk werk, als bedoeld in artikel 5:50, eerste lid, van het BW kan worden aangemerkt, kan de omstandigheid dat deze galerij op een afstand van minder dan 2 meter van de gevel van de woning van [appellant sub 1] is voorzien niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat. Vast staat dat, voor zover het bouwplan in strijd met artikel 5:50, eerste lid, van het BW moet worden geacht, deze privaatrechtelijke belemmering kan worden weggenomen door het dichtmaken van de galerij aan de kopse kanten met een ondoorzichtig scherm. De stichting De Huismeesters heeft ter zitting bevestigd daartoe bereid te zijn. [appellant sub 1] heeft ter zitting medegedeeld dat het wegnemen van de privaatrechtelijke belemmering door het dichtmaken van de galerij voor hem onaanvaardbare hinder veroorzaakt in de vorm van het uitzicht op een dichte gevel en dat hij, indien tot het oordeel wordt gekomen dat voor het overige sprake is van een zorgvuldige belangenafweging, hetgeen volgt uit hetgeen hiervoor onder 2.8.1 is overwogen, er dan de voorkeur aan geeft dat de strijd met artikel 5:50, eerste lid, van het BW niet wordt weggenomen.

Voor zover [appellant sub 1] in beroep heeft verwezen naar de eigendomsakte van 31 mei 1991 en de daarin opgenomen verwijzing naar een transportakte van 29 juni 1955, zij overwogen dat de rechtbank hier ten onrechte niet op in is gegaan in de aangevallen uitspraak. Dit leidt evenwel niet tot het door [appellant sub 1] daarmee beoogde doel, gelet op het navolgende.

De bepaling in de eigendomsakte waarnaar [appellant sub 1] verwijst betreft niet een voor hem geldend recht waar de realisering van het bouwplan inbreuk op zou maken, maar een voor hem geldende beperkende bepaling met betrekking tot het deel van zijn perceel dat niet is bestemd voor zijn woning, waaruit onder meer volgt dat het hebben van hoog opgaand geboomte of van hokken, bergplaatsen, getimmerten of dergelijke constructies op dat deel van zijn perceel niet is toegestaan.

Hetgeen [appellant sub 1] aanvoert biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat.

2.8.3. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat aan de vrijstelling geen zorgvuldige belangenafweging ten grondslag ligt.

Het betoog faalt.

2.9. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college de parkeerbehoefte onvoldoende heeft onderzocht en bij het aantal parkeerplaatsen geen rekening is gehouden met bezoekers.

2.9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juli 2004 in zaak nr. 200400798/1) dient bij de beantwoording van de vraag of voorzien wordt in voldoende parkeermogelijkheden alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van de voorziene appartementen 40 parkeerplaatsen bedraagt. Het college heeft bij de berekening van de parkeerbehoefte overeenkomstig de parkeernota van de gemeente voor appartementen die kleiner dan 85 m² zijn een norm gehanteerd van 1,1 parkeerplaats per appartement en bij appartementen van 85 m² en groter een norm gehanteerd van 1,2 parkeerplaats per appartement. Blijkens de parkeernota is in deze parkeernomen ook een norm voor bezoekers begrepen. Het door [appellant sub 1] aangevoerde biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college met de door hem gehanteerde normen de parkeerbehoefte als gevolg van de voorziene appartementen niet juist heeft berekend. Voor zover bij de berekening van de parkeerbehoefte geen rekening is gehouden met de parkeerbehoefte als gevolg van de activiteitenruimte, welke parkeerbehoefte volgens het college op 1 parkeerplaats zou neerkomen, hetgeen niet is betwist, wordt overwogen dat blijkens de parkeernota van de gemeente voor onder meer de wijk waarin het perceel is gelegen een standaard vrijstelling tot vijf parkeerplaatsen wordt verleend.

Uit het voorgaande volgt dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan met 40 parkeerplaatsen in voldoende parkeerplaatsen voorziet.

Het betoog faalt.

2.10. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Bij besluit van 17 december 2010 heeft het college ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw op de aanvraag van Stichting De Huismeesters beslist en vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 36 appartementen en één activiteitenruimte op het perceel. Het besluit van 17 december 2010 wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht voorwerp te zijn van dit geding.

2.12. [wederpartij A] betoogt dat het college hem ten onrechte niet heeft gehoord over zijn zienswijze.

2.12.1. Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

2.12.2. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure voorziet niet in een recht voor degenen die zienswijzen hebben ingediend om te worden gehoord respectievelijk een nadere mondelinge toelichting op de zienswijze te geven. Dat [wederpartij A] in zijn zienswijze van 2 november 2010 heeft aangegeven dat hij het op prijs stelt om over zijn bezwaren te worden gehoord, brengt niet met zich dat het college gehouden was om [wederpartij A] te horen.

Het betoog faalt.

2.13. [wederpartij A] betoogt voorts tevergeefs dat het college ten onrechte degenen die zienswijzen hebben ingediend tegen het bouwplan niet op de hoogte heeft gesteld van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit tot het vaststellen van hogere geluidgrenswaarden. De met betrekking tot dit besluit gevolgde procedure ligt thans niet ter beoordeling voor en het betoog kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat het besluit van 17 december 2010 voor vernietiging in aanmerking komt.

2.14. [wederpartij A], [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het besluit van 17 december 2010 niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Het bouwplan is volgens hen, gelet op de hoogte en omvang daarvan, niet passend in de omgeving. Voorts voeren [wederpartij A] en [appellant sub 2] aan dat het besluit van 17 december 2010 ten onrechte is gebaseerd op het in de nota "De Intense Stad" neergelegde beleid, nu dit beleid niet langer geldt en thans sprake is van een beleid gericht op "intense laagbouw", hetgeen volgens hen ook blijkt uit het bestemmingsplan "Oud-Zuid". Voorts is in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende ingegaan op de relatie met dit bestemmingsplan, aldus [wederpartij A].

2.14.1. De ruimtelijke onderbouwing is neergelegd in de notitie "Ruimtelijke onderbouwing voor het oprichten van een woongebouw 200704034 Hoornsediep 72" van 20 juli 2010. In deze ruimtelijke onderbouwing is nader gemotiveerd waarom het bouwplan past binnen de omgeving en de toekomstige bestemming van dit gebied. Daarbij is aandacht geschonken aan de relatie van het bouwplan met de nota "De Intense Stad", de omliggende bebouwing en het bestemmingsplan "Oud-Zuid", welk plangebied het onderhavige perceel omsluit.

In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat het project is ontwikkeld in het kader van de nota "De Intense Stad". Deze nota is blijkens de tekst daarvan, alsmede de toelichting van het college ter zitting, een uitwerking van de ambitie om enkele woningen te realiseren binnen de contouren van de bestaande stad, waarbij intensief of meervoudig ruimtegebruik en de creatie van een hoge ruimtelijke kwaliteit de voornaamste doelstellingen zijn. Zoals het college ter zitting nader heeft toegelicht, is in het kader van de nota "De Intense Stad" gezocht naar geschikte locaties om de hiervoor omschreven ambitie te realiseren. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel een dergelijke geschikte locatie is, gelet op het karakter van de bestaande bebouwing in de nabije omgeving, die bestaat uit gesloten bouwblokken met meerdere bouwlagen en op enkele plekken hoogteaccenten. Het bouwplan sluit goed op deze omgeving aan, nu het voorziet in een vergelijkbaar aantal bouwlagen, alsmede in een hoogteaccent op de hoek van de straten Hoornsediep en Rivierenhof, aldus het college. Het college heeft voorts gewezen op de omstandigheid dat de nota "De Intense Stad" bij het opstellen van het bestemmingsplan "Oud-Zuid', dat het perceel omsluit, het uitgangspunt is geweest en hetgeen in de nota is opgenomen in dit bestemmingsplan gestalte heeft gekregen, zoals onder meer blijkt uit de bouwmogelijkheid op het perceel van [appellant sub 1] voor een woning met een maximale bouwhoogte van 8 meter.

Hetgeen [wederpartij A] en [appellant sub 2] aanvoeren biedt geen grond voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen vasthouden aan de keuze om het bouwplan op het perceel te realiseren. Het is niet gebleken dat sprake is van nieuw beleid dat van toepassing is op het perceel en dat uitgaat van laagbouw, waarmee het bouwplan in strijd zou zijn, zoals door [appellant sub 2] is betoogd. Zoals door het college ter zitting is toegelicht, bestaat thans wel de ambitie om laagbouw te realiseren, maar betreft dit een ontwikkeling die los gezien dient te worden van de nota "De Intense Stad", waarvoor net als in het geval van de nota "De Intense Stad" geschikte locaties worden gezocht. Het betreft derhalve geen beleid dat de nota "De Intense Stad" heeft vervangen. Voorts biedt het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het perceel, gelet op de omgeving, niet geschikt zou zijn voor de realisering van het bouwplan. Het college heeft onder verwijzing naar het karakter van de omliggende bebouwing voldoende gemotiveerd dat het bouwplan qua hoogte en omvang aansluit bij de omgeving. De enkele omstandigheid dat de woning van [appellant sub 1], alsmede het nabijgelegen kerkgebouw, beide slechts uit één bouwlaag bestaan biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt mocht stellen. Het bouwplan sluit voorts aan bij de uitgangspunten van het aansluitende planologische regime, nu zowel het bestemmingsplan "Oud-Zuid" als het bouwplan zijn gebaseerd op de nota "De Intense Stad".

Het college heeft, gelet op het voorgaande, het bouwplan van een voldoende ruimtelijke onderbouwing voorzien en heeft daarmee voldaan aan hetgeen hem was opgedragen bij de aangevallen uitspraak.

Het betoog faalt.

2.15. Zoals hiervoor onder 2.8.1., 2.8.2. en 2.8.3. is overwogen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat aan de vrijstelling van 22 juli 2009 geen zorgvuldige belangenafweging ten grondslag ligt. De door het college gemaakte belangenafweging is met het besluit van 17 december 2010 niet gewijzigd. Het betoog van [appellant sub 1] dat aan het besluit van 17 december 2010 geen deugdelijke belangenafweging ten grondslag is gelegd, kan derhalve niet slagen.

2.16. De beroepen van [wederpartij A], [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 17 december 2010 zijn ongegrond.

2.17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [wederpartij A], [belanghebbende A] en [belanghebbende B], het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 17 december 2010 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011

357-580.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature