Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Bemelen, wijzigingsplan perceel [locatie]" vastgesteld.

Uitspraak



201104471/2/R1.

Datum uitspraak: 1 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], beiden wonend te Bemelen, gemeente Margraten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Bemelen, wijzigingsplan perceel [locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2011, beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brief van dezelfde datum hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 juni 2011, waar [verzoekers], bijgestaan door mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door ING. H. Luth, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden], bijgestaan door mr. R.A.D. Blaauw, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet met gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 14, lid G, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Bemelen" (hierna: het bestemmingsplan) in de mogelijkheid om de op het perceel [locatie] aanwezige stal te gebruiken als recreatiewoning.

2.3. Het verzoek van [verzoekers] is gericht tegen het wijzigingsplan en beoogt onomkeerbare ontwikkelingen van de inwerkingtreding hiervan te voorkomen. [verzoekers] wijzen erop dat hun voor privédoeleinden opgerichte buitenmanege grenst aan het perceel [locatie]. Zij vrezen dat het voorziene gebruik van de stal een schrikreactie bij hun paarden teweeg brengt.

Tevens voeren zij aan dat de stal buiten de rode contourlijn van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (hierna: POL 2006) valt, waardoor een andere dan een agrarische bestemming niet is toegestaan. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de landschappelijke en natuurlijke inpassing in de omgeving, aldus [verzoekers].

[verzoekers] vrezen permanente bewoning van de recreatiewoning en stellen dat het college onvoldoende aandacht heeft besteed aan het voorkomen hiervan. Daarnaast stellen [verzoekers] dat het bouwvlak ten onrechte louter is gebaseerd op luchtfoto's. Het bouwvlak is volgens [verzoekers] ruimer getrokken dan de bestaande situatie, hetgeen impliceert dat een mogelijkheid tot uitbreiding bestaat. Tot slot wordt opgemerkt dat de stal reeds zonder vergunning is vergroot van 6,5 meter lengte naar 10 meter en dat het college hiertegen nimmer handhavend heeft opgetreden. Ten onrechte wordt deze bebouwing als zodanig bestemd in dit wijzigingsplan, aldus [verzoekers].

2.4. De in het geding zijnde gronden waren in het bestemmingsplan bestemd als "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden". Ingevolge artikel 14, lid C, van de voorschriften van het bestemmingsplan mag op of in de tot "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" aangewezen gronden niet worden gebouwd, behoudens ter plaatse van de op de plankaart aangeduide "stal", waar uitsluitend één stal mag worden gebouwd, met dien verstande dat oppervlakte en goot- en nokhoogte van bouwwerken ten hoogste de bestaande oppervlakte en hoogte mogen bedragen.

Ingevolge artikel 14, lid G, van de voorschriften kan het college de bestemming wijzigen in de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden", teneinde het realiseren van één vakantiewoning mogelijk te maken, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding op de plankaart, met dien verstande dat:

1. de vakantiewoning uitsluitend binnen de bestaande bebouwing van de stal mag worden gerealiseerd;

2. na wijziging aan de bestaande bebouwing geen nieuwe bebouwing mag worden toegevoegd;

(…)

mits:

(…)

- aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden aangetast.

2.5. Aan de gronden die in het bestemmingsplan zijn aangeduid als "stal" is in het wijzigingsplan een bouwvlak toegekend met de aanduiding "recreatiewoning". Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, onder b, van de planregels mag het bouwvlak geheel worden bebouwd.

2.6. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

2.7. Het college heeft ter zitting toegelicht dat in het kader van het bestemmingsplan een inventarisatie van de aanwezige bebouwing heeft plaatsgevonden die niet louter is gebaseerd op luchtfoto's, maar ook op gegevens uit het kadaster en de Grootschalige Basiskaart van Nederland. Het voor de gronden van het perceel [locatie] aldus verkregen bouwoppervlak is op de kaart van het bestemmingsplan overgenomen en daaraan is de aanduiding "stal" toegekend. Ditzelfde bouwvlak is één op één overgenomen in het wijzigingsplan. Nu [verzoekers] geen andere gegevens hebben overgelegd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de omvang van de bebouwing onvoldoende is geïnventariseerd. Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat het wijzigingsplan geen extra verstening mogelijk maakt. Gelet hierop is de voorzitter vooralsnog noch van uitbreiding buiten de contour opgenomen in het POL 2006 noch van strijd met artikel 14, lid G, onder 1 en 2, van de voorschriften van het bestemmingsplan gebleken. Voor zover al sprake zou zijn van het als zodanig bestemmen van zonder vergunning opgerichte bebouwing, is dit naar het oordeel van de voorzitter gezien de hiervoor beschreven systematiek al bij het bestemmingsplan gebeurd.

2.7.1. Het college heeft in de reactie op de zienswijze te kennen gegeven dat de wijziging past in de omgeving en geen aantasting met zich zal brengen voor landschappelijke en natuurlijke waarden. In dit verband heeft het college gewezen op het rapport "Quickscan flora en fauna, [locatie] te Bemelen te Margraten" van 23 april 2010 van Econsultancy B.V. Uit het rapport is af te leiden dat verscheidene broedvogels onderkomen kunnen vinden in of nabij de stal, maar door werkzaamheden buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden voorkomen kan worden dat onnodige verstoring van broedvogels plaatsvindt. Specifieke maatregelen worden niet nodig geacht. De Ecologische Hoofd Structuur en Provinciale Ontwikkelingszone Groen zullen niet worden aangetast door de herbestemming van het perceel. Externe werking op overige beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000, is niet aan de orde, aldus het rapport. [verzoekers] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het rapport zodanige gebreken bevat dat het college zich hierop niet had mogen baseren.

2.7.2. Voor zover [verzoekers] wat betreft de schrikreactie van de paarden de vrees van de opening van het raam aan de noordgevel van de stal, die zich op de grens met de gronden van [verzoekers] bevindt, hebben aangevoerd, heeft het college in de reactie op de zienswijze terecht gewezen op artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek waarin is bepaald dat het niet geoorloofd is binnen twee meter van de grenslijn van het naburige erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of dergelijke werken te hebben voor zover deze op dit erf uitzicht geven, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven. De voorzitter is er vooralsnog niet van overtuigd dat het enkele gebruik van de schuur voor recreatieve doeleinden zodanige effecten met zich brengt voor de paarden van [verzoekers] dat het college het wijzigingsplan om die reden niet heeft kunnen vaststellen.

2.7.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planregels behorende bij het wijzigingsplan zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor onder meer recreatieve doeleinden op dag- en verblijfsrecreatief gebied en parkeervoorzieningen ten behoeve van het ter plaatse uitgeoefende recreatief gebruik. Ingevolge artikel 5, onder a, is het verboden gronden en opstallen in dit plan te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig aan de gegeven bestemming. Gelet hierop bestaat voor de vrees voor permanente bewoning geen grond. Mocht de recreatiewoning in strijd met de bestemming wel permanent worden bewoond, dan kan om handhavend optreden worden verzocht. Het al dan niet handhavend optreden staat in deze procedure niet ter beoordeling.

2.7.4. [verzoekers] hebben ten slotte verzocht voor het overige de door hen tegen het ontwerpplan ingediende zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[verzoekers] hebben in het verzoekschrift noch anderszins redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2011

466-673.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature