Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing verzoek om kwijtschelding van het restant van de door de terugvordering ontstane schuld. Gevoerde beleidsregel is binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Appellante voldoet aan geen van de voorwaarden voor kwijtschelding. Geen strijd met art. 8 EVRM en de art. 26 en 27 IVRK. Door de hoogte van het bedrag dat met toepassing van de beslagvrije voet beschikbaar blijft van de bijstandsuitkering is voldoende gegarandeerd dat appellante kan voorzien in de kosten van leven en ontwikkeling, zoals gegarandeerd door die verdragsbepalingen.

Uitspraak



10/5797 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 september 2010, 09/1758 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2011. Appellante is vertegenwoordigd door mr. Bovenkamp. Het College heeft zich - zoals vooraf bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 6 juni 2005 heeft het College met toepassing van artikel 58 van de Wet werk en bijstand (WWB) van appellante een bedrag van € 43.367,59 teruggevorderd als teveel betaalde bijstand over de periode 1 april 2002 tot en met 31 mei 2005 wegens niet gemelde inkomsten. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Bij brief van 12 februari 2009 heeft mr. Bovenkamp namens appellante verzocht om kwijtschelding van het restant van de door de terugvordering ontstane schuld.

1.3. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het College dit verzoek afgewezen op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden die het kwijtscheldingsbeleid, zoals neergelegd in het Nieuw Debiteurenbeleid WWB c.a. 2008 (hierna: debiteurenbeleid).

1.4. Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat de toepasselijke beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaan, dat in haar geval van de beleidsregel had moeten worden afgeweken en onverkorte toepassing van de beleidsregel in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de artikelen 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat artikel 58 van de WWB, voor zover hier van belang, meebrengt dat ten onrechte gemaakte kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd. Het gaat daarbij - naar uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever - om een discretionaire bevoegdheid. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering moet hierin besloten worden geacht.

4.2. Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het College het debiteurenbeleid vastgesteld. Beleidsregel 2 van het debiteurenbeleid bepaalt voor zover hier van belang dat het College in beginsel geen kwijtschelding verleend voor een vordering die ontstaan is door schending van de inlichtingenverplichting ex artikel 17 van de WWB of artikel 65 van de Algemene bijstandswet (hierna: fraudevordering). Indien de debiteur gedurende ten minste 60 maandtermijnen de betaalafspraken is nagekomen en hij minimaal de helft van de fraudevordering heeft voldaan, bekijkt het College de mogelijkheden van schuldbemiddeling of schuldsanering. Na de succesvolle afronding van een schuldbemiddelings- of schuldsaneringstraject verleent het College op verzoek kwijtschelding op verzoek van de debiteur.

4.3. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 2 november 2010, LJN BO2846, blijft deze beleidsregel binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. De rechtbank heeft daarom met juistheid geoordeeld dat deze beleidsregel niet kennelijk onredelijk is. In zoverre faalt het hoger beroep.

4.4. Niet in geschil is dat appellante voldoet aan geen van de voorwaarden voor kwijtschelding. Appellante heeft er op gewezen dat zij door toepassing van dit beleid meer dan tien jaar lang onder het bestaansminimum moet leven en dat haar kinderen daardoor in armoede opgroeien.

4.5. Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt een bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

4.6. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat in hetgeen door appellante is aangevoerd geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen die het College nopen om af te wijken van de beleidsregel. Dat debiteuren bij terugvordering, waarbij rekening moet worden gehouden met de zogenoemde beslagvrije voet, langdurig slechts kunnen beschikken over 90 procent van de toepasselijke bijstandsnorm is immers niet bijzonder, ook niet voor (alleenstaande) ouders. Daarbij is voorts niet in geschil dat appellante in aanmerking komt voor huur- en zorgtoeslag en kinderbijslag en dat het College in voorkomende gevallen, zoals bij de geboorte van het jongste kind van appellante voor een babyuitzet, bijzondere bijstand verleend.

4.7. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat het overleg van hulpverlenende instanties in Maastricht unaniem van mening is dat appellante niet in staat is haar belangen te behartigen. Appellante, die asielzoekster is geweest, zou mogelijk lijden aan een posttraumatische stressstoornis. Zij vraagt daarom om ontheffing van de inburgeringsverplichting. De kosten verbonden aan het medisch onderzoek in dit verband kan zij niet betalen. De Raad stelt vast dat deze stellingen niet zijn onderbouwd en dat het College daarop niet heeft kunnen reageren. Reeds daarom zal de Raad dit betoog als te laat aangevoerd buiten beschouwing laten.

4.8. Appellante betoogt dat de weigering van de kwijtschelding in strijd is met artikel 8 van het EVRM en de artikelen 26 en 27 van IVRK . Volgens appellante is het in strijd met deze verdragsbepalingen dat zij en haar kinderen langdurig moeten leven met minder middelen dan waarin de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder voorziet.

4.9. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit betoog moet falen. Het stelsel van bepalingen van de WWB, de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en thans voorts artikel 4:116 van de Awb garanderen dat ieder, van wie vorderingen worden ge ïnd, tot zijn levensonderhoud ten minste blijft beschikken over - kort gezegd - negentig procent van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm (hierna: de beslagvrije voet), terwijl aan de duur daarvan geen beperking is gesteld. Naar het oordeel van de Raad is dit stelsel van bepalingen niet in strijd met de door appellante aangehaalde verdragsbepalingen. Deze verdragsbepalingen verbieden immers niet dat geldschulden op het inkomen van de schuldenaar worden verhaald. Door de hoogte van het bedrag dat met toepassing van de beslagvrije voet beschikbaar blijft van de bijstandsuitkering is voldoende gegarandeerd dat appellante kan voorzien in de kosten van leven en ontwikkeling, zoals gegarandeerd door die verdragsbepalingen. Het debiteurenbeleid blijft binnen de grenzen van dit stelsel en is dus met voornoemde verdragsbepalingen niet in strijd. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.

4.10. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.9 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) I. Mos.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature