Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Op 28 april 2009 heeft het dagelijks bestuur zijn besluit om op 31 maart 2009 de in het pand op het perceel [locatie] te Rotterdam (hierna: het pand) aangetroffen hennepkwekerij direct te ontruimen op schrift gesteld en daarbij de kosten van die ontruiming voor rekening van [appellant] gebracht.

Uitspraak



201010735/1/H1.

Datum uitspraak: 6 juli 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hoogvliet, gemeente Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 september 2010 in zaak nr. 09/4355 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Charlois.

1. Procesverloop

Op 28 april 2009 heeft het dagelijks bestuur zijn besluit om op 31 maart 2009 de in het pand op het perceel [locatie] te Rotterdam (hierna: het pand) aangetroffen hennepkwekerij direct te ontruimen op schrift gesteld en daarbij de kosten van die ontruiming voor rekening van [appellant] gebracht.

Bij besluit van 24 november 2009 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2010, verzonden op 29 september 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 december 2010.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S. de Wit, werkzaam bij de deelgemeente, zijn verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op een ter zitting ingediend nader stuk van het dagelijks bestuur.

Bij brief van 9 mei 2011 heeft [appellant] een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om handhavend op te treden op grond van strijd met artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet . Hij voert daartoe aan dat het dagelijks bestuur de grenzen van de hem in artikel 100 van de Woningwet verleende handhavingsbevoegdheid heeft overschreden. Volgens hem kon het dagelijks bestuur geen bestuursdwang in de vorm van het verwijderen van de hennepplanten toepassen, nu de politie de hennepkwekerij reeds strafrechtelijk in beslag had genomen. Voorts voert hij aan dat het doel van dit optreden de onmiddellijke handhaving van de openbare orde was en artikel 5:23 van de Awb bepaalt dat afdeling 5.3.1 van de Awb in dat geval niet van toepassing is. Gelet hierop betoogt [appellant] dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid tot handhaving heeft aangewend in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Tot slot betoogt [appellant] dat, indien het ontkoppelen van de elektriciteitsaansluiting de toepassing van bestuursdwang rechtvaardigt, de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur slechts voor dit deel bevoegd was om op grond van artikel 1a van de Woningwet bestuursdwang toe te passen.

2.1.1. De bij het besluit van 28 april 2009 op schrift gestelde bestuursdwang had ten doel een einde te maken aan overtreding van artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet , dat ten tijde van belang luidde:

"Een ieder die een bouwwerk of standplaats bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt."

Volgens het besluit van 28 april 2009 heeft het dagelijks bestuur aan het handhavend optreden een rapportage van een fraudespecialist van Eneco Services B.V. van 2 april 2009 ten grondslag gelegd, waarin deze zijn bevindingen van een onderzoek van de elektriciteitsvoorziening in het pand op 31 maart 2009 heeft neergelegd.

Uit die rapportage blijkt dat ter plaatse een brandgevaarlijke situatie bestond, doordat de elektrische installatie van de hennepkwekerij zeer onprofessioneel was aangelegd, waardoor tevens gevaar bestond voor kortsluiting en elektrocutie. De fraudemedewerker heeft volgens het rapport onder meer geconstateerd dat gebruik was gemaakt van ondeugdelijk materiaal en dat onder spanning staande delen niet goed waren afgeschermd, hetgeen bij toevallige aanraking zeer gevaarlijk was. Daarnaast waren lampen en voorschakelapparatuur op brandbaar materiaal gemonteerd en was op de vloer van de hennepkwekerij gebruik gemaakt van materiaal dat water vasthoudt, waardoor er een groter vochtgehalte kon ontstaan. Hierdoor wordt de kans op elektrocutie vergroot.

Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid toekwam om bestuursdwang toe te passen ter beëindiging van een met artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet strijdige situatie en dat van optreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde in de zin van artikel 5:23 van de Awb geen sprake was.

2.1.2. Het betoog dat de toepassing van bestuursdwang niet noodzakelijk was, nu de hennepplanten reeds door de politie strafrechtelijk in beslag waren genomen, leidt niet tot een ander oordeel, nu zoals hierna onder 2.3.2 zal worden overwogen, dat betoog geen steun vindt in de gedingstukken. Bovendien heeft de rechtbank terecht overwogen dat strafrechtelijk optreden tegen de hennepkwekerij niet afdoet aan de bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheid van het dagelijks bestuur. Ten aanzien van het betoog dat de medewerkers van het dagelijks bestuur bij het binnentreden in de woning ten onrechte niet beschikten over een machtiging ingevolge artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden , gelezen in verbinding met artikel 5:27, tweede lid van de Awb , overweegt de Afdeling, dat de beoordeling van de vraag of de bestuursdwang feitelijk correct is uitgevoerd, thans niet aan de orde is, doch uitsluitend het besluit om daartoe over te gaan.

2.1.3. Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur met het handhavend optreden de bevoegdheid daartoe heeft overschreden. Nu de met de wet strijdige situatie wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van de hennepkwekerij als geheel, bestaat, anders dan [appellant] stelt, geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur het optreden had dienen te beperken tot uitsluitend de verwijdering van de gevaarzettende elektrische installatie in het pand. Het dagelijks bestuur heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat in dat geval de kans bestaat dat met een nieuw aan te leggen aansluiting op het elektriciteitsnet de hennepkwekerij zal worden voortgezet.

2.1.4. Voor het oordeel dat sprake is van détournement de pouvoir bestaat evenmin grond. Dat zou anders zijn indien de door het dagelijks bestuur gebezigde motieven om handhavend op te treden die beslissing niet dragen en aan het besluit in werkelijkheid andere motieven ten grondslag liggen, waartoe de handhavingsbevoegdheid niet mag worden aangewend. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De omstandigheid dat de ontruiming van de hennepkwekerij mogelijk door het dagelijks bestuur ook in andere opzichten gewenst werd geacht, bijvoorbeeld uit een oogpunt van de openbare orde, brengt niet mee dat de bevoegdheid tot het nemen van dit besluit is aangewend voor een ander doel dan waarvoor die is verleend.

2.1.5. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het dagelijks bestuur in redelijkheid van de bevoegdheid tot handhaving gebruik heeft kunnen maken.

Het betoog faalt.

2.2. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden niet zo spoedeisend was, dat tot toepassing daarvan mocht worden besloten zonder het gunnen van een termijn waarin hij de overtreding zelf had kunnen beëindigen. Hij voert aan dat de vereiste spoed zich er niet tegen verzette dat hij zelf de gelegenheid had gekregen de hennepplanten op te ruimen en de elektriciteitsaansluiting te verwijderen.

2.2.1. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat het dagelijks bestuur de situatie ter plaatse op 31 maart 2009 zo spoedeisend heeft mogen achten, dat zonder schriftelijke last en het stellen van een termijn om daaraan te voldoen tot ontruiming van de hennepkwekerij mocht worden besloten. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat, zoals overwogen onder 2.1.1, het eerdergenoemde rapport van 2 april 2009 van de fraudespecialist van Eneco Services B.V. daarvoor voldoende aanleiding gaf. De bevindingen in dat deskundigenrapport zijn niet gemotiveerd betwist.

Het dagelijks bestuur stelt zich in dit verband voorts terecht op het standpunt dat het ontruimen van hennepkwekerijen specialistisch werk is, dat dient te worden uitgevoerd door daartoe bekwame medewerkers en dat met ontruiming op die wijze wordt voorkomen dat ter plaatse binnen korte tijd een nieuwe hennepkwekerij wordt opgezet.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat hij in beroep niet alleen de hoogte en de redelijkheid van de kosten die op hem worden verhaald heeft willen betwisten, maar ook de aard daarvan. Hij voert aan dat het dagelijks bestuur de kosten van de ontruiming van de hennepkwekerij niet op hem kan verhalen, omdat niet het dagelijks bestuur, maar de politie in het kader van de strafrechtelijke handhaving de hennepkwekerij in beslag heeft genomen en door Roteb Service heeft laten afvoeren. Het dagelijks bestuur is dan ook niet gerechtigd om de met de strafrechtelijke handhaving gemoeide kosten op hem te verhalen, aldus [appellant].

2.3.1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb , zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, is de overtreder de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.3.2. Anders dan [appellant] stelt, heeft de daadwerkelijke ontruiming van de hennepkwekerij plaatsgevonden op basis en ter uitvoering van het besluit van het dagelijks bestuur en derhalve in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving. De omstandigheid dat op of rond het tijdstip van de ontruiming in het pand tevens politiefunctionarissen aanwezig waren met het oog op de strafrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften, betekent niet dat de hennepkwekerij is ontruimd op last van de politie. Uit de "Checklist ontmanteling hennepkwekerijen", die zich onder de gedingstukken bevindt, kan worden afgeleid dat de politie op 31 maart 2009 om 9.35 uur het pand heeft overgedragen aan de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting van de deelgemeente ten behoeve van de "bestuurlijke ontruiming". Uit deze checklist kan verder worden afgeleid dat het bedrijf Roteb Service de ontruiming vervolgens feitelijk heeft uitgevoerd, hetgeen ter zitting door het dagelijks bestuur is bevestigd en niet is weersproken. Dat Roteb Service dit in opdracht van de deelgemeente heeft gedaan, blijkt uit het besluit van 28 april 2009, alsmede uit de omstandigheid dat Roteb Service de rekening met betrekking tot de werkzaamheden aan de deelgemeente heeft uitgebracht.

De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de kosten van de bestuursdwang op [appellant] konden worden verhaald.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011

374-641.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature