Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 1 oktober 2010 heeft het college aan het Centrum voor Wonen, Zorg en Welzijn Overijssel (hierna: het Leger des Heils) bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van het pand aan de Keppelseweg 29 in Wehl (hierna: het perceel).

Uitspraak



201106370/1/H1 en 201106370/2/H1.

Datum uitspraak: 4 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Wat Een Heerlijk Land en anderen, gevestigd onderscheidenlijk wonend te Doetinchem, (hierna: de Stichting en anderen)

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) van 25 mei 2011 in de zaken nrs. 11/499 en 11/500 in het geding tussen:

de Stichting en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2010 heeft het college aan het Centrum voor Wonen, Zorg en Welzijn Overijssel (hierna: het Leger des Heils) bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van het pand aan de Keppelseweg 29 in Wehl (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 april 2011 heeft het het door de Stichting en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit, onder verbetering van de motivering ervan, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 25 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door de Stichting en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Stichting en anderen bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Voorts hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2011, waar de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. C.F. van Helvoirt, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door M.G.P. Derks, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar het Leger des Heils, vertegenwoordigd door mr. S.E. van Niftrik, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van het college dat de Stichting en anderen geen spoedeisend belang hebben bij de door hen gevraagde voorziening wordt niet gevolgd. Met de inmiddels aangevangen bouwwerkzaamheden wordt beoogd het pand op het perceel geschikt te maken voor gebruik als zogeheten Domushuis, waarin opvang wordt geboden aan 24 dak- en thuislozen met een psychiatrische stoornis en veelal een verslavingsprobleem. Nu het pand na afronding van de bouwwerkzaamheden op korte termijn als zodanig door het Leger des Heils in gebruik zal worden genomen, hebben de Stichting en anderen spoedeisend belang bij hun verzoek.

2.2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3. Het pand wordt geschikt gemaakt voor beschermd wonen door dak- en thuisloze volwassenen met een AWBZ-indicatie "zorg met verblijf" onder intensieve begeleiding. Voor elke bewoner wordt tijdens het verblijf een individueel zorgplan opgesteld. Doel van de begeleiding is om vaardigheden, gedrag en zelfredzaamheid van de bewoners te verbeteren, zodat zij uiteindelijk in staat zullen zijn zelfstandig te wonen. Medewerkers van het Leger des Heils houden permanent toezicht op de bewoners.

2.4. De Stichting en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het gebruik van het pand als Domushuis in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voeren hiertoe aan dat de intensieve begeleiding en verzorging van de bewoners in het Domushuis mogelijk binnen de op het perceel rustende bestemming "Maatschappelijk" past, maar de bewoning niet, omdat het perceel op de plankaart van het bestemmingsplan niet is voorzien van de nadere aanduiding 'wonen'. Die nadere aanduiding is ingevolge artikel 10.1, aanhef en onder f, van de planvoorschriften vereist om wonen dat ondergeschikt is aan de bestemming, waarvan in dit geval sprake is, toegelaten te achten, aldus de Stichting en anderen.

2.4.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wehl 2008" rust op het perceel de bestemming "Maatschappelijk".

Ingevolge artikel 10.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen.

Ingevolge aanhef en onder f zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor wonen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen' en ondergeschikt aan de onder a genoemde bestemming.

Ingevolge artikel 1.44 wordt onder maatschappelijke voorzieningen verstaan educatieve, sociale, medische en levensbeschouwelijke voorzieningen evenals voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening of een combinatie daarvan.

2.4.2. De voorzieningenrechter heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat artikel 10.1, aanhef en onder f, van de planvoorschriften, dat aan maatschappelijke voorzieningen ondergeschikt wonen mogelijk maakt, meebrengt dat onder de term maatschappelijke voorzieningen niet mede huisvesting kan worden begrepen. De bepaling heeft tot doel zelfstandige bewoning, zoals voor conciërges of begeleiders, naast de maatschappelijke voorzieningen ter plaatse mogelijk te maken. Het beroep op de in artikel 10.6.1 van de planvoorschriften opgenomen mogelijkheid om ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 10.1 voor het gebruik van de gronden en opstallen ten behoeve van wonen, kan de Stichting en anderen evenmin baten. Dit voorschrift heeft voor de uitleg van de omschrijving van de bestemming "Maatschappelijk" in artikel 10.1 van de planvoorschriften niet de betekenis die zij daaraan gehecht willen zien.

2.4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 mei 2006 in zaak nr. 200506448/1), bestaat, gelet op het gestelde doel van het wonen in een Domushuis, namelijk het bewerkstelligen van een gedragsverandering van de bewoners op de lange termijn, zodat zij uiteindelijk in staat zullen zijn zelfstandig te wonen, daarbij geen duidelijk onderscheid tussen het wonen en de geboden zorg, zodat geen sprake is van zelfstandige bewoning. In aanmerking nemende de omschrijving in artikel 1.44 van de planvoorschriften van het geen onder maatschappelijke voorzieningen moet worden verstaan, waarbij de huisvesting en begeleiding van de bewoners kan worden begrepen onder daarin vermelde sociale voorzieningen, heeft de voorzieningenrechter met juistheid het verblijf van de bewoners niet in strijd met de bestemming "maatschappelijke voorzieningen" geacht.

Het betoog faalt.

2.5. De Stichting en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit). Hiertoe voeren zij aan dat het Leger des Heils, hoewel het op zijn weg lag om aan te tonen dat met de aangebrachte voorzieningen ten behoeve van de brandveiligheid een gelijkwaardige oplossing, als bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit , tot stand is gebracht, dat niet heeft gedaan. Voorts is in het door de brandweer uitgevoerde gelijkwaardigheidsonderzoek ten onrechte voorbij gegaan aan de beperkte zelfredzaamheid van de beoogde bewoners, aldus de Stichting en anderen.

2.5.1. Niet in geschil is dat het bouwplan niet voldoet aan de in artikel 2.157, eerste lid, van het Bouwbesluit gestelde eis. Ingevolge artikel 1.5 van het Bouwbesluit behoeft aan deze eis niet te worden voldaan, voor zover het bouwwerk anders dan door toepassing van dat voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid biedt, als met het voorschrift is beoogd.

De voorzieningenrechter heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan, wat betreft de brandveiligheid voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens het Bouwbesluit. Het college mocht zich daarbij baseren op de memo van de brandweer Doetinchem van 17 maart 2011 dat deze van oordeel is dat de juiste maatregelen en voorzieningen zijn getroffen om dezelfde mate van brandveiligheid te bereiken, als is beoogd met artikel 2.157, eerste lid, van het Bouwbesluit . Artikel 1.5 van het Bouwbesluit , noch de toelichting hierop (Stb. 2001, 410, blz. 195), staat er aan in de weg dat een ander dan de aanvrager van de bouwvergunning het gelijkwaardigheidsonderzoek, als bedoeld in deze bepaling, uitvoert. In hetgeen de Stichting en anderen hebben aangevoerd heeft de voorzieningenrechter terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de conclusie in de memo niet juist is. Gelet op de door het Leger des Heils ter zitting gegeven en niet, althans niet gemotiveerd, weersproken toelichting op de mate van zelfredzaamheid van de beoogde bewoners, heeft de voorzieningenrechter in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college deze niet in staat heeft mogen achten om het pand bij brand tijdig zelfstandig, dan wel met behulp van een medewerker van het Leger des Heils, te verlaten.

Het betoog faalt.

2.6. De Stichting en anderen betogen verder dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat voor het in gebruik nemen van het Domushuis geen vergunning krachtens de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) nodig is en het college hierin derhalve geen aanleiding hoefde te zien om de beslissing op de aanvraag aan te houden, heeft miskend dat het Domushuis een instelling voor medisch-specialistische zorg in de zin van artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen (hierna: de WTZi) is, nu hier psychiatrische zorg wordt verleend, zodat het een zelfstandig behandelcentrum is.

2.6.1. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet , voor zover thans van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting, voor het in bedrijf hebben waarvan een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wm is vereist, tenzij de beschikking op de aanvraag om laatstbedoelde vergunning reeds is gegeven.

Niet in geschil is dat het Domushuis is aan te merken als een inrichting in de zin van de Wm, zoals die luidde ten tijde van belang. Bijlage 1 bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van belang, bevat een lijst van inrichtingen, voor het in bedrijf hebben waarvan vergunning krachtens de Wm vereist is. In categorie gg van deze bijlage zijn onder meer inrichtingen opgenomen, die krachtens de WTZi zijn aangewezen als instelling voor medisch-specialistische zorg.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WTZi moet een organisatorisch verband dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van instellingen die zorg verlenen, waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 6 van de Algemene Wet Bijzonderde Ziektekosten of ingevolge een zorgverzekering, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet , voor het verlenen van die zorg een toelating hebben van de minister.

Ingevolge artikel 1.2 aanhef en onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi worden voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, van de wet instellingen voor medisch-specialistische zorg aangewezen.

2.6.2. Uit de toelichting op het Uitvoeringsbesluit WTZi valt af te leiden dat algemene, academische, militaire en categorale ziekenhuizen, alsmede de voormalige zelfstandige behandelcentra instellingen voor medisch-specialistische zorg zijn. Nu het bij het voorgenomen gebruik van het pand op het perceel gaat om begeleid wonen, waarbij de nadruk ligt op sociaal-pedagogische begeleiding en geen medische zorg door een specialist wordt verleend, heeft de voorzieningenrechter het Domushuis terecht niet aangemerkt als instelling voor medisch-specialistische zorg. Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2011

17-604.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature